Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2023:684 ECLI:NL:RBZWB:2023:684 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2023:684 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2023:684
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 22/2001 ZW uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 januari 2023 in de zaak tussen [naam verzoeker], uit [plaatsnaam], verzoeker (gemachtigde: mr. T.H.M.M. Kusters), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. Procesverloop In het besluit van 18 augustus 2021 heeft verweerder verzoeker medegedeeld dat hij vanaf 8 juli 2021 geen recht (meer) heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet. In het besluit van 24 februari 2022 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBZWB:2023:684 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 22 december 2022 meegedeeld ervan uit te gaan dat de rechtbank een kostenveroordeling uitspreekt conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Overwegingen De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. De rechtbank ziet, gelet op de brief van verweerder van 22 december 2022, aanleiding het verzoek toe te wijzen.

Keywords

AI generated
party costs remission of procedural costs reimbursement of costs legal fees debt enforcement costs charging of fees

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Overwegingen De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 22/2001 ZW uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 januari 2023 in de zaak tussen [naam verzoeker], uit [plaatsnaam], verzoeker (gemachtigde: mr. T.H.M.M. Kusters), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. Procesverloop In het besluit van 18 augustus 2021 heeft verweerder verzoeker medegedeeld dat hij vanaf 8 juli 2021 geen recht (meer) heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet. In het besluit van 24 februari 2022 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. In het besluit van 9 november 2022 heeft verweerder aan verzoeker meegedeeld dat zijn bezwaar alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard en dat dit besluit in de plaats komt van de beslissing van 24 februari 2022. Volgens verweerder heeft verzoeker geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van de ZW-zaak omdat hij per 5 maart 2021 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt wordt geacht en alsnog recht heeft op een IVA-uitkering. Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 22 december 2022 meegedeeld ervan uit te gaan dat de rechtbank een kostenveroordeling uitspreekt conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Overwegingen De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. De rechtbank ziet, gelet op de brief van verweerder van 22 december 2022, aanleiding het verzoek toe te wijzen.

De voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- met een wegingsfactor 1). De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden. Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 837,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 31 januari 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.