Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2023:6809 ECLI:NL:RBZWB:2023:6809 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2023:6809 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2023:6809
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 22/3603 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 oktober 2023 in de zaak tussen [belanghebbende] BV, voorheen gevestigd in [plaats], belanghebbende, (gemachtigde: mr. M.C.J. Schoenmakers), en de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 22 juni 2022. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het tijdvak 1 november 2015 tot en met 31 december 2016 een aanslag in de vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 50.000. 1.2.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2023:6809 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Belanghebbende heeft een uittreksel uit het Handelsregister overlegd. Hieruit blijkt dat zij op 31 december 2016 is opgehouden te bestaan wegens gebrek aan baten. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt eerst of het beroep ontvankelijk is. Belanghebbende is door haar ontbinding opgehouden te bestaan op grond van artikel 2:19, eerste en vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Van een verzoek tot heropening van de vereffening is niet gebleken, ook niet met het oog op deze procedure, zodat belanghebbende niet is herleefd op grond van artikel 2:23c, eerste lid, van het BW.

Keywords

AI generated
legal capacity to act cessation of trading continuation of contract capacity to pursue debt enforcement inactivity after procedural stay lack of shareholder standing

Cited Case Law

AI generated
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 22/3603 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 oktober 2023 in de zaak tussen [belanghebbende] BV, voorheen gevestigd in [plaats], belanghebbende, (gemachtigde: mr. M.C.J. Schoenmakers), en de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 22 juni 2022. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het tijdvak 1 november 2015 tot en met 31 december 2016 een aanslag in de vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 50.000. 1.2.

Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende een verzuimboete van € 2.639 opgelegd. 1.3. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag ongegrond en het bezwaar tegen de boete gegrond verklaard. Hij heeft de aanslag gehandhaafd en de verzuimboete verminderd naar € 500. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 12 september 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur: mr. drs. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2]. Feiten 2.

Belanghebbende heeft een uittreksel uit het Handelsregister overlegd. Hieruit blijkt dat zij op 31 december 2016 is opgehouden te bestaan wegens gebrek aan baten. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt eerst of het beroep ontvankelijk is. Belanghebbende is door haar ontbinding opgehouden te bestaan op grond van artikel 2:19, eerste en vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Van een verzoek tot heropening van de vereffening is niet gebleken, ook niet met het oog op deze procedure, zodat belanghebbende niet is herleefd op grond van artikel 2:23c, eerste lid, van het BW.

Bovendien is niet gebleken dat er een bate bestaat die aan de ontbonden rechtspersoon toekomt, welke aanleiding zou kunnen zijn om de vereffening te heropenen. In dat geval staat vast dat de rechtspersoon ten name van wie de aanslag is vastgesteld, de aanslag niet zal betwisten en evenmin zal betalen. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat het procesbelang aan het beroep is komen te ontvallen door de ontbinding van belanghebbende. Daarom zal het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Conclusie en gevolgen 4. Het beroep is niet-ontvankelijk.

De rechtbank beoordeelt de zaak daarom niet inhoudelijk. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, in aanwezigheid van mr. F.A.J.M. Wouters, griffier, op 24 oktober 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak.

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. Vgl. Hoge Raad, 18 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ4910. Vgl. Hoge Raad, 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:844.