Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2023:9182 ECLI:NL:RBZWB:2023:9182 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2023:9182 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2023:9182
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 23/9139 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2023 in de zaak tussen [eisers] , uit [plaats] , eisers, en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, verweerster. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eisers tegen verweersters brief van 10 juli 2023 waarin verweerster blijft bij de bewoordingen uit haar brief van 13 juli 2022 waarin zij aangeeft geen nader onderzoek naar de zorgverlening van de overleden (schoon)moeder van eiser(s) te gaan doen.

Legislator headnote

AI generated

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBZWB:2023:9182 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: De rechtbank heeft zich toen onbevoegd verklaard, omdat de mededeling dat verweerster geen nader onderzoek naar de zorgverlening van de overleden (schoon)moeder van eiser(s) gaat doen geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Deze mededeling is namelijk niet op rechtsgevolg gericht, maar is slechts de weigering om een feitelijke handeling te verrichten. Eisers zijn tegen deze uitspraak in verzet gegaan en hebben tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. 2.1. In de uitspraak van 24 januari 2023 op het verzet bij de rechtbank, ECLI:NL:RBZWB:2023:428, heeft de rechtbank de uitspraak van 22 september 2022 bevestigd. 2.2.

Keywords

AI generated
right to a decision lack of prosecutorial standing inadequate medical assessment inaction of public prosecutor right to an effective investigation medical care requirements

Cited Legislation

AI generated
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBZWB:2022:5537
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 22/4064 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2022 in de zaak tussen [naam eiser 1] en [naam eiser 2] , uit [plaatsnaam] , eisers en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, verweerder. Procesverloop Eisers hebben beroep ingesteld tegen de brief van 13 juli 2022 waarin verweerder aangeeft geen nader onderzoek naar de zorgverlening van de overleden moeder van eiser te gaan doen. Overwegingen Omdat de rechtbank kennelijk onbevoegd is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting.
ECLI:NL:RBZWB:2023:428
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 22/4064 V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 januari 2023 op het verzet van [naam opposant 1] en [naam opposant 2] , te [woonplaats opposanten] , opposanten. Procesverloop Opposanten hebben tegen de brief van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (de Inspectie) van 13 juli 2022 beroep ingesteld. Bij uitspraak van 22 september 2022 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van dat beroep kennis te nemen. Opposanten hebben tegen deze uitspraak verzet ingesteld. Opposanten hebben niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. Overwegingen 1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft zich kennelijk onbevoegd geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de brief van 13 juli 2022 van de Inspectie geen besluit is in de zin van de Awb en er geen beroep bij de bestuursrechter open staat.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 23/9139 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2023 in de zaak tussen [eisers] , uit [plaats] , eisers, en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, verweerster. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eisers tegen verweersters brief van 10 juli 2023 waarin verweerster blijft bij de bewoordingen uit haar brief van 13 juli 2022 waarin zij aangeeft geen nader onderzoek naar de zorgverlening van de overleden (schoon)moeder van eiser(s) te gaan doen.

Verder geeft verweerster aan dat dit geen besluit is in de zin van (artikel 1:3, eerste lid, van) de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat de mededeling dat zij geen nader onderzoek zal verrichten geen rechtsgevolg heeft, en daarmee geen voor bezwaar en beroep vatbaar besluit is. 1.1. Omdat de rechtbank kennelijk onbevoegd is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank heeft op 22 september 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:5537, uitspraak gedaan ter zake de brief van 13 juli 2022.

De rechtbank heeft zich toen onbevoegd verklaard, omdat de mededeling dat verweerster geen nader onderzoek naar de zorgverlening van de overleden (schoon)moeder van eiser(s) gaat doen geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Deze mededeling is namelijk niet op rechtsgevolg gericht, maar is slechts de weigering om een feitelijke handeling te verrichten. Eisers zijn tegen deze uitspraak in verzet gegaan en hebben tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. 2.1. In de uitspraak van 24 januari 2023 op het verzet bij de rechtbank, ECLI:NL:RBZWB:2023:428, heeft de rechtbank de uitspraak van 22 september 2022 bevestigd. 2.2.

In de uitspraak van 13 januari 2023, zaaknummer: 202206061/3/A2, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) zich onbevoegd verklaard van het hoger beroep kennis te nemen, omdat tegen een 8:54-uitspraak geen hoger beroep openstaat. Tegen deze uitspraak hebben eisers verzet ingesteld. 2.3. In verzet bij de ABRvS zijn eisers gehoord. In de uitspraak van 21 juni 2023 op het verzet bij de ABRvS, zaaknummer: 202206061/4/A2, stelt de ABRvS vast dat de rechtbank begrijpelijk gemotiveerd heeft geoordeeld dat de mededeling van verweerster van 13 juli 2022 dat zij op dat moment geen aanleiding zag tot nader onderzoek geen besluit is in de zin van de Awb.

De rechtbank kon zich daarom onbevoegd verklaren met toepassing van artikel 8:54, eerste lid van de Awb. 2.4. Eisers hebben verweerster op 22 juni 2023 verzocht om een voor beroep vatbare beslissing met betrekking tot het in de brief van 13 juli 2022 neergelegde standpunt. In de brief van 10 juli 2023 herhaalt verweerster het in de brief van 13 juli 2022 reeds ingenomen standpunt. Dat standpunt is dat er geen nader onderzoek wordt verricht, dat deze mededeling niet op rechtsgevolg is gericht en dat er daarmee geen voor bezwaar en beroep vatbaar besluit is genomen. 2.5.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de brief van 10 juli 2023. Over de aard en de strekking van deze brief, die geen andere is dan de brief van 13 juli 2022, heeft de rechtbank zich al uitgelaten in de hiervoor genoemde uitspraken van 22 september 2022 en 24 januari 2023. Dit oordeel is bevestigd in de hiervoor genoemde uitspraken van de ABRvS van 13 januari 2023 en 21 juni 2023. De rechtbank ziet geen aanleiding om hierover anders te oordelen. Eisers hebben verzocht om gehoord te worden. Hiervoor ziet de rechtbank geen aanleiding, gelet op het kennelijke karakter van de onbevoegdheid.

Beslissing De rechtbank verklaart zich onbevoegd. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 22 december 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak mede te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak.

Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.