Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2023:495 ECLI:NL:RBZWB:2023:495 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2023:495 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2023:495
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep wordt ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Stb. 2007, 563. Artikel 11a van de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel 10, tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965, zoals dat luidde tot 1 januari 2008. Hoge Raad 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1674. Hoge Raad 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:506. ECLI:NL:HR:2020:1674, onderdeel 5.6. Hof van Justitie EU 30 januari 2020, ECLI:EU:C:2020:51. ECLI:NL:HR:2020:1674, onderdeel 5.7.4. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 oktober 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3770, r.o. 4.3. tot en met 4.15.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2023:495 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Gezien het overgangsrecht van artikel XXVI, leden 8 en 9, van de wet Overige fiscale maatregelen 2008, is - kort gezegd - voor teruggaafverzoeken met betrekking tot de boekjaren vanaf het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2008 het regime van de afdrachtvermindering van belang en is voor teruggaafverzoeken met betrekking tot boekjaren die zijn aangevangen voor 1 januari 2008 de voormalige teruggaafregeling voor fbi’s relevant. 3.2. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de teruggaafverzoeken waarvoor de teruggaafregeling relevant is, terecht heeft afgewezen.

Keywords

AI generated
dividend income from qualifying holdings interim dividend adjustment of deductions corporate dividend tax substitution ordinary composition agreement

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2020:1674
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummers 16/03954, 17/02428, 19/01141 Datum 23 oktober 2020 PREJUDICIËLE BESLISSING in het geding tussen KÖLN-AKTIENFONDS DEKA te [Z], Duitsland (hierna: belanghebbende) en de INSPECTEUR VAN DE BELASTINGDIENST (hierna: de Inspecteur) waarin de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) bij beslissingen van 1 augustus 2016, 8 mei 2017 en 26 februari 2019, nrs. BRE 12/29, BRE 12/30 en BRE 12/152 tot en met BRE 12/154, op de voet van artikel 27ga AWR vragen aan de Hoge Raad heeft voorgelegd ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing.
ECLI:NL:HR:2021:506
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 19/00104 Datum 9 april 2021 PREJUDICIËLE BESLISSING op het verzoek van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het Hof) aan de Hoge Raad om in het geding tussen [X] INC. te [Z], Verenigde Staten van Amerika, (hierna: belanghebbende) tegen de INSPECTEUR VAN DE BELASTINGDIENST de bij beslissing van 4 januari 2019, nrs. 18/00178 tot en met 18/00182, op de voet van artikel 27ga AWR voorgelegde vragen bij wijze van prejudiciële beslissing te beantwoorden. De beslissing van het Hof is aan deze beslissing gehecht. 1De procedure in feitelijke instanties 1.1 Belanghebbende heeft de Inspecteur voor de boekjaren 2006/2007 tot en met 2010/2011 verzocht om teruggaaf van de dividendbelasting die ten laste van haar is ingehouden op dividenden, uitgekeerd op aandelen in Nederlandse vennootschappen. 1.2 De Inspecteur heeft deze verzoeken bij beschikking afgewezen. 1.3 Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt.
ECLI:NL:GHSHE:2022:3770
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 21/00402 tot en met 21/00406 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , gevestigd in [vestigingsplaats] (Duitsland), hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 21 januari 2021, nummers BRE 12/29, 12/30 en 12/152 tot en met 12/154, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Belanghebbende heeft voor de boekjaren 2002/2003 en 2004/2005 tot en met 2007/2008 verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting ingediend. 1.2.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Groningen Belastingrecht zaaknummers: BRE 16/2922 tot en met 16/2928 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 27 januari 2023 in de zaken tussen [belanghebbende] , [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: drs. R.A. van der Jagt), en de inspecteur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen/kantoor Noordwest, de inspecteur (gemachtigde: G. de Jong). Procesverloop De inspecteur heeft de verzoeken van belanghebbende om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2006/2007, 2007/2008 en 2009/2010 tot en met 2013/2014 afgewezen.

Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 1 april 2016 heeft de inspecteur de bezwaren van belanghebbende afgewezen. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank heeft aan de beroepen de volgende zaaknummers toegekend: het jaar 2006/2007: zaaknummer BRE 16/2922; het jaar 2007/2008: zaaknummer BRE 16/2923; het jaar 2009/2010: zaaknummer BRE 16/2924; het jaar 2010/2011: zaaknummer BRE 16/2925; het jaar 2011/2012: zaaknummer BRE 16/2926; het jaar 2012/2013: zaaknummer BRE 16/2927; het jaar 2013/2014: zaaknummer BRE 16/2928.

Met de inspecteur en de gemachtigde van belanghebbende zijn regiezittingen gehouden inzake dividendbelastingzaken van buitenlandse beleggingsfondsen, waaronder deze zaken van belanghebbende. Processen-verbaal van die zittingen zijn eerder aan de inspecteur en de gemachtigde gestuurd. De rechtbank heeft belanghebbende bij brief van 11 augustus 2021 in de gelegenheid gesteld om de beroepen naar aanleiding van de arresten van de Hoge Raad van 23 oktober 2020 en 9 april 2021 nader te motiveren. Belanghebbende heeft een nadere motivering ingediend. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Met stilzwijgende toestemming van partijen is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft op 20 december 2022 het onderzoek gesloten en partijen hiervan op de hoogte gesteld. Overwegingen Geschil en beoordeling 1. In geschil is of voor belanghebbende recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting over de boekjaren 2006/2007, 2007/2008 en 2009/2010 tot en met 2013/2014.

2. Belanghebbende stelt - kort samengevat - met een beroep op het Unierecht dat recht op teruggaaf van dividendbelasting bestaat omdat zij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi). Belanghebbende plaatst vraagtekens bij de uitwerking en de verenigbaarheid met het Unierecht van de vervangende betaling onder de voorwaarden zoals de Hoge Raad deze heeft gesteld in zijn arrest van 23 oktober 2020. Wat het regime van de afdrachtvermindering betreft, voert belanghebbende - kort gezegd - aan dat de beslissing van de Hoge Raad van 9 april 2021 een onjuiste interpretatie en toepassing van het Unierecht geeft. 3.1.

Gezien het overgangsrecht van artikel XXVI, leden 8 en 9, van de wet Overige fiscale maatregelen 2008, is - kort gezegd - voor teruggaafverzoeken met betrekking tot de boekjaren vanaf het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2008 het regime van de afdrachtvermindering van belang en is voor teruggaafverzoeken met betrekking tot boekjaren die zijn aangevangen voor 1 januari 2008 de voormalige teruggaafregeling voor fbi’s relevant. 3.2. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de teruggaafverzoeken waarvoor de teruggaafregeling relevant is, terecht heeft afgewezen.

In zijn arrest van 23 oktober 2020 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat aan beleggingsfondsen die niet in Nederland zijn gevestigd, maar die overigens wel voldoen aan de voorwaarden voor het fbi-regime, rechtsherstel kan worden geboden door het verlenen van een teruggaaf van ingehouden dividendbelasting, waarbij die teruggaaf dient te worden bepaald met inachtneming van een vervangende betaling.Belanghebbende heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet kenbaar gemaakt in te stemmen met een dergelijke vervangende betaling. Reeds daarom bestaat geen recht op teruggaaf. 3.3.

De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de teruggaafverzoeken waarvoor het regime van de afdrachtvermindering geldt, eveneens terecht heeft afgewezen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 april 2021 beslist dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door de omstandigheid dat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen, in verband met het gegeven dat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting, niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming op grond van de regeling van de afdrachtvermindering.

In wat belanghebbende heeft aangevoerd tegen de beslissing van de Hoge Raad ziet de rechtbank geen aanleiding om wel teruggaaf te verlenen of om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. 3.4. Belanghebbende heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij voldoende vergelijkbaar is met een fbi, met name als het gaat om de aandeelhouderseisen en de dooruitdelingseis, zodat ook reeds om die reden belanghebbende geen recht heeft op de door haar gevraagde teruggaaf van dividendbelasting. In zijn arrest van 23 oktober 2020 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de aandeelhouderseisen op zichzelf niet in strijd zijn met het Unierecht.

De aandeelhouderseisen gelden zonder onderscheid voor binnenlandse én buitenlandse beleggingsfondsen. Het beleggingsfonds dat aanspraak maakt op teruggaaf van dividendbelasting draagt de last de feiten aannemelijk te maken die ten grondslag liggen aan de stelling dat het fonds aan de aandeelhouderseisen voldoet. Belanghebbende heeft niet de feiten aannemelijk gemaakt die deze gevolgtrekking rechtvaardigen. Belanghebbende heeft namelijk op geen enkele wijze inzicht gegeven in de samenstelling van het aandeelhoudersbestand. Met betrekking tot de dooruitdelingseis heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 23 oktober 2020 - met inachtneming van het Deka-arrest - geoordeeld dat ook aan de dooruitdelingseis wordt voldaan als in de lidstaat van vestiging op grond van de daar geldende wettelijke bepalingen de gehele voor uitdeling beschikbare winst, berekend naar Nederlandse maatstaven, wordt geacht te zijn uitgekeerd en bij de aandeelhouders of participanten wordt betrokken in de belastingheffing als ware die winst uitgekeerd.

Belanghebbende heeft niet de feiten aannemelijk gemaakt die de gevolgtrekking rechtvaardigen dat het fonds aan de dooruitdelingseis voldoet, ook niet bij toepassing van de ruimere formulering van de dooruitdelingseis zoals door de Hoge Raad gegeven. 3.5. In hetgeen Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch in zijn uitspraak van 26 oktober 2022 heeft overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding om over het voorgaande onder 3.2. tot en met 3.4. anders te oordelen. 3.6. Uit het voorgaande volgt dat belanghebbende, zowel voor de verzoeken waarvoor het regime van de teruggaafregeling geldt als voor de verzoeken waarvoor het regime van de afdrachtvermindering geldt, geen recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting. 3.7.

Aangezien geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting, bestaat evenmin recht op vergoeding van rente over de ingehouden dividendbelasting. Conclusie 4. De beroepen zijn ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Bosch, voorzitter, en mr. R.R. van der Heide en mr. G. Kattenberg, leden, in aanwezigheid van mr. M.A. Veenstra, griffier, op 27 januari 2023. De beslissing is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘s-Hertogenbosch. Bij het instellen van hoger beroep moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep wordt ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Stb. 2007, 563. Artikel 11a van de Wet op de dividendbelasting 1965. Artikel 10, tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965, zoals dat luidde tot 1 januari 2008. Hoge Raad 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1674. Hoge Raad 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:506. ECLI:NL:HR:2020:1674, onderdeel 5.6. Hof van Justitie EU 30 januari 2020, ECLI:EU:C:2020:51. ECLI:NL:HR:2020:1674, onderdeel 5.7.4. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 oktober 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3770, r.o. 4.3. tot en met 4.15.