Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2024:200 ECLI:NL:RBZWB:2024:200 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2024:200 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2024:200
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 23/11064 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2024 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 4 april 2023 in het beroep met zaaknummer BRE 23/1184 (ECLI:NL:RBZWB:2023:2324). In die uitspraak staat dat de minister uiterlijk 1 juni 2023 moet beslissen op de aanvraag van eiseres.

Legislator headnote

AI generated

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6:12 van de Awb; ECLI:NL:RBZWB:2024:200 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: De minister heeft niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn een besluit genomen op de aanvraag van eiseres. Het beroep is kennelijk gegrond. Welke beslistermijn wordt aan de minister opgelegd? 5. Omdat de minister nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de minister dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de minister dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. 5.1. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.

Keywords

AI generated
prosecutorial delay right to a decision reasonable duration of the proceedings minister of justice untimely request for extension statutory deadline

Cited Legislation

AI generated
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
artikel 6:12 van de Awb
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBZWB:2023:2324
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 23/1184 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 april 2023 in de zaak tussen [naam eiseres] , uit [plaatsnaam] , eiseres (gemachtigde: [naam gemachtigde] .), en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder. Inleiding Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 13 november 2022 als bedoeld in artikel 4.1 van de Wet open overheid (Woo). Overwegingen De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
ECLI:NL:RVS:2019:673
201808648/1R1.Datum uitspraak: 8 maart 2019 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen: [appellant], wonend te Bergen (NH), appellant, en de raad van de gemeente Bergen (NH), verweerder. Procesverloop [appellant] heeft in vervolg op de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2018, nr. 201709325/1/R1, beroep ingesteld tegen het andermaal niet tijdig nemen van een besluit door de raad omtrent vaststelling van het bestemmingsplan "Bergen Dorpskern Zuid". De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] heeft nadere stukken ingediend. Overwegingen 1. Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
ECLI:NL:RVS:2020:3156
202000812/2/R4. Datum uitspraak: 27 maart 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen: [appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Beek-Ubbergen, gemeente Ubbergen, en het college van burgemeester en wethouders van Berg en Dal, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 24 augustus 2017 heeft het college de gestelde maatwerkvoorschriften voor de activiteiten van de door [bedrijf] gedreven supermarkt aan de [locatie] te Beek-Ubbergen gewijzigd.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 23/11064 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2024 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 4 april 2023 in het beroep met zaaknummer BRE 23/1184 (ECLI:NL:RBZWB:2023:2324). In die uitspraak staat dat de minister uiterlijk 1 juni 2023 moet beslissen op de aanvraag van eiseres.

Eiseres stelt nu beroep in omdat de minister dat volgens haar niet heeft gedaan. 1.1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling).

Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Is het beroep kennelijk gegrond? 3. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is, in een geval als het onderhavige, waarin de bestuursrechter een termijn heeft gesteld voor het nemen van een nieuw besluit, niet vereist dat nog een ingebrekestelling wordt gestuurd voordat beroep wordt ingesteld.

4. De minister heeft niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn een besluit genomen op de aanvraag van eiseres. Het beroep is kennelijk gegrond. Welke beslistermijn wordt aan de minister opgelegd? 5. Omdat de minister nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de minister dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de minister dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. 5.1. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.

In het verweerschrift van 12 december 2023 heeft de minister erkend dat de beslistermijn is overschreden. De reden hiervoor is onder andere de grote drukte bij de minister vanwege de vele Woo-verzoeken in COVID-19-gerelateerde zaken en toezeggingen in andere juridische procedures. Hierdoor loopt de afhandeling van andere verzoeken vertraging op. Ook kampt de minister met personeelstekort. Het verzoek van eisers was in eerste instantie in behandeling genomen via de gefaseerde aanpak. Na de eerdere uitspraak van de rechtbank wordt het verzoek buiten de gefaseerde werkwijze behandeld.

De minister verwacht dat het besluit eind januari 2024 genomen kan worden, waarna - na de zienswijze fase - in maart 2024 de feitelijke verstrekking kan plaatsvinden. 5.2. Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op het bezwaar te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. De rechtbank merkt op dat de minister in het eerste beroep al had aangegeven de aanvraag van eiseres buiten de gefaseerde werkwijze in behandeling te nemen en gemotiveerd had gevraagd om een termijn tot 1 juni 2023.

De rechtbank betreurt het dat het de minister niet is gelukt om tijdig een besluit te nemen. Gelet op de inmiddels verstreken tijd sinds 1 juni 2023 ziet de rechtbank geen reden om een langere termijn dan twee weken op te leggen. Welke dwangsom wordt aan de minister opgelegd? 6. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de minister. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om in afwijking van het landelijk beleid een lagere dwangsom, zoals verzocht door de minister, op te leggen.

Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, de minister de onder 5.2. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de minister de onder 6. genoemde dwangsom wordt opgelegd. 7.1. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 437,50 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.

Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt de minister op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; veroordeelt de minister tot betaling van € 437,50 aan proceskosten aan eiseres; bepaalt dat de minister het griffierecht van € 184,- aan eiseres moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 15 januari 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. ECLI:NL:RVS:2019:673, ECLI:NL:RVS:2020:3156.