Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2023:771 ECLI:NL:RBZWB:2023:771 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2023:771 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2023:771
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 22/1652 AW uitspraak van 3 februari 2023 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] (eiser), te [plaatsnaam], gemachtigde: mr. K. Kromhout, en de korpschef van politie (de korpschef), verweerder. Procesverloop In een besluit van 15 december 2021 (primair besluit) heeft de korpschef eisers verzoek van 5 maart 2020 om een waarnemingstoelage afgewezen. In een besluit van 15 februari 2022 (bestreden besluit) heeft de korpschef eisers bezwaren tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBZWB:2023:771 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Beoordeling door de rechtbank 4. Naar het oordeel van de rechtbank kan het standpunt van de korpschef dat eiser te lang heeft stilgezeten met het indienen van een verzoek om een waarnemingstoelage niet worden gevolgd. Op eisers verzoek is de hoofdregel van artikel 4:104, eerste lid, van de Awb van toepassing, die inhoudt dat geen nakoming kan worden gevorderd van bestuursrechtelijke geldschulden van meer dan vijf jaren geleden. De rechtbank wijst hierbij op de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1139), waarin is geoordeeld dat financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van vijf jaren niet meer in rechte afdwingbaar zijn.

Keywords

AI generated
limited work availability employment placement staff relocation leave for military service abandonment of employment pre-service medical impairment

Cited Legislation

AI generated
artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht
Eiser stelt – kort samengevat – dat nog niet eerder is besloten over zijn aanspraak op een waarnemingstoelage, waardoor artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet van toepassing is.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2015:1139
13/2594 MAW Datum uitspraak: 9 april 2015 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 april 2013, 08/3831 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Defensie (minister) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. H.J.M.G.M. van der Meijden, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Meijden. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.P. van Zandbergen. OVERWEGINGEN 1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie, is in verband met wijziging van taken voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.
ECLI:NL:CRVB:2021:122
201616 AW, 20/1618 AW Datum uitspraak: 14 januari 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van 13 maart 2020, 19/2132 en 19/1783 (aangevallen uitspraken) Partijen: de korpschef van politie (korpschef) [betrokkene 1] te [woonplaats 1] (België) en [betrokkene 2] te [woonplaats 2] (betrokkenen) PROCESVERLOOP De korpschef heeft hoger beroepen ingesteld. Namens betrokkenen hebben mr. I.J. Blekman en mr. drs. P.W. Kuijper verweerschriften ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2020.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 22/1652 AW uitspraak van 3 februari 2023 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] (eiser), te [plaatsnaam], gemachtigde: mr. K. Kromhout, en de korpschef van politie (de korpschef), verweerder. Procesverloop In een besluit van 15 december 2021 (primair besluit) heeft de korpschef eisers verzoek van 5 maart 2020 om een waarnemingstoelage afgewezen. In een besluit van 15 februari 2022 (bestreden besluit) heeft de korpschef eisers bezwaren tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 23 december 2022. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De korpschef werd vertegenwoordigd door mr. A.H.G.M. van den Boomen-Meeuwissen. Overwegingen Relevante feiten en omstandigheden 1. In een besluit van 10 juni 2016 heeft de korpschef eiser aangewezen als herplaatsingskandidaat met ingang van 1 juli 2016. Hij heeft eiser met ingang van deze datum ook herplaatst in de functie van [functie titel1]. In een besluit van 5 april 2018 heeft de korpschef eiser met ingang van 1 januari 2018 geplaatst in de functie van [functie titel2].

In een besluit van 19 november 2019 is aan eiser met ingang van 30 april 2020 eervol ontslag verleend wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Op 5 maart 2020 heeft eiser verzocht om toekenning van een toelage voor de waarneming van werkzaamheden voorafgaand aan zijn plaatsing in de functie van [functie titel2] In het primaire besluit heeft de korpschef eisers verzoek om een waarnemingstoelage afgewezen. In het bestreden besluit heeft hij eisers bezwaren tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Standpunt van de korpschef 2.

Volgens de korpschef heeft eiser onredelijk lang gewacht met het indienen van een verzoek om een waarnemingstoelage, omdat hij bijna twee jaar heeft stilgezeten na het plaatsingsbesluit van 5 april 2018. De korpschef acht het toekennen van een waarnemings-toelage met terugwerkende kracht in strijd met de rechtszekerheid. Eisers standpunt 3. Eiser stelt – kort samengevat – dat nog niet eerder is besloten over zijn aanspraak op een waarnemingstoelage, waardoor artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet van toepassing is. De inhoudelijke beoordeling van zijn verzoek kan enkel achterwege worden gelaten als zijn vordering verjaard is, en dit is – anders dan de korpschef suggereert met zijn beroep op het rechtszekerheidsbeginsel – niet het geval.

Beoordeling door de rechtbank 4. Naar het oordeel van de rechtbank kan het standpunt van de korpschef dat eiser te lang heeft stilgezeten met het indienen van een verzoek om een waarnemingstoelage niet worden gevolgd. Op eisers verzoek is de hoofdregel van artikel 4:104, eerste lid, van de Awb van toepassing, die inhoudt dat geen nakoming kan worden gevorderd van bestuursrechtelijke geldschulden van meer dan vijf jaren geleden. De rechtbank wijst hierbij op de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1139), waarin is geoordeeld dat financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van vijf jaren niet meer in rechte afdwingbaar zijn.

Zowel bij aanspraken die gebaseerd zijn op een rechtspositioneel voorschrift als in geval van een aansprakelijkstelling voor geleden schade legt de CRvB de aanvang van deze verjaringstermijn bij het moment waarop de ambtenaar met betrekking tot de rechtspositionele aanspraak dan wel zijn schade in actie had kunnen komen.

5. Eiser is in een besluit van 5 april 2018 geplaatst in de functie van [functie titel2]. De korpschef erkent dat eiser pas met dit besluit ermee bekend was dat aan de werkzaamheden voorafgaand aan deze plaatsing een hogere schaal verbonden was. De verjaringstermijn ving daarom niet eerder dan op deze datum aan. Eiser heeft op 5 maart 2020 – derhalve bijna twee jaar na dit besluit – verzocht om toekenning van een toelage voor de waarneming van werkzaamheden voorafgaand aan zijn plaatsing in genoemde functie. Hiermee is eiser gebleven binnen de geldende verjaringstermijn van vijf jaar.

De korpschef wordt niet gevolgd in zijn beroep op het rechtszekerheidsbeginsel. Dit beginsel is verdisconteerd in de genoemde verjaringstermijn en komt daarin tot uiting, waardoor er geen afzonderlijke afwijzingsgrond aan kan worden ontleend. Indien en voor zover de korpschef meent dat eiser zijn rechten heeft verwerkt binnen de periode waarin hij heeft gewacht met het indienen van zijn verzoek, overweegt de rechtbank dat alleen stilzitten binnen de verjaringstermijn onvoldoende is voor rechtsverwerking. De aanwezigheid van andere feiten en omstandigheden is daarvoor vereist, maar gesteld noch gebleken is dat daarvan sprake is.

Conclusie 6. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Het beroep wordt gegrond verklaard, en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De korpschef wordt opgedragen om opnieuw te beslissen op eisers bezwaarschrift, en daarbij zijn verzoek om een waarnemingstoelage alsnog inhoudelijk te behandelen. De rechtbank merkt daarbij op dat – anders dan zoals opgemerkt door de korpschef – bij het plaatsingsbesluit van 5 april 2018 nog niet (impliciet) is besloten over een waarnemingstoelage, waarbij de rechtbank wijst op de uitspraken van de CRvB van 14 januari 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:122) en 29 juli 2021 (ECLI:NL:

CRVB:2021:1873) over de aanspraak van eisers collega's op deze toelage. Omdat een beslissing op eisers verzoek inzicht vereist in alle relevante feiten en omstandigheden, kan de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien. Ook zal zij geen bestuurlijke lus toepassen, omdat dit geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou zijn. Griffierecht en proceskosten 7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet de korpschef aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 184,- vergoeden. De rechtbank veroordeelt de korpschef verder in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep.

Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 837,- en wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt de korpschef op om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op eisers bezwaarschrift; - draagt de korpschef op om het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden; - veroordeelt de korpschef in eisers proceskosten tot een bedrag van € 1.674,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 3 februari 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen. rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.