Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2022:8087 ECLI:NL:RBZWB:2022:8087 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2022:8087 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2022:8087
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep wordt ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Artikel 11a van de Wet op de dividendbelasting 1965. ECLI:NL:HR:2021:506. ECLI:NL:HR:2020:1674.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2022:8087 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep wordt ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Artikel 11a van de Wet op de dividendbelasting 1965. ECLI:NL:HR:2021:506. ECLI:NL:HR:2020:1674.

Keywords

AI generated
dividend income from qualifying holdings investment abroad prohibition on accepting foreign pensions taxation of capital gains capital withdrawal tax bankruptcy dividend

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2021:506
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 19/00104 Datum 9 april 2021 PREJUDICIËLE BESLISSING op het verzoek van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het Hof) aan de Hoge Raad om in het geding tussen [X] INC. te [Z], Verenigde Staten van Amerika, (hierna: belanghebbende) tegen de INSPECTEUR VAN DE BELASTINGDIENST de bij beslissing van 4 januari 2019, nrs. 18/00178 tot en met 18/00182, op de voet van artikel 27ga AWR voorgelegde vragen bij wijze van prejudiciële beslissing te beantwoorden. De beslissing van het Hof is aan deze beslissing gehecht. 1De procedure in feitelijke instanties 1.1 Belanghebbende heeft de Inspecteur voor de boekjaren 2006/2007 tot en met 2010/2011 verzocht om teruggaaf van de dividendbelasting die ten laste van haar is ingehouden op dividenden, uitgekeerd op aandelen in Nederlandse vennootschappen. 1.2 De Inspecteur heeft deze verzoeken bij beschikking afgewezen. 1.3 Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt.
ECLI:NL:HR:2020:1674
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummers 16/03954, 17/02428, 19/01141 Datum 23 oktober 2020 PREJUDICIËLE BESLISSING in het geding tussen KÖLN-AKTIENFONDS DEKA te [Z], Duitsland (hierna: belanghebbende) en de INSPECTEUR VAN DE BELASTINGDIENST (hierna: de Inspecteur) waarin de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) bij beslissingen van 1 augustus 2016, 8 mei 2017 en 26 februari 2019, nrs. BRE 12/29, BRE 12/30 en BRE 12/152 tot en met BRE 12/154, op de voet van artikel 27ga AWR vragen aan de Hoge Raad heeft voorgelegd ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Den Haag Belastingrecht zaaknummers: BRE 19/1337, BRE 19/1338, BRE 19/1339 uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2022 in de zaken tussen [belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] (Verenigd Koninkrijk), belanghebbende (gemachtigde: S. Pond), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Procesverloop De inspecteur heeft het verzoek van belanghebbende om teruggaaf van dividendbelasting over de boekjaren 2013/2014, 2014/2015 en 2015/2016 afgewezen (de afwijzing). De inspecteur heeft de bezwaren tegen de afwijzing ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft aan de beroepen de volgende zaaknummers toegekend: - boekjaar 2013/2014: BRE 19/1337; - boekjaar 2014/2015: BRE 19/1338; - boekjaar 2015/2016: BRE 19/1339. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om te reageren op jurisprudentie van de Hoge Raad. Daarop is door belanghebbende een nadere motivering van het beroep ingediend. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen Feiten 1. Belanghebbende is een in het Verenigd Koninkrijk gevestigd en aan de London Stock Exchange genoteerd beleggingsfonds. Haar boekjaar loopt van 1 februari tot en met 31 januari. In de genoemde boekjaren hield belanghebbende belangen van minder dan 5% in diverse in Nederland gevestigde vennootschappen (de Nederlandse beleggingen).

2. Aan belanghebbende zijn door de Nederlandse beleggingen dividenden uitgekeerd waarover dividendbelasting is ingehouden. Belanghebbende heeft verzocht om teruggaaf van de ingehouden dividendbelasting. Deze teruggaafverzoeken zijn afgewezen. Geschil 3.In geschil is of de teruggaafverzoeken terecht zijn afgewezen. Belanghebbende stelt, kort samengevat, met een beroep op het Unierecht, dat zij recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting omdat zij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi). Beoordeling van het geschil 4. Voor teruggaafverzoeken met betrekking tot de boekjaren vanaf het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2008 is het regime van de afdrachtvermindering van belang.

5. Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek om teruggaaf van dividendbelasting terecht afgewezen. Voor de toepassing van het regime van de afdrachtvermindering heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 9 april 2021 beslist dat het vrije verkeer van kapitaal niet belemmerd wordt door de omstandigheid dat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen, in verband met het gegeven dat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting, niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming op grond van de regeling van de afdrachtvermindering. In wat belanghebbende heeft aangevoerd tegen de beslissing van de Hoge Raad, ziet de rechtbank geen aanleiding om wel teruggaaf te verlenen of om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.

6. De rechtbank overweegt ten overvloede dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voldoende vergelijkbaar is met een fbi, met name als het gaat om de dooruitdelingseis. Belanghebbende heeft dan ook reeds om die reden geen recht op de door haar gevraagde teruggaaf van dividendbelasting. Met betrekking tot de dooruitdelingseis heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 23 oktober 2020 geoordeeld dat ook aan de dooruitdelingseis wordt voldaan als in de lidstaat van vestiging op grond van de daar geldende wettelijke bepalingen de gehele voor uitdeling beschikbare winst, berekend naar Nederlandse maatstaven, wordt geacht te zijn uitgekeerd en bij de aandeelhouders of participanten wordt betrokken in de belastingheffing als ware die winst uitgekeerd. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij voldoet aan de dooruitdelingseis zoals door de Hoge Raad geformuleerd.

7. Aangezien geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting, heeft belanghebbende evenmin recht op vergoeding van rente over de ingehouden dividendbelasting.

8. Gelet op wat hiervoor is overwogen dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, voorzitter, en mr. E.E. Schotte en mr. M.E. Kiers, leden, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2022. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘s-Hertogenbosch. Bij het instellen van hoger beroep moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep wordt ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Artikel 11a van de Wet op de dividendbelasting 1965. ECLI:NL:HR:2021:506. ECLI:NL:HR:2020:1674.