Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2023:7180 ECLI:NL:RBZWB:2023:7180 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2023:7180 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2023:7180
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de datum van verzending; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep). Artikel 35b e.v. van de Successiewet 1956 (SW). Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184. Hoge Raad 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1515. Artikel 35b van de SW. Artikel 35c, eerste lid, onderdeel a, van de SW. Hoge Raad 7 oktober 1953, ECLI:NL:HR:1953:AY3461 en Hoge Raad 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:477. Hoge Raad 23 juni 1954, ECLI:NL:HR:1954:AY2928. Hoge Raad 26 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AW7822.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2023:7180 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet rijksbelastingen (AWR) kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Op de inspecteur rust de bewijslast aannemelijk te maken dat aan de eisen van dit artikel is voldaan. 5.2.

Keywords

AI generated
undeclared assets private assets financial hardship assessment by estimation misappropriation of assets tax regulatory offence

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2013:BX7184
Het geding in feitelijke instanties Aan belanghebbende is over het jaar 2003 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete, en voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De aanslagen en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd. De Rechtbank te Arnhem (nrs. AWB 09/116, 09/119, 09/121 en 09/330) heeft de tegen die uitspraken ingestelde beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de aanslag, de navorderingsaanslag alsmede de boete verminderd. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en de bij de Rechtbank ingestelde beroepen ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2015:1515
12 juni 2015 nr. 14/04015 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 juli 2014, nr. 12/00506, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Arnhem (nr. AWB 11/385) betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2001 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:1953:AY3461
7 October 1953. H. No. 1 1 3 8 3 . DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN, Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen te 's Hertogenbosch van 11 December 1952 betreffende den hem over het jaar 1949 opgelegden aanslag in de inkomstenbelasting; Gezien de stukken; Overwegende dat belanghebbende, in gemelde belasting aangeslagen naar een zuiver inkomen van f.17.114, na vruchteloze reclame bij den Inspecteur, zich heeft gewend tot den Raad van Beroep; Overwegende dat voor den Raad van Beroep is komen vast te staan, dat belanghebbende, die te [Z] als enige het beroep van huis- tevens gemeentearts uitoefent, en wiens woning met praktijkgedeelte aldaar in 1944 door oorlogsgeweld werd verwoest, op dezelfde plaats een nieuw pand heeft doen bouwen, waarvan de stichtingskosten f.140.773,- hebben bedragen; dat van dit nieuwe pand 4/7 als woning voor appellant en zijn gezin en 3/7 als praktijkruimte in gebruik is; dat het enige geschil dat partijen verdeeld houdt de vraag betreft, of het gehele pand nu als beroepspand moet worden beschouwd, gelijk belanghebbende doet en mitsdien afschrijving op de totale aanschaffingskosten toelaatbaar is, dan wel slechts dat gedeelte van het pand dat voor de uitoefening van de praktijk wordt gebezigd, zodat alleen op de aanschaffingskosten van dat gedeelte, door den Inspecteur geschat op f. 60.000, zou kunnen worden afgeschreven, welk standpunt de Inspecteur inneemt ; dat belanghebbende ter motivering van zijn standpunt heeft aangevoerd dat, nadat zijn vroegere woning verwoest was, hij aanvankelijk onderdak vond bij familieleden te [Q] en van daaruit zijn praktijk te [Z] uitoefende; dat de Inspecteur van Volksgezondheid eiste dat hij in [Z] żoude wonen, waarna aldaar een woon- en praktijk ruimte gevorderd werd, doch, waar in dat pand geen stromend water was en centrale verwarming ontbrak en in [Z] geen woning tevens geschikt voor vestiging van een artsenpraktijk stond, belanghebbende gedwongen was zulk een pand te bouwen om aldaar zijn praktijk te kunnen voortzetten, terwijl verkoop van de praktijk zonder geschikte woning onmogelijk was; dat de architect opdracht had een project uit te voeren, dat een bedrag van f. 75.000 niet te boven zou gaan, maar dit allengs door bijkomende uitgaven en prijsstijgingen aanzienlijk werd overschreden; dat stopzetting van de bouw een aanzienlijk verlies zou meebrengen, en bij verkoop, gezien recente transacties met soortgelijke percelen, niet meer dan f.40.000 zou worden verkregen; dat het belanghebbende onredelijk voorkomt het pand als privé aan te merken, daar belanghebbende, gezien de verkoopwaarde, nooit een dergelijk pand in [Z] zou hebben laten bouwen, indien dit niet noodzakelijk was geweest voor de uitoefening van zijn beroep; dat ook uit gedragingen van belanghebbende voortdurend naar voren is gekomen, dat hij het pand als beroepspand beschouwde en het zijn wil is het gehele pand als zodanig aan te merken; dat een pand als het onderhavige in een plaats als [Z] slechts geschikt is voor een arts; dat belanghebbende zich voorstelt op het pand een derde, zijnde f.46.924, vervroegd af te schrijven en wel f.8.924 in 1949 en het resterende in volgende jaren;
ECLI:NL:HR:2016:477
25 maart 2016 nr. 14/06280 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 6 november 2014, nr. 13/1102, op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 12/4198) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2008 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:1954:AY2928
23 Juni 1954. Fw No. 11860. De Hoge Raad der Nederlanden, Gezien het beroepschrift in cassatie van den Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen te Amsterdam van 8 Februari 1954 betreffende den aan [X] te [Z] opgelegden aanslag in de inkomstenbelasting over het jaar 1950; Gezien de stukken; Overwegende dat belanghebbende, over het jaar 1950 in de inkomstenbelasting aangeslagen naar een zuiver inkomen van f 20.257, na vruchteloze reclame bij den Inspecteur, zich heeft gewend tot den Raad van Beroep;
ECLI:NL:HR:1986:AW7822
Hoge Raad 26 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AW7822.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 22/2539 uitspraak van de meervoudige kamer van 16 oktober 2023 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: drs. [gemachtigde] ), en de inspecteur van de belastingdienst. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende dat ziet op de aan hem opgelegde navorderingsaanslag erfbelasting ter zake van het overlijden van [erflater] in 2017. 1.1. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.2.

De rechtbank heeft het beroep op 13 september 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende bijgestaan door [naam] , en namens de inspecteur: drs. [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 4] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Meer specifiek is in geschil of de inspecteur over een nieuw feit beschikt en of de woning en spaargelden van erflater kwalificeren als ondernemingsvermogen voor toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR).

3. Naar het oordeel van de rechtbank is de navorderingsaanslag terecht opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 4. Erflater is op 29 september 2017 overleden. Erflater en belanghebbende zijn broers. Belanghebbende is enig erfgenaam. 4.1. Erflater en belanghebbende exploiteerden door middel van een maatschap ( [maatschap] ) een legkippenbedrijf aan de [adres 1] te [plaats] . Daar woont belanghebbende. De gebouwen waarin de maatschap haar onderneming dreef zijn eigendom van een besloten vennootschap waarin belanghebbende alle aandelen houdt. 4.2.

Erflater heeft per 1 januari 2016 zijn eigen woning aan de [adres 2] te [plaats] (de woning) en spaargelden ingebracht in de maatschap. De inbrengwaarde is vastgesteld op respectievelijk € 211.000 en € 146.385. Bij de woning behoren oude stallen die vroeger voor een melkveebedrijf zijn gebruikt. In een ongedateerd memo, door partijen aangeduid als inbrengakte, waarin erflater wordt aangeduid als ‘ [erflater] ’ en belanghebbende als ‘ [belanghebbende] ’, staat over die inbreng: “EIGENDOMMEN [erflater] WONING: IN PRIVÉ BEDRIJFSGEBOUWEN:

IN EENMANSZAAK CULTUURGRONDEN :1N EENMANSZAAK WAAROM INGEBRACHT IN EENMANSZAAK: [belanghebbende] EN [erflater] ZAGEN, DAT LEGBATTERIJEN ED NIET LANG MEER ZOUDEN BESTAAN. WILDEN OVERGAAN OP SCHARREL/ BIOLOGISCH [erflater] HAD GROND DIE DAARVOOR GEBRUIKT KON WORDEN DE GEBOUWEN VAN [erflater] WAREN NIET GESCHIKT VOOR SCHARREL/BIO, MAAR KONDEN DIENEN ALS "RUILOBJECT" IN DE ONDERHANDELINGEN MET DE GEMEENTE VOOR DE VERGUNNINGEN EINDDOEL [erflater] EN [belanghebbende] IN DE MAATSCHAP: SCHARREL/BIO BEDRIJF OP DE GRONDEN VAN [erflater] , DAAROP DE BENODIGDE STALLEN ED BOUWEN [erflater] EIGEN WONING NAAST [belanghebbende] AAN DE [adres 1] ONROERENDE ZAKEN [erflater] AAN [adres 2] VERKOPEN.

HUIDIGE BEDRIJF [belanghebbende] AAN DE [adres 1] DAN STAKEN STALLEN [belanghebbende] SLOPEN.” 4.2. Op 7 december 2015 is een aanvullende maatschapsovereenkomst opgemaakt waarin is vastgelegd dat per 1 januari 2016 door erflater is ingebracht: “i. Zijn aandeel in de [maatschap] (50%). ii. Het woonhuis gelegen aan de [adres 2] te [plaats] : iii. Zijn gehele eenmanszaak, en met name: i. De stallen gelegen aan de [adres 2] te [plaats] ; ii. De cultuurgronden ter grootte van 8.52.75 ha, bij partijen bekend; iii. Machines en inventaris volgens bijgaande activastaat; iv.

De aanwezige liquide middelen.” 4.3. In de aangifte inkomstenbelasting van erflater voor het jaar 2016 is de woning van erflater aangegeven als eigen woning voor het inkomen uit werk en woning (box 1), net als in de aangiften van de jaren daarvoor. In de aangiften van de jaren vóór 2016 zijn de spaargelden aangegeven als vermogen voor het inkomen uit sparen en beleggen (box 3). 4.4. De inspecteur heeft in 2018 een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2014 tot en met 2016 van erflater.

De bevindingen zijn vastgelegd in een controlerapport gedateerd 17 juni 2019. De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de woning van erflater en de spaargelden geen functie in de bedrijfsuitoefening van de maatschap vervulden en daarom verplicht privévermogen waren. 4.5. In de aangifte erfbelasting zijn voor de toepassing van de BOR de woning en de spaargelden tot het ondernemingsvermogen van erflater gerekend. Volgens de aangifte bedroeg de belaste verkrijging nihil. De aanslag erfbelasting is conform de aangifte opgelegd met dagtekening 2 oktober 2018. 4.6.

Met dagtekening 20 april 2021 heeft de inspecteur een navorderingsaanslag erfbelasting opgelegd naar een belaste verkrijging van € 354.074. De inspecteur heeft daarbij de eigen woning en de spaargelden als niet-ondernemingsvermogen aangemerkt. Motivering Nieuw feit 5. Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet over een nieuw feit beschikt dat navordering rechtvaardigt. Volgens belanghebbende was de inspecteur al op de hoogte van de inbreng van de woning en de spaargelden in de maatschap op het moment dat de aanslag erfbelasting werd opgelegd (2 oktober 2018) doordat op 14 augustus 2018 het boekenonderzoek naar de aangiften inkomstenbelasting werd aangekondigd en vanaf dat moment is gecorrespondeerd met de inspecteur over die inbreng. 5.1.

Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet rijksbelastingen (AWR) kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Op de inspecteur rust de bewijslast aannemelijk te maken dat aan de eisen van dit artikel is voldaan. 5.2.

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag in beginsel uit mag gaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot een nader onderzoek is de inspecteur in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot nader onderzoek gehouden indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoorde te twijfelen. Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn. 5.3.

Voorts heeft te gelden dat bij het regelen van een aanslag voor de inspecteur niet de verplichting bestaat tot het raadplegen van al dan niet op zijn eenheid aanwezige dossiers, die zijn aangelegd voor andere belastingen, ook al zouden daarin mogelijkerwijs gegevens kunnen worden aangetroffen die voor het regelen van de bedoelde aanslag van belang zijn. De inspecteur is slechts tot een onderzoek buiten het door hem behandelde dossier gehouden, indien de daarin aanwezige gegevens daartoe redelijkerwijs aanleiding geven. 5.4. De inspecteur heeft ter zitting gesteld dat er geen contact is geweest tussen de medewerker van de Belastingdienst die zich bezig hield met de aanslagregeling en controle voor de inkomstenbelasting en de medewerker van de Belastingdienst die de aanslag in de erfbelasting regelde.

De rechtbank ziet geen reden om aan de juistheid van die stelling te twijfelen. Die stelling vindt ook bevestiging in de vermelding in het controlerapport dat de controleur zijn bevindingen zou doorgeven aan de Belastingdienst/Schenk- en erfbelasting. 5.5. De medewerker van de Belastingdienst die de aanslag in de erfbelasting regelde, was naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden om het dossier van de inkomstenbelasting te raadplegen. Overigens hoefde die medewerker naar het oordeel van de rechtbank niet aan de juistheid van de aangifte erfbelasting te twijfelen omdat de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat die aangifte juist was.

De informatie die de inspecteur ontving na het opleggen van de aanslag in de erfbelasting van zijn collega (die de inkomstenbelasting had geregeld) over de inbreng van de eigen woning en de spaargelden in de maatschap is dan naar het oordeel van de rechtbank een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Ondernemingsvermogen: woning en spaargelden 6. De BOR is van toepassing indien tot de verkrijging ondernemingsvermogen behoort dat wordt verkregen in het kader van een bedrijfsopvolging. Ter invulling van het begrip ondernemingsvermogen wordt aangesloten bij de inkomstenbelasting. 6.1.

Belanghebbende stelt dat de woning en de spaargelden ondernemingsvermogen zijn, omdat inbreng in de maatschap nodig was voor het toekomstbestendig maken van de onderneming. Vanaf 2014 zijn meerdere informele gesprekken gevoerd met onder andere de gemeente en adviseurs over de vraag op welke manier het bedrijf toekomstbestendig gemaakt kon worden. Uit die gesprekken volgde onder andere dat – om een bedrijfswoning op een andere locatie te kunnen verwezenlijken – het nodig was om de woning in te brengen. Ook waren de spaargelden nodig om de onderneming op de nieuwe locatie te verwezenlijken.

Volgens belanghebbende waren de spaargelden voor erflater verplicht ondernemingsvermogen en was de eigen woning keuzevermogen. 6.2. Voor de beantwoording van de vraag of een vermogensbestanddeel tot het ondernemings- of privévermogen behoort, is in het algemeen de wil van de ondernemer beslissend, tenzij bij die keuze de grenzen van de redelijkheid worden overschreden. Van overschrijding van de redelijkheid is sprake als het vermogensbestanddeel uitsluitend of nagenoeg uitsluitend voor de onderneming dan wel privé wordt gebruikt maar anders wordt geëtiketteerd.

Indien sprake is van keuzevermogen staat het de ondernemer vrij om te kiezen voor hetzij privévermogen, hetzij ondernemingsvermogen. Op een eenmaal gemaakte keuze kan dan niet meer worden teruggekomen indien die keuze onherroepelijke gevolgen heeft gehad voor de belastingheffing, tenzij zich een bijzondere omstandigheid voordoet die een herziening van de uitgebrachte keuze rechtvaardigt. 6.3. In de aangiften inkomstenbelasting voor de jaren tot het jaar 2016 zijn zowel de eigen woning als de spaargelden aangegeven als privévermogen. De rechtbank leidt daaruit af dat, voor zover de woning en de spaargelden keuzevermogen waren, erflater heeft gekozen voor etikettering als privévermogen. 6.4.

Ter zitting heeft belanghebbende de stelling ingenomen dat de spaargelden verplicht ondernemingsvermogen zijn omdat er wel bedragen uit die spaargelden werden overgemaakt naar de rekening van de maatschap voor aankopen of investeringen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de spaargelden verplicht ondernemingsvermogen waren. Er is geen aanwijzing dat de spaartegoeden (nagenoeg) uitsluitend voor de onderneming werden gebruikt. De rechtbank is daarom van oordeel dat de spaartegoeden voor de inbreng in de maatschap op 1 januari 2016 als privévermogen aangemerkt konden worden, zoals erflater heeft gedaan. 6.5.

De vraag die dan nog beantwoord moet worden is of, ervan uitgaande dat zowel de eigen woning als de spaargelden keuzevermogen waren, erflater tot heretikettering als ondernemingsvermogen kon overgaan per 1 januari 2016. Daarbij neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat de keuze voor privévermogen in het verleden onherroepelijke fiscale gevolgen heeft gehad. 6.6. Uit al hetgeen belanghebbende heeft gesteld leidt de rechtbank af dat er op 1 januari 2016 niet meer was dan een voornemen om de door de maatschap gedreven onderneming toekomstbestendig te maken en dat van concrete afspraken of plannen toen nog geen sprake was.

Naar het oordeel van de rechtbank is dat enkele voornemen geen bijzondere omstandigheid die heretikettering mogelijk maakt. Daarvoor zou naar het oordeel van de rechtbank ten minste vereist zijn dat sprake was van concrete plannen tot wijziging van de onderneming waarbij de door erflater ingebrachte eigen woning en spaartegoeden een rol van enige betekenis zouden hebben. 6.7. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur de woning en de spaartegoeden terecht niet tot het ondernemingsvermogen heeft gerekend en de BOR in zoverre terecht niet heeft toegepast.

De navorderingsaanslag is dan terecht opgelegd. Conclusie en gevolgen Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de navorderingsaanslag in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, prof. mr. I.J.F.A. van Vijfeijken en mr. J.A. den Braber-Riemens, rechters, in aanwezigheid van mr. M.A.M. van Meer, griffier, op 16 oktober 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer). U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de datum van verzending; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep). Artikel 35b e.v. van de Successiewet 1956 (SW). Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184. Hoge Raad 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1515. Artikel 35b van de SW. Artikel 35c, eerste lid, onderdeel a, van de SW. Hoge Raad 7 oktober 1953, ECLI:NL:HR:1953:AY3461 en Hoge Raad 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:477. Hoge Raad 23 juni 1954, ECLI:NL:HR:1954:AY2928. Hoge Raad 26 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AW7822.