Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2024:7259 ECLI:NL:RBZWB:2024:7259 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2024:7259 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2024:7259
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 23/3411 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2024 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. S.M. Bothof), en de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 25 mei 2023. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 6.708. 1.2.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2024:7259 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Ook de stelling van de inspecteur dat van de inkoopprijs moet worden uitgegaan volgt de rechtbank niet. Op grond van artikel 10, lid 7, van de Wet Bpm wordt de afschrijving immers bepaald aan de hand van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst, en niet aan de hand van een inkoopfactuur. Schade 4.6. Tussen partijen is in geschil of rekening gehouden moet worden met een waardevermindering wegens schade. Meer specifiek is in geschil of sprake is van motorschade. 4.7. Omdat sprake is van een waardeverminderende omstandigheid rust de bewijslast voor de in aanmerking te nemen schade op belanghebbende.

Keywords

AI generated
motor vehicle liability insurance motor vehicle expenses insurable value commercial general liability insurance accident insurance coverage accident disability pension

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHSHE:2022:1427
GERECHTSHOF ‘S-HERTOGENBOSCH Zittingsplaats Den Haag Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BKDH-21/00261, BKDH-21/00262 tot en met 21/00268, 21/00270 en 21/00271, 21/00273 tot en met 21/00281, 21/00285 tot en met 21/00299, 21/00338 en 21/00340 tot en met 21/00355. Uitspraak van 14 april 2022 in het geding tussen: [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: S.M. Bothof) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordigers: […] en […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (de Rechtbank) van 9 maart 2021, nummer BRE 17/7490, van 9 maart 2021, nummers 18/803 en 18/7732 tot en met 18/7736, van 29 januari 2021, nummers BRE 17/7221, 18/7678, 18/7680 en 18/7681, van 29 januari 2021, nummers BRE 17/7222 en 18/7682 tot en met 18/7687, van 16 februari 2021, nummers BRE 18/608 en 18/7714 tot en met 18/7727, van 8 april 2021, nummers BRE 18/882 en 18/7745 tot en met 18/7752, en van 8 april 2021, nummers BRE 18/864 en 18/7737 tot en met 18/7744.
ECLI:NL:PHR:2023:1214
ECLI:NL:HR:2023:1526
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 21/02011 Datum 10 november 2023 ARREST in de zaak van [X] N.V.
ECLI:NL:HR:2024:567
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 22/00849 Datum 31 mei 2024 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen het BESTUUR VAN HET NOORDELIJK BELASTINGKANTOOR op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 januari 2022, nr. 20/01002, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nrs. LEE 20/2760 en LEE 20/1770) betreffende van belanghebbende geheven leges. 1Geding in cassatie 1.1 Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.M. Vrolijk, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 23/3411 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2024 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. S.M. Bothof), en de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 25 mei 2023. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 6.708. 1.2.

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: als waarnemer van de gemachtigde [naam 1] en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Als toehoorder van de belastingdienst was aanwezig drs. [naam 2] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd.

De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. In geschil is of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast. Ook zijn de hoogte van de handelsinkoopwaarde en de waardevermindering wegens schade in geschil. Tussen partijen is niet in geschil dat de historische nieuwprijs € 144.139 bedraagt en dat kan worden uitgegaan van een historische bruto Bpm van € 33.787. Ook niet in geschil is dat een maand extra leeftijdskorting van toepassing is. 2.2. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 3. Belanghebbende heeft op 20 december 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Land Rover Range Rover Sport 3.0 SDV6 HSE Dynamic met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 3.253. 3.1. Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van GB Schadebepalingen van 15 december 2021. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 35.571. De taxateur heeft een schadebedrag vastgesteld van € 23.504 en dit bedrag op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht.

De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat is vastgesteld op € 12.066. 3.2. De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De bevindingen zijn opgenomen in een taxatierapport van 3 januari 2022. De hertaxateur heeft de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vastgesteld op € 43.373. De hertaxateur heeft geen aanleiding gezien om een waardevermindering wegens schade in aanmerking te nemen. 3.3. De inspecteur heeft op basis van de hem ter beschikking staande gegevens en de bevindingen van DRZ de verschuldigde Bpm vastgesteld op € 10.166, te verminderen met een extra leeftijdskorting van € 205.

Met dagtekening 3 juni 2022 is aan belanghebbende voor de auto een naheffingsaanslag opgelegd van € 6.708. Overwegingen 4. Belanghebbende stelt primair dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd en subsidiair dat de naheffingsaanslag moet worden verlaagd. Herleidingsmethode 4.1. De beroepsgronden van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode slagen niet. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 april 2022 en naar de conclusie van A-G Ettema van 22 december 2023. Handelsinkoopwaarde 4.2.

De bewijslast voor de handelsinkoopwaarde rust op belanghebbende. Belanghebbende is in zijn aangifte bij het bepalen van de afschrijving uitgegaan van een koerslijst van Xray waaruit een handelsinkoopwaarde volgt van € 35.571. 4.3. De inspecteur is bij het opleggen van de naheffingsaanslag eveneens van een koerslijst van Xray uitgegaan en heeft de handelsinkoopwaarde vastgesteld op € 43.373. 4.4. Ter zitting heeft de inspecteur toegelicht dat de auto een metallic lak heeft. Dat staat wel op zijn koerslijst staat vermeld, maar niet op die van belanghebbende.

Op de koerslijst van belanghebbende staat onder kleurtype “Standaard/Uni” vermeld. Nu dit door belanghebbende verder niet is betwist is de rechtbank van oordeel dat de handelsinkoopwaarde kan worden vastgesteld op € 43.373 zoals blijkt uit de koerslijst van de inspecteur. 4.5. De stelling van de inspecteur ter zitting dat van een hogere handelsinkoopwaarde van € 64.906, zoals vermeld bij de referentieauto’s in het taxatierapport van belanghebbende, moet worden uitgegaan volgt de rechtbank niet. Beide partijen zijn immers uitgegaan van een koerslijst van Xray zodat de rechtbank daarvan uitgaat.

Ook de stelling van de inspecteur dat van de inkoopprijs moet worden uitgegaan volgt de rechtbank niet. Op grond van artikel 10, lid 7, van de Wet Bpm wordt de afschrijving immers bepaald aan de hand van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst, en niet aan de hand van een inkoopfactuur. Schade 4.6. Tussen partijen is in geschil of rekening gehouden moet worden met een waardevermindering wegens schade. Meer specifiek is in geschil of sprake is van motorschade. 4.7. Omdat sprake is van een waardeverminderende omstandigheid rust de bewijslast voor de in aanmerking te nemen schade op belanghebbende.

Belanghebbende dient de omvang van de schade, en de invloed daarvan op de handelsinkoopwaarde, aannemelijk te maken. De rechtbank is in hoge mate afhankelijk van wat partijen aandragen, indien een geschil bestaat over de vraag of en zo ja in hoeverre er sprake is van schade. Belanghebbende heeft daartoe een taxatierapport overgelegd waarin een omschrijving van de staat van de auto is opgenomen en waarin een schadecalculatie is opgenomen. Ter onderbouwing daarvan foto’s zijn overgelegd van de auto. Volgens de omschrijving en de calculatie bestaat de schade nagenoeg geheel uit schade aan de (zuigers van de) motor.

In de calculatie is onder meer de vervanging van het gehele motorblok opgenomen. 4.8. De inspecteur heeft bestreden dat sprake is van schade. Hij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport van DRZ. Hierin staat vermeld dat de auto tijdens de fysieke schouw op 31 december 2021 niet in dezelfde staat was als tijdens de aangifte. De rechtbank overweegt als volgt. 4.9. De rechtbank stelt voorop dat uit de door belanghebbende overgelegde foto’s de door belanghebbende gestelde schade niet kan worden afgeleid. Omdat de inspecteur de schade al in een vroeg stadium gemotiveerd heeft betwist had het op de weg van belanghebbende gelegen om nader bewijs te leveren van de schade.

Dat had hij bijvoorbeeld eenvoudig kunnen doen door facturen over te leggen van de daadwerkelijk uitgevoerde reparaties, hetgeen hij niet gedaan heeft. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat de door belanghebbende gestelde schade zo ernstig zou zijn dat reparatie niet achterwege kon blijven. Belanghebbende had als bewijs voor de gestelde motorschade ook de inkoopfactuur kunnen overleggen. Normaal gesproken zal daarop, als er daadwerkelijk ernstige motorschade is, melding gemaakt worden van de schade. Belanghebbende heeft in plaats van een inkoopfactuur slechts een door hemzelf opgestelde inkoopverklaring overgelegd, waarin overigens ook niet is opgenomen dat sprake is van motorschade.

Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende de door hem gestelde schade en als gevolg daarvan de waardevermindering van de auto niet aannemelijk gemaakt. Hoogte naheffingsaanslag 4.10. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag aan belanghebbende opgelegd. Immateriëleschadevergoeding 4.11. Belanghebbende heeft ter zitting verzocht om toekenning van schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn. 4.12. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 9 juni 2022 heeft ontvangen.

De rechtbank doet uitspraak op 29 oktober 2024. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond vijf maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 500. Omdat de bezwaarfase afgerond twaalf maanden heeft geduurd en daarmee zes maanden te lang, komt dit bedrag volledig voor rekening van de inspecteur. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding van € 500. 5.1. Omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten voor het indienen van dat verzoek.

Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 875 en wegingsfactor 0,25, wat neerkomt op € 218,75. 5.2. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed, omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding is gedaan na het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 en de rechtbank daar onvoldoende aanleiding voor ziet. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500; - veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 218,75 aan proceskosten aan belanghebbende.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier, op 29 oktober 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. ECLI:NL:GHSHE:2022:1427. ECLI:NL:PHR:2023:1214. Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526. Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.