Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2022:8083 ECLI:NL:RBZWB:2022:8083 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2022:8083 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2022:8083
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep wordt ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Vgl. Hoge Raad 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1800. Artikel 11a van de Wet op de dividendbelasting 1965. ECLI:NL:HR:2021:506. ECLI:NL:HR:2020:1674.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2022:8083 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep wordt ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Vgl. Hoge Raad 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1800. Artikel 11a van de Wet op de dividendbelasting 1965. ECLI:NL:HR:2021:506. ECLI:NL:HR:2020:1674.

Keywords

AI generated
dividend income from qualifying holdings interim dividend bankruptcy dividend capital withdrawal tax countervailing charge adjustment of deductions

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2013:1800
Dient voor de toepassing van artikel 63 VWEU de vergelijking van een niet-ingezetene met een ingezetene in een geval waarin op een dividenduitkering door de bronstaat dividendbelasting is ingehouden zich mede uit te strekken tot de vennootschapsbelasting, waarmee de dividendbelasting bij ingezetenen wordt verrekend? 2.a. Dient, indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, bij de vergelijking rekening te worden gehouden met alle kosten die in economische zin verband houden met de aandelen waaruit het dividend voortvloeit? 2.b. Indien het antwoord op de vorige vraag ontkennend luidt, dient dan wel rekening te worden gehouden met een eventuele afboeking van meegekocht dividend en met een eventueel door het houden van de desbetreffende aandelen opgeroepen financieringslast? 3.
ECLI:NL:HR:2021:506
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 19/00104 Datum 9 april 2021 PREJUDICIËLE BESLISSING op het verzoek van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het Hof) aan de Hoge Raad om in het geding tussen [X] INC. te [Z], Verenigde Staten van Amerika, (hierna: belanghebbende) tegen de INSPECTEUR VAN DE BELASTINGDIENST de bij beslissing van 4 januari 2019, nrs. 18/00178 tot en met 18/00182, op de voet van artikel 27ga AWR voorgelegde vragen bij wijze van prejudiciële beslissing te beantwoorden. De beslissing van het Hof is aan deze beslissing gehecht. 1De procedure in feitelijke instanties 1.1 Belanghebbende heeft de Inspecteur voor de boekjaren 2006/2007 tot en met 2010/2011 verzocht om teruggaaf van de dividendbelasting die ten laste van haar is ingehouden op dividenden, uitgekeerd op aandelen in Nederlandse vennootschappen. 1.2 De Inspecteur heeft deze verzoeken bij beschikking afgewezen. 1.3 Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt.
ECLI:NL:HR:2020:1674
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummers 16/03954, 17/02428, 19/01141 Datum 23 oktober 2020 PREJUDICIËLE BESLISSING in het geding tussen KÖLN-AKTIENFONDS DEKA te [Z], Duitsland (hierna: belanghebbende) en de INSPECTEUR VAN DE BELASTINGDIENST (hierna: de Inspecteur) waarin de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) bij beslissingen van 1 augustus 2016, 8 mei 2017 en 26 februari 2019, nrs. BRE 12/29, BRE 12/30 en BRE 12/152 tot en met BRE 12/154, op de voet van artikel 27ga AWR vragen aan de Hoge Raad heeft voorgelegd ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Den Haag Belastingrecht zaaknummers: BRE 16/2966, BRE 16/2967, BRE 16/2968, BRE 16/2969, BRE 16/2970 en BRE 16/2972 uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2022 in de zaken tussen [belanghebbende], gevestigd te [vestigingsplaats] (Ierland), belanghebbende (gemachtigde: mr. R.A. van der Jagt), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Procesverloop De inspecteur heeft het verzoek van belanghebbende om teruggaaf van dividendbelasting over de boekjaren 2006, 2007, 2008, 2009, 2010 en 2011 afgewezen (de afwijzing).

De inspecteur heeft de bezwaren tegen de afwijzing ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft aan de beroepen de volgende zaaknummers toegekend: - boekjaar 2006: BRE 16/2966; - boekjaar 2007: BRE 16/2967; - boekjaar 2008: BRE 16/2968; - boekjaar 2009: BRE 16/2969; - boekjaar 2010: BRE 16/2970; - boekjaar 2011: BRE 16/2972. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om te reageren op jurisprudentie van de Hoge Raad. Daarop is door belanghebbende een nadere motivering van het beroep ingediend.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen Feiten 1. Belanghebbende is een Ierland gevestigd beleggingsfonds. In de genoemde boekjaren hield belanghebbende belangen van minder dan 5% in diverse in Nederland gevestigde vennootschappen (de Nederlandse beleggingen).

2. Aan belanghebbende zijn door de Nederlandse beleggingen dividenden uitgekeerd waarover dividendbelasting is ingehouden. Belanghebbende heeft met dagtekening 21 december 2011 verzocht om teruggaaf van de ingehouden dividendbelasting. Deze teruggaafverzoeken zijn afgewezen. Geschil 3.In geschil is of de teruggaafverzoeken terecht zijn afgewezen. Belanghebbende stelt, kort samengevat, met een beroep op het Unierecht, dat zij recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting omdat zij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi). Beoordeling van het geschil 2006 en 2007 4.

Indien belanghebbende een ingezeten vennootschap was geweest, had een verzoek om teruggaaf van dividendbelasting binnen drie jaren na afloop van het boekjaar moeten zijn ingediend. Aan belanghebbende behoeft geen langere termijn te worden gegund dan vorenbedoelde driejaarstermijn. Nu eerst op 21 december 2011 om teruggaaf is verzocht, heeft de inspecteur de verzoeken die zien op de boekjaren 2006 en 2007 terecht wegens termijnoverschrijding afgewezen. 2008, 2009, 2010 en 2011 5. Voor teruggaafverzoeken met betrekking tot de boekjaren vanaf het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2008 is het regime van de afdrachtvermindering van belang.

6. Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek om teruggaaf van dividendbelasting terecht afgewezen. Voor de toepassing van het regime van de afdrachtvermindering heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 9 april 2021 beslist dat het vrije verkeer van kapitaal niet belemmerd wordt door de omstandigheid dat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen, in verband met het gegeven dat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting, niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming op grond van de regeling van de afdrachtvermindering. In wat belanghebbende heeft aangevoerd tegen de beslissing van de Hoge Raad, ziet de rechtbank geen aanleiding om wel teruggaaf te verlenen of om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.

7. De rechtbank overweegt ten overvloede dat belanghebbende bovendien niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voldoende vergelijkbaar is met een fbi, met name als het gaat om de aandeelhouderseisen. In zijn arrest van 23 oktober 2020 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de aandeelhouderseisen op zichzelf niet in strijd zijn met het Unierecht. De aandeelhouderseisen gelden zonder onderscheid voor binnenlandse én buitenlandse beleggingsfondsen. Belanghebbende heeft niet de feiten aannemelijk gemaakt die de gevolgtrekking rechtvaardigen dat het fonds aan de aandeelhouderseisen voldoet. Belanghebbende heeft namelijk op geen enkele wijze inzicht gegeven in de samenstelling van het aandeelhoudersbestand. In hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat dit te maken heeft met de intrinsieke complexiteit van de vereiste informatie of met de verlangde bewijsmiddelen. De verzoeken die zien op de boekjaren 2008, 2009, 2010 en 2011 zijn terecht afgewezen.

8. Aangezien geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting, heeft belanghebbende evenmin recht op vergoeding van rente over de ingehouden dividendbelasting.

9. Gelet op wat hiervoor is overwogen dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, voorzitter, en mr. E.E. Schotte en mr. M.E. Kiers, leden, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2022. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘s-Hertogenbosch. Bij het instellen van hoger beroep moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep wordt ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Vgl. Hoge Raad 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1800. Artikel 11a van de Wet op de dividendbelasting 1965. ECLI:NL:HR:2021:506. ECLI:NL:HR:2020:1674.