Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2023:62 ECLI:NL:RBZWB:2023:62 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2023:62 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2023:62
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 22/4781 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 januari 2023 in de zaak tussen [naam eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. P.W. Masselink), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek, verweerder. Inleiding Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 26 augustus 2022 met zaaknummer BRE 22/2225 (ECLI:NL:RBZWB:2022:4937). In die uitspraak staat dat verweerder binnen zes weken opnieuw moet beslissen op het bezwaar van eiser.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6:12 van de Awb, artikel 8:55c van de Awb; ECLI:NL:RBZWB:2023:62 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Dit brengt mee dat eiser rechtsgeldig beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 20 oktober 2022, verzonden op 1 november 2022, alsnog heeft beslist op het bezwaar. Eiser heeft op 7 december 2022 aangegeven het niet eens te zijn met deze beslissing van verweerder. Nu eiser hiertegen reeds bij de Centrale Raad van Beroep beroep heeft ingesteld, wordt het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen niet (met toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Awb) mede geacht te zijn gericht tegen dit besluit.

Keywords

AI generated
time limits for seeking redress challenge of administrative decisions late notice of dismissal expiry of statutory deadline action by staff untimely restitution petition

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Overwegingen De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
artikel 6:12 van de Awb
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
artikel 8:55c van de Awb
Daarnaast heeft eiser de rechtbank niet verzocht tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 van de Awb verbeurde dwangsom vast te stellen, zoals is bepaald in artikel 8:55c van de Awb.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBZWB:2022:4937
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 22/2225 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 augustus 2022 in de zaak tussen [naam eiser] , uit [plaatsnaam] , eiser (gemachtigde: mr. P.W. Masselink), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek (het college). Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiser van 15 december 2021 tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser om hem per 24 augustus 2020 bijstand toe te kennen naar de norm van alleenstaande.
ECLI:NL:CRVB:2021:2305
204492 WMO15 Datum uitspraak: 10 september 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het geding tussen: Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college) PROCESVERLOOP Bij uitspraak van 29 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1652, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 21 januari 2020 vernietigd, het beroep van appellante gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar van 17 december 2019 vernietigd.
ECLI:NL:RVS:2019:673
201808648/1R1.Datum uitspraak: 8 maart 2019 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen: [appellant], wonend te Bergen (NH), appellant, en de raad van de gemeente Bergen (NH), verweerder. Procesverloop [appellant] heeft in vervolg op de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2018, nr. 201709325/1/R1, beroep ingesteld tegen het andermaal niet tijdig nemen van een besluit door de raad omtrent vaststelling van het bestemmingsplan "Bergen Dorpskern Zuid". De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] heeft nadere stukken ingediend. Overwegingen 1. Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
ECLI:NL:RVS:2020:3156
202000812/2/R4. Datum uitspraak: 27 maart 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen: [appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Beek-Ubbergen, gemeente Ubbergen, en het college van burgemeester en wethouders van Berg en Dal, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 24 augustus 2017 heeft het college de gestelde maatwerkvoorschriften voor de activiteiten van de door [bedrijf] gedreven supermarkt aan de [locatie] te Beek-Ubbergen gewijzigd.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 22/4781 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 januari 2023 in de zaak tussen [naam eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. P.W. Masselink), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek, verweerder. Inleiding Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 26 augustus 2022 met zaaknummer BRE 22/2225 (ECLI:NL:RBZWB:2022:4937). In die uitspraak staat dat verweerder binnen zes weken opnieuw moet beslissen op het bezwaar van eiser.

Eiser stelt nu beroep in omdat verweerder dat volgens hem niet heeft gedaan. Overwegingen De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling).

Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Partijen zijn het er over eens dat de beslistermijn was verstreken voordat eiser op 11 oktober 2022 beroep heeft ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag voldoet aan de vereisten zoals gesteld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Anders dan verweerder stelt, is volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, in een geval als het onderhavige, waarin de bestuursrechter een termijn heeft gesteld voor het nemen van een nieuw besluit, niet vereist dat nog een ingebrekestelling wordt gestuurd voordat beroep wordt ingesteld.

Dit brengt mee dat eiser rechtsgeldig beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 20 oktober 2022, verzonden op 1 november 2022, alsnog heeft beslist op het bezwaar. Eiser heeft op 7 december 2022 aangegeven het niet eens te zijn met deze beslissing van verweerder. Nu eiser hiertegen reeds bij de Centrale Raad van Beroep beroep heeft ingesteld, wordt het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen niet (met toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Awb) mede geacht te zijn gericht tegen dit besluit.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Zoals hiervoor reeds is vastgesteld heeft verweerder inmiddels op het bezwaar beslist. Daarnaast heeft eiser de rechtbank niet verzocht tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 van de Awb verbeurde dwangsom vast te stellen, zoals is bepaald in artikel 8:55c van de Awb. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Ondanks dat eiser terecht beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar, hoeft verweerder het griffierecht niet te vergoeden nu het griffierecht (nog) niet was voldaan.

De rechtbank zal verweerder wel veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 837,‑ en wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 418,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 5 januari 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. ECLI:NL:CRVB:2021:2305, ECLI:NL:RVS:2019:673, ECLI:NL:RVS:2020:3156