Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2024:7267 ECLI:NL:RBZWB:2024:7267 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2024:7267 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2024:7267
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 23/2480 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2024 in de zaak tussen [belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. S.M. Bothof), en de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur, en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 maart 2023. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.219. 1.2.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2024:7267 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Tevens wordt in het rapport commentaar gegeven op de verschillende door de taxateur van belanghebbende opgevoerde schadeposten. 3.3. De inspecteur heeft op basis van de hem ter beschikking staande gegevens en de bevindingen van DRZ de verschuldigde Bpm vastgesteld op € 26.871. Met dagtekening 24 juni 2022 is aan belanghebbende voor de auto een naheffingsaanslag opgelegd van € 5.219. Overwegingen 4. Belanghebbende stelt primair dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd en subsidiair dat de naheffingsaanslag moet worden verlaagd. Herleidingsmethode 4.1.

Keywords

AI generated
motor vehicle expenses motor vehicle liability insurance register entry fee accident insurance coverage taxable value vehicle tax

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHSHE:2022:1427
GERECHTSHOF ‘S-HERTOGENBOSCH Zittingsplaats Den Haag Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BKDH-21/00261, BKDH-21/00262 tot en met 21/00268, 21/00270 en 21/00271, 21/00273 tot en met 21/00281, 21/00285 tot en met 21/00299, 21/00338 en 21/00340 tot en met 21/00355. Uitspraak van 14 april 2022 in het geding tussen: [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: S.M. Bothof) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordigers: […] en […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (de Rechtbank) van 9 maart 2021, nummer BRE 17/7490, van 9 maart 2021, nummers 18/803 en 18/7732 tot en met 18/7736, van 29 januari 2021, nummers BRE 17/7221, 18/7678, 18/7680 en 18/7681, van 29 januari 2021, nummers BRE 17/7222 en 18/7682 tot en met 18/7687, van 16 februari 2021, nummers BRE 18/608 en 18/7714 tot en met 18/7727, van 8 april 2021, nummers BRE 18/882 en 18/7745 tot en met 18/7752, en van 8 april 2021, nummers BRE 18/864 en 18/7737 tot en met 18/7744.
ECLI:NL:PHR:2023:1214
ECLI:NL:HR:2023:1526
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 21/02011 Datum 10 november 2023 ARREST in de zaak van [X] N.V.
ECLI:NL:HR:2024:567
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 22/00849 Datum 31 mei 2024 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen het BESTUUR VAN HET NOORDELIJK BELASTINGKANTOOR op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 januari 2022, nr. 20/01002, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nrs. LEE 20/2760 en LEE 20/1770) betreffende van belanghebbende geheven leges. 1Geding in cassatie 1.1 Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.M. Vrolijk, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 23/2480 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2024 in de zaak tussen [belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. S.M. Bothof), en de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur, en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 maart 2023. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.219. 1.2.

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: als waarnemer van de gemachtigde [naam 1] en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Als toehoorder van de belastingdienst was aanwezig drs. [naam 2] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd.

De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. In geschil is of de zogenoemde herleidingsmethode van toepassing is en of een waardevermindering wegens schade in aanmerking moet worden genomen. Tussen partijen is niet in geschil dat de historische nieuwprijs € 194.051 bedraagt en dat kan worden uitgegaan van een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 90.824. Ook de historische bruto Bpm van € 57.418 is niet in geschil. 2.2. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 3. Belanghebbende heeft op 16 maart 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Mercedes Benz GLC-klasse Coupé 63 S AMG 4matic met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 21.652. 3.1. Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van Voertuig Taxaties B.V. van 7 maart 2022. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 88.538. De taxateur heeft vanwege aanwezige schade een bedrag van € 6.970 op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht.

De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat is vastgesteld op € 72.715. 3.2. De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De bevindingen zijn opgenomen in een taxatierapport van 24 maart 2022. De hertaxateur heeft de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vastgesteld op € 90.824. De hertaxateur heeft geen aanleiding gezien om een waardevermindering wegens schade in aanmerking te nemen. In het rapport staat daarover vermeld dat de auto in een zeer nette en verzorgde staat verkeert, dat de carrosseriedelen en de velgen van de auto vrij zijn van beschadigingen en vervormingen.

Tevens wordt in het rapport commentaar gegeven op de verschillende door de taxateur van belanghebbende opgevoerde schadeposten. 3.3. De inspecteur heeft op basis van de hem ter beschikking staande gegevens en de bevindingen van DRZ de verschuldigde Bpm vastgesteld op € 26.871. Met dagtekening 24 juni 2022 is aan belanghebbende voor de auto een naheffingsaanslag opgelegd van € 5.219. Overwegingen 4. Belanghebbende stelt primair dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd en subsidiair dat de naheffingsaanslag moet worden verlaagd. Herleidingsmethode 4.1.

De beroepsgronden van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode slagen niet. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 april 2022 en naar de conclusie van A-G Ettema van 22 december 2023. Schade 4.2. De inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag geen waardevermindering wegens schade in aanmerking genomen. 4.3. Omdat sprake is van een waardeverminderende omstandigheid rust de bewijslast voor de in aanmerking te nemen schade op belanghebbende. Belanghebbende dient de omvang van de schade, en de invloed daarvan op de handelsinkoopwaarde, aannemelijk te maken.

De rechtbank is in hoge mate afhankelijk van wat partijen aandragen, indien een geschil bestaat over de vraag of en zo ja in hoeverre er sprake is van schade. Belanghebbende heeft daartoe een taxatierapport overgelegd waarin een omschrijving van de staat van de auto is opgenomen en ter onderbouwing daarvan foto’s zijn overgelegd van de auto. 4.4. De rechtbank stelt voorop dat normale gebruiksschade niet in mindering gebracht kan worden op de handelsinkoopwaarde van de auto. Onder normale gebruiksschade dient te worden verstaan slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig.

Te denken valt hierbij aan slijtage aan motor en banden of kleine beschadigingen zoals steenslag, krasjes en kleine deuken. 4.5. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een meer dan normale gebruiksschade als onder 4.4 bedoeld. Aan de hand van de foto’s kan de door belanghebbende bepleite schade niet worden vastgesteld, dan wel is sprake van normale gebruiksschade. Eventuele onduidelijkheden op de foto’s van belanghebbende of wat daarop in de visie van de taxateur zichtbaar zou moeten zijn, dienen voor haar rekening te komen.

Ook is niet aannemelijk geworden dat de inspecteur ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een bedrag van € 1.222 wegens het ontbreken van Alarm klasse III. De inspecteur heeft dit standpunt voldoende gemotiveerd betwist onder verwijzing naar het rapport van DRZ waarin onder 6 staat vermeld dat het alarm certificaat tot en met alarm klasse 3 vanuit de fabrikant reeds op de auto aanwezig is. 4.6. De rechtbank is daarom van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat rekening moet worden gehouden met een waardevermindering wegens schade.

Hoogte naheffingsaanslag 4.7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag aan belanghebbende opgelegd. Immateriëleschadevergoeding 4.8. Belanghebbende heeft ter zitting verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn. 4.9. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 5 juli 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 29 oktober 2024. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond vier maanden overschreden.

Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 500. Omdat de bezwaarfase afgerond negen maanden heeft geduurd en daarmee drie maanden te lang, komt € 375 (3/4) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 125) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding van € 500. 5.1. Omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten voor het indienen van dat verzoek.

Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 875 en wegingsfactor 0,25, wat neerkomt op € 218,75. De inspecteur en de Staat moeten, ieder voor de helft, die kosten vergoeden. 5.2. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed, omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding is gedaan na het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 en de rechtbank daar onvoldoende aanleiding voor ziet.

Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 375; - veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 125; - veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 109,38 aan proceskosten aan belanghebbende; - veroordeelt de Staat tot betaling van € 109,37 aan proceskosten aan belanghebbende. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, in aanwezigheid van mr.

R.J.M. de Fouw, griffier, op 29 oktober 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. ECLI:NL:GHSHE:2022:1427. ECLI:NL:PHR:2023:1214. Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526. Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.