Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2023:235 ECLI:NL:RBZWB:2023:235 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2023:235 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2023:235
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 22/4027 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2023 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende, (gemachtigde: N.G.A. Voorbach), en De heffingsambtenaar van de gemeente Terneuzen, de heffingsambtenaar. Betreft Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 21 juli 2022 beroep ingesteld. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] . Procesverloop De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 12 maart 2022 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd aan belanghebbende met aanslagnummer [aanslagnummer] .

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:5 van de Awb, artikel 6:6 van de Awb; ECLI:NL:RBZWB:2023:235 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Belanghebbende heeft hier niet op gereageerd. De rechtbank is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de gronden (volledig) ontbreken en aldus sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb. In het bezwaarschrift is opgenomen dat belanghebbende het oneens is met onder meer de totstandkoming en hoogte van de naheffingsaanslag. Mede gelet op de aard van de bestreden beschikking (naheffingsaanslag) is dat een motivering die voldoende is om van ‘gronden’ te kunnen spreken. De bestrijding van de naheffingsaanslag is een voldoende motivering.

Keywords

AI generated
decision not to raise objections time limits for seeking redress statute of limitations bar reasonable duration of the proceedings postponement of trial late objection to debt enforcement

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:5 van de Awb
In tegenstelling wat de heffingsambtenaar aanvoert voldoet het bezwaarschrift aan de wettelijk bepaalde vereisten (artikel 6:5 van de Awb).
artikel 6:6 van de Awb
De rechtbank is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de gronden (volledig) ontbreken en aldus sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb.

Cited Case Law

AI generated
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 22/4027 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2023 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende, (gemachtigde: N.G.A. Voorbach), en De heffingsambtenaar van de gemeente Terneuzen, de heffingsambtenaar. Betreft Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 21 juli 2022 beroep ingesteld. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] . Procesverloop De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 12 maart 2022 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd aan belanghebbende met aanslagnummer [aanslagnummer] .

Belanghebbende heeft met dagtekening 15 maart 2022 bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 21 juli 2022 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet nader motiveren van het bezwaarschrift. Belanghebbende heeft bij brief van 22 augustus 2022 beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Motivering Belanghebbende voert aan dat het bezwaar onterecht niet-ontvankelijk is verklaard. In tegenstelling wat de heffingsambtenaar aanvoert voldoet het bezwaarschrift aan de wettelijk bepaalde vereisten (artikel 6:5 van de Awb).

Het bezwaarschrift bevat ten minste de naam van de indiener, een omschrijving van het besluit en de gronden. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt niet dat het noodzakelijk is dat de gronden inhoudelijk juist dienen te zijn om als gronden aan te merken. Doordat de heffingsambtenaar het bezwaar – onterecht – niet-ontvankelijk heeft verklaard en dus heeft afgezien om belanghebbende te horen, is belanghebbende van mening dat er sprake is van schending van het hoorrecht. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en de uitspraak op bezwaar te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar de heffingsambtenaar.

De heffingsambtenaar is van mening dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Belanghebbende heeft bij brief van 15 maart 2022 (bezwaarschrift) gereageerd op de naheffingsaanslag met als onderwerp “voorlopige gronden / verzoek om informatie” waarbij later pas wordt gesproken over een bezwaarschrift. Belanghebbende verzoekt in deze brief om informatie en een termijn om hierop te kunnen reageren. De heffingsambtenaar heeft de gevraagde informatie verstrekt aan belanghebbende en hem in de gelegenheid gesteld om te reageren. Tevens heeft de heffingsambtenaar vragen gesteld aan belanghebbende om hetgeen was aangevoerd in het bezwaarschrift te verduidelijken.

Belanghebbende heeft hier niet op gereageerd. De rechtbank is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de gronden (volledig) ontbreken en aldus sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb. In het bezwaarschrift is opgenomen dat belanghebbende het oneens is met onder meer de totstandkoming en hoogte van de naheffingsaanslag. Mede gelet op de aard van de bestreden beschikking (naheffingsaanslag) is dat een motivering die voldoende is om van ‘gronden’ te kunnen spreken. De bestrijding van de naheffingsaanslag is een voldoende motivering.

Tot slot, de omstandigheid dat belanghebbende in het bezwaarschrift het heeft over ‘voorlopige gronden’, verzocht heeft om uitstel van nadere motivering en de omstandigheid dat die motivering uiteindelijk niet is gegeven, kan niet eraan afdoen dat het bezwaarschrift wel aan de motiveringseis voldeed. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar dus ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden. Het beroep is daarom kennelijk gegrond. Nu het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, moet de zaak worden teruggewezen naar de heffingsambtenaar om een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Proceskostenvergoeding De rechtbank stelt de te vergoeden kosten voor juridische bijstand in de beroepsfase vast op € 418,50. Dit bedrag is gebaseerd op toepassing van het tarief dat is vermeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank heeft een wegingsfactor 0,5 gehanteerd omdat het gaat om een kennelijk gegrond beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Voor een vergoeding van kosten voor bezwaar is in dit stadium van de procedure geen plaats, omdat teruggewezen wordt en de bezwaarprocedure nog niet is afgerond.

Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - draagt de heffingsambtenaar op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 418,50; - bepaalt dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 50 aan deze vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 20 januari 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter, Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van verzet is verstreken of, indien verzet wordt ingesteld, op dat verzet is beslist.

Vgl. HR 6 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0275