Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2022:7628 ECLI:NL:RBZWB:2022:7628 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2022:7628 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2022:7628
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Cluster I Civiele kantonzaken Breda zaak/rolnr.: 9166957 CV EXPL 21-1529 vonnis d.d. 14 december 2022 inzake 1. de vereniging Huurdersbelangenvereniging [adres eiser 1] ,2. [eiser 2] , wonende te [adres eiser 2 en 3] ,3. [eiser 3], wonende te [adres eiser 2 en 3] , eisers, gemachtigde: mr. E.A.S. van Spanje, advocaat te Bussum, tegen de stichting Stichting Surplus Zorg, statutair gevestigd te Breda, gedaagde, gemachtigde: mr. J.A. Vermeeren, advocaat te Etten-Leur. Eisers zullen hierna gezamenlijk (in vrouwelijk enkelvoud) HBV c.s. worden genoemd en afzonderlijk HBV, de heer [eiser 2] en mevrouw [eiser 3] . Gedaagde zal hierna Surplus Zorg worden genoemd.

Legislator headnote

AI generated

artikel 7:264 BW, artikel 7:264 lid 1 BW, artikel 7:259 BW, artikel 6:212 BW, artikel 6:203 BW, artikel 6:119 BW; ECLI:NL:RBZWB:2022:7628 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Bedingen over servicekosten, zoals de afvaldienst, zijn - anders dan Surplus Zorg meent - niet uitgesloten van toetsing aan artikel 7:264 BW. De kantonrechter is van oordeel dat er op grond van de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 27 augustus 2019 (ECLI:NL:GHSHE:2019:3185), waar Surplus Zorg naar verwijst en die ziet op dezelfde OBV, niet vanuit kan worden gegaan dat artikel 7:264 lid 1 BW hier toepassing mist. In die uitspraak heeft het Hof namelijk overwogen dat onvoldoende onderbouwd is dat er sprake is van “geen redelijk voordeel” waardoor het beroep op artikel 7:264 BW niet slaagde.

Keywords

AI generated
building lease rent excessive price rent deduction in supplementary benefits housing costs prevailing rent compensation for surplus value

Cited Legislation

AI generated
artikel 7:264 BW
gedane beroep op artikel 7:264 BW en de opmerkingen van HBV c.s.
artikel 7:264 lid 1 BW
geen beroep meer kan doen op artikel 7:264 lid 1 BW ten aanzien van servicekosten in de zin van de wet, en dus de afvaldienst, vanwege het verstrijken van een vervaltermijn van twee jaar na het aangaan van de OBV.
artikel 7:259 BW
2.23 In het tussenvonnis van 7 september 2022 is de beslissing over de btw in de afvalservicekosten op grond van artikel 7:259 BW aangehouden en hierop zal de kantonrechter dan ook nog beslissen.
artikel 6:212 BW
Op grond van artikel 6:212 BW is degene die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, slechts verplicht de schade van die ander te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking, voor zover dat redelijk is.
artikel 6:203 BW
Op grond van artikel 6:203 BW is degene die een ander zonder rechtsgrond een goed heeft gegeven, gerechtigd dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug te vorderen.
artikel 6:119 BW

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHSHE:2019:3185
Stichting [de serviceresidentie 1] Wonen en Welzijn, (…) En 2.
ECLI:NL:HR:2021:1157
De prejudiciële procedure Bij tussenvonnis in de zaak 7971306 CV EXPL 19-17417 van 4 december 2020 heeft de kantonrechter te Amsterdam op de voet van art.
ECLI:NL:RBAMS:2021:3097
Vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 8505212 CV EXPL 20-8323 vonnis van: 21 juni 2021 vonnis van de kantonrechter I n z a k e [eiseres] wonende te [woonplaats] eiseres nader te noemen: [eiseres] gemachtigde: G.C. Zijlstra t e g e n 1. de besloten vennootschap Change=Amsterdam2 B.V. 2. de besloten vennootschap Change=Vastgoed Beheer B.V. 3. de besloten vennootschap Change=Shared Services B.V. allen gevestigd te Almere gedaagden nader ook gezamenlijk te noemen: Change=Amsterdam2 c.s. gemachtigden: mr. H.M. Giezen en mr. M.E. Hinskens- van Neck VERLOOP VAN DE PROCEDURE - dagvaarding van 4 mei 2020 met producties;- antwoord met producties;- instructievonnis;- dagbepaling mondelinge behandeling. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 september 2020. [eiseres] is verschenen, vergezeld door de gemachtigde. Change=Amsterdam2 c.s. zijn verschenen bij de heren [naam 1] en [naam 2] , vergezeld door de gemachtigden. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Er is vervolgens een descente bepaald. Deze heeft op 8 maart 2021 plaats gevonden in het complex aan het [adres complex] . Daarbij waren aanwezig: de gemachtigde van [eiseres] , de heer [naam 1] en de gemachtigden van Change=Amsterdam2 c.s. Change=Amsterdam2 c.s. hebben bij akte foto’s in het geding gebracht. Daaropvolgende heeft [eiseres] een akte na descente genomen. Deze is gevolgd door een antwoordakte van Change=Amsterdam2 c.s. Bij akte heeft [eiseres] op de foto’s gereageerd. Ten slotte is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald. GRONDEN VAN DE BESLISSING Feiten 1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast: 1.1. [eiseres] was van 2 januari 2019 tot en met 31 augustus 2019 huurster van de zelfstandige woonruimte (studio) aan het adres [adres complex] , verder het gehuurde. Verhuurster is Change=Amsterdam2. 1.2. Het gehuurde maakt deel uit van een complex, dat bestaat uit 600 zelfstandige studio’s. Op de eerste verdieping van het complex bevinden zich gemeenschappelijke voorzieningen. 1.3. De schriftelijke huurovereenkomst bepaalt onder meer: “Huurder heeft bewust gekozen voor het wonen in het complex onder het Change= concept ( www.change-is.com ) Hiervoor heeft huurder een selectieproces doorlopen, waarin huurder te kennen heeft gegeven de uitgangspunten van het Change= concept te omarmen en een positieve bijdrage te willen leveren aan de community in het gebouw, respectvol met elkaar om te gaan en geen overlast of hinder voor mede community bewoners te zullen veroorzaken.” 1.4. Artikel 12 van de huurovereenkomst luidt als volgt: “artikel 12 – Concept Change= 12.1 Huurder is zich bewust dat het concept van wonen bij Change= meer omvat dan enkel het gebruik van woonruimte en de leveringen en diensten die tegenover de servicekosten verschaft worden. Dit concept omvat tevens een veilige, sociale en levendige community waarbinnen het wonen zich afspeelt, met additionele diensten binnen handbereik, welke community door actief management en extra inspanningen vanuit de Change= organisatie, maar ook door de eigen inzet van de huurder, wordt bevorderd. Ten aanzien van de additionele diensten zullen huurder en Change= een separate “community overeenkomst” sluiten. Deze “community overeenkomst” staat volledig los van deze huurovereenkomst.” 1.5. Als betalingsverplichting van [eiseres] is in de huurovereenkomst het volgende bepaald: “huurprijs voor de woning € 592,50 voorschot servicekosten € 46,30 voorschot nutslasten (centrale voorzieningen) € 27,30 voorschot nutslasten (individueel gebruik warmte) € 15,- voorschot nutslasten (individueel gebruik elektriciteit) € 15,- --------- + totaal € 696,42” 1.6. In bijlage 8 bij de huurovereenkomst worden de servicekosten gespecificeerd als volgt: BIJLAGE 8: Servicekosten Nutslasten 10 Warmte levering tbv gemeenschappelijke ruimtes 11 Levering van elektriciteit tbv gemeenschappelijke ruimtes 12 Levering water tbv gemeenschappelijke ruimtes 13 Liander afrekening 14 Meetdiensten (Overige) Servicekosten 20 Intercom installatie 21 Automatische toegangshekken 22 Beveiligingsinstallatie 23 Brandmeldinstallatie 24 Brandblusmiddelen / Noodverlichting 25 Lockerservice 26 Bliksemafleidingsinstallatie 27 Glasbewassing 28 Gevelonderhoud 29 Gevelinstallatie 30 Tuin-&Terrein 31 Onderhoud E-installaties 32 Onderhoud W-lnstallaties 33 Ontstoppen leidingen 34 Dakonderhoud 35 Pomponderhoud 36 Liftonderhoud 37 Service onderhoud toegangsdeuren 38 Glasverzekering 39 Onderhoud tussenmeters 40 Bemetering en uitlezing 41 Signaallevering en datainstallatie 42 Klein onderhoud en materialen 43 Onderhoud PV-panelen 44 Facilitair Manager / Klusjesman 44 Huismeester 45 Schoonmaak en vuilafvoer 46 Inrichting algemene ruimtes 47 Ongediertebestrijding 48 Gebouwbeheer en surveillance 49 Camerabeveiliging 50 Overige diensten 1.7. Tussen [eiseres] enerzijds en Change=Vastgoed Beheer en Change=Shared Services anderzijds is tegelijkertijd met de huurovereenkomst een overeenkomst gesloten, getiteld “Community Membership Overeenkomst-Change=Zuid-Oost, Amsterdam”, verder te noemen de community overeenkomst. 1.8. De community overeenkomst bepaalt onder meer: “Jij gaat wonen in een appartement in het Change gebouw aan het [adres complex] (‘Gebouw’). Daartoe heb je een huurovereenkomst gesloten met de verhuurder. Op basis van die huurovereenkomst betaal je aan jouw verhuurder een huurprijs voor het gebruik van je appartement, servicekosten en kosten voor nutsvoorzieningen in de algemene ruimtes (zoals warmte, water en elektra). Deze kosten hebben allemaal betrekking op de bewoning door jou van jouw appartement. In de huurovereenkomst is tevens aangenomen dat jij onder de vlag van het Change concept deel gaat uitmaken van een Community en de daarbij behorende extra veiligheid, woon-en leefklimaat zaken. Om dit te realiseren dient onderliggende Community Membership Overeenkomst. Deze Community Membership Overeenkomst is derhalve een scheppende voorwaarde voor het Change= concept waar jij voor hebt gekozen.” 1.9. Change=Amsterdam2 c.s. hebben bepaald dat een huurovereenkomst alleen tot stand kan komen als de huurder tegelijkertijd ook de community overeenkomst tekent. De community overeenkomst eindigt (alleen) wanneer de huurovereenkomst eindigt. 1.10. In de community overeenkomst is bepaald dat [eiseres] maandelijks aan Change=Vastgoed Beheer en Change=Shared Services verschuldigd is: community lidmaatschap € 49,50 home interieur pakket € 23,50 internet in de woning € 45,- --------- + totaal € 118,- 1.11. Het lidmaatschap van de community geeft [eiseres] de mogelijkheid gebruik te maken van gemeenschappelijke ruimte en voorzieningen. Het gaat om een gemeenschappelijke huiskamer op de eerste verdieping van het complex, met daarbij een aantal tafels die als flexwerkplekken worden aangemerkt. In de gemeenschappelijke ruimte is een community team op locatie, waaronder een community manager. Deze zorgt voor de coördinatie en structuur binnen het gebouw. Het lidmaatschap geeft [eiseres] verder het recht om bezoek te ontvangen en gebruik te maken van internet in de algemene ruimtes. Tot slot geeft het lidmaatschap het recht om gebruik te maken van een aantal optionele diensten (zoals huur van een kluis, snackautomaten, inhuur handyman, huur elektronische apparaten et cetera). Voor deze optionele diensten moet apart betaald worden. 1.12. Het home interieur pakket bestaat uit laminaat op de vloer, gordijnen, een spijkerlat om schilderijen op te hangen en een wasmachine aansluiting. 1.13. De post “internet in de woning” houdt in de levering van een Wifi-signaal in het gehuurde. 1.14. Change=Amsterdam2 c.s. hebben in 2017 het oordeel van de Woonbond gevraagd over het Change=concept, met de gehanteerde community overeenkomst. In haar rapport van maart/april 2018 heeft de Woonbond de volgende conclusies en aanbevelingen gedaan: “• Het blijkt dat een aantal kostenposten niet in de servicekosten thuis horen, maar door de verhuurder vanuit de gewone exploitatie bekostigd moeten worden. Het gaat hier met name om het technische onderhoud aan installaties. • Het huurdersonderhoud, de zogenoemde kleine herstellingen, betreft dan zaken als ontluchten, bijvullen, vastzetten, aandraaien, en dat voornamelijk binnen de eigen woonruimte. En in veel situaties gaat het er dan ook nog om of deze klussen zonder noemenswaardige kosten zijn, voor de huurder bereikbaar en technisch eenvoudig. De verhuurder kan de huurder tegen kostprijs een zogenoemd serviceabonnement aanbieden om deze kleine klusjes uit te voeren. Het gaat om slechts een klein bedrag per maand. De 70%-regel geldt hier niet omdat deze service per huurder kan worden aangeboden. De huurder kan nooit verplicht worden dit abonnement af te nemen. • Ook het doorberekenen van salarissen is niet zonder meer toegestaan. Een aantal typische verhuurderswerkzaamheden horen niet in de servicekosten of communitykosten thuis, maar zijn voor rekening van de verhuurder. Een uitsplitsing van taken is dan nodig. • Als gevolg daarvan zal een nieuwe verhouding van de verdeling van kosten huurder – verhuurder opgesteld moeten worden. • Ook bij dienstverlening is het zaak onderscheid te maken of deze hoort onder de “woonservicekosten” waarbij het Besluit servicekosten leidend is, of onder communitykosten. Een huismeester zal werkzaamheden verrichten die soms horen tot de taak van de verhuurder, soms in opdracht van de huurders of soms onder de communitykosten vallen. Een goede, nauwkeurige taakomschrijving én urenverdeling is nodig om hierin goed inzicht te krijgen. • Bij complexgewijze wijziging van het servicepakket is de instemming van tenminste 70% van de huurders vereist. Een groot draagvlak is dus nodig. De HO en/of BC (respectievelijk huurdersorganisatie en bewonerscommissie, ktr) speelt vaak een sleutelrol bij het zoeken naar draagvlak. • Het komt voor dat de verhuurder en de BC/HO er samen niet goed uitkomen wat wel en niet mag worden afgerekend is de servicekosten. Dan spreekt men af dat een van de huurders een uitspraak van de huurcommissie over de betalingsverplichting verzoekt en dat zij de uitspraak dan vervolgens laten gelden voor alle huurders in het complex.” 1.15. Een van de huurders van het eveneens mede door Change=Vastgoed Beheer beheerde complex, mevrouw [naam huurder] (huurder van het adres [adres huurder] heeft de huurcommissie gevraagd om een oordeel over de onder 1.10 bedoelde kosten in de community overeenkomst. 1.16. Het rapport van onderzoek d.d. 18 november 2019 betreffende deze huurder vermeldt onder meer: “De rapporteur merkt op, dat volgens het Besluit servicekosten elk van de in de dienstenovereenkomst genoemde diensten valt onder het begrip “servicekosten’ Verder is het afsluiten van het dienstencontract verplicht bij het aangaan van de huurovereenkomst. Een huurder kan er dus niet voor kiezen af te zien van het sluiten van die dienstenovereenkomst of van (een deel van) de daaraan verbonden diensten. Een huurder kan de overeenkomst ook niet opzeggen (zie onderdeel “Voorwaarden en afrekening”). De Huurcommissie dient te beslissen of de posten volgens de dienstenovereenkomst aangemerkt moeten worden als “services” die op basis van de huurovereenkomst geleverd worden en daarom door verhuurder moeten worden afgerekend met de huurders. Wat de individuele posten van de “community diensten” betreft het volgende. Maandelijks moet € 31,00 worden betaald voor “community manager, beveiliging, woonconsulentes”. De “community manager” draagt - volgens de dienstenovereenkomst - “zorg voor coördinatie en structuur binnen het gebouw” en “houdt toezicht op het reilen en zeilen in het gebouw.” Dit zijn taken die gewoonlijk door een huismeester worden uitgevoerd. Verhuurder brengt al kosten daarvoor in rekening op de gezonden afrekening van de servicekosten. Wat exact de functie van de woonconsulent is kan niet uit de dienstenovereenkomst worden afgeleid. Het is dan ook niet duidelijk waarvoor huurder maandelijks een bedrag voor deze dienst moet betalen. Volgens de dienstenovereenkomst zijn in het complex al camera’s aanwezig, maar is de extra dienst uit deze overeenkomst dat in het weekend extra beveiliging ingezet wordt. Huurder geeft echter aan, dat die extra beveiliging er nooit is (geweest). Change= zorgt voor high speed internet in het complex en in de woningen. Voor deze dienst wordt maandelijks € 30,00 in rekening gebracht. Verhuurder levert deze dienst niet, zodat de kosten hiervan aan de huurders zouden kunnen doorbelast. Er zijn echter geen gegevens of facturen voor deze post aangeleverd. Ook voor het “basis inbouwpakket” waarvoor maandelijks € 13,00 moet worden betaald zijn geen gegevens verstrekt, Het pakket moet verplicht afgenomen worden zo blijkt uit de omschrijving. De rapporteur stelt vooralsnog de betalingsverplichting van huurder voor de genoemde posten op € 0,00 vanwege het ontbreken van gegevens. 1.17. Voor zover de kantonrechter bekend is er nog geen uitspraak van de huurcommissie. 1.18. Het Besluit Servicekosten vermeldt onder 6.: “huismeester In het kader van toezicht, veiligheid en personele ondersteuning bij de bewoning: a. het houden van toezicht op het juiste gebruik van de gemeenschappelijke gedeelten door de bewoners, hun bezoekers en derden; b. het houden van toezicht op de veiligheid van de tot de woonruimten behorende gehuurde delen en de gemeenschappelijke gedeelten; c. het reageren op inbraakalarmering vanuit het woonruimtegedeelte van het gehuurde; d. het verspreiden van post; e. andere diensten die een goede bewoning voor de bewoners van het woongebouw, waarvan de woonruimte deel uitmaakt, bevorderen, waaronder in elk geval het verrichten van de ten laste van huurders komende kleine herstellingen.” Vordering en verweer 2. [eiseres] vordert dat de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad Primair: I. voor recht verklaart dat het beding, dat [eiseres] bij het aangaan van de huurovereenkomst met Change= Amsterdam verplicht was een aparte ‘community overeenkomst’ aan te gaan met Change= Vastgoed en Change= Shared Services waarvoor [eiseres] maandelijks een bedrag van € 118,- diende te betalen, op grond van artikel 7:264 BW onredelijk is; II. dit beding nietig verklaart; III. Change= Vastgoed Beheer en Change= Shared Services hoofdelijk, in die zin dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, veroordeelt tot betaling van: a. 8 x € 118,- = € 944,- b. de wettelijke rente over a. per 17 april 2020 c. buitengerechtelijke kosten € 171,34; IV. met hoofdelijke veroordeling van Change= Amsterdam2, Change= Vastgoed Beheer en Change= Shared Services in de kosten van de procedure; Subsidiair: I. voor recht verklaart dat [eiseres] geen kosten voor ‘community membership’ verschuldigd was in de periode januari tot en met april 2019 omdat de gemeen- schappelijke voorzieningen in het woongebouw in deze periode nog niet waren gerealiseerd; II. Change= Vastgoed Beheer en Change= Shared Services hoofdelijk, in die zin dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, veroordeelt tot betaling van: a. 4 x € 49,50 = € 198,- b. de wettelijke rente over a. per 17 april 2020 c. buitengerechtelijke kosten € 48,40; III. met hoofdelijke veroordeling van Change= Vastgoed Beheer en Change=Shared Services in de kosten van de procedure. 3. [eiseres] stelt hiertoe, samengevat en zakelijk weergegeven, dat de betalingsverplichting voort vloeiend uit de community overeenkomst een onredelijk beding is, zoals bedoeld in artikel 7:264 BW. Om te beginnen al door het verplichte karakter van het sluiten van de community overeenkomst. Zonder deze overeenkomst gaat Change=Amsterdam2 simpelweg geen huurovereenkomst met haar kandidaat huurders aan. Door [eiseres] naast de kale huurprijs en naast de servicekosten op te leggen om nog een andere betalingsverplichting aan te gaan met andere rechtspersonen (die in feite één organisatie betreffen) ontloopt Change=Amsterdam2 haar verplichtingen betreffende de servicekosten, zoals geregeld in artikel 7:259 BW. Change=Amsterdam2 kan [eiseres] immers slechts redelijke servicekosten in rekening brengen en zij dient daarom jaarlijks de servicekosten met [eiseres] af te rekenen. [eiseres] kan die afrekening dan laten toetsen door de huurcommissie. Door [eiseres] (in de community overeenkomst) te verplichten de kosten voor het community lidmaatschap, het home interieur pakket en het internet in het gehuurde te betalen aan Change=Vastgoed Beheer en Change=Shared Services, vallen de maandelijkse betalingen van € 118,- buiten de afrekenplicht van Change=Amsterdam2. Dat is in strijd met de bedoeling van de wetgever, die de huurder nu juist wil en moet beschermen tegen ontduikingsconstructies als de onderhavige. 4. De door Change=Vastgoed Beheer en Change=Shared Services via de community overeenkomst geleverde zaken en diensten vloeien direct voort uit de met Change=Amsterdam2 gesloten huurovereenkomst. [eiseres] betaalde al aan Change=Amsterdam2 huur en servicekosten die als vergoeding strekken voor deze diensten. In zoverre betaalde [eiseres] dus dubbel. Zo ziet de vergoeding van € 45,- voor het lidmaatschap van de community op het community team op locatie, dat allerlei beheerwerkzaamheden uitvoert. Voor deze werkzaamheden betaalt [eiseres] ook al aan haar verhuurder, Change=Amsterdam2, zoals blijkt uit bijlage 8 van de huurovereenkomst (zie onder 1.6). Zie de bijlage onder 44, facilitair medewerker/klusjesman; onder 44, huismeester; onder 48, gebouwbeheer en surveillance; onder 50, overige diensten. Deze diensten worden ook genoemd in het (niet limitatieve) Besluit Servicekosten. 5. Voorts ziet het community lidmaatschap op de gemeenschappelijke huiskamer en flexwerkplekken. De vergoeding voor het gebruik van deze huiskamer behoort echter verdisconteerd te zijn in de kale huurprijs nu het om een onroerende aangelegenheid gaat, die onderdeel is van het woongebouw. Waar het gaat om de inrichting van de huiskamer valt de vergoeding onder de normale servicekosten: zie bijlage 8, onder 46, inrichting algemene ruimtes. Ook uit het Besluit Servicekosten volgt dat het gebruik van onroerende zaken als een servicekostenpost moet worden aangemerkt. Ook voor het gebruik van internet in de algemene ruimtes betaalt [eiseres] al een vergoeding aan Change=Amsterdam2 via de servicekosten: zie bijlage 8, onder 41, signaallevering en datainstallatie. Voor het ontvangen van bezoek mogen [eiseres] geen kosten in rekening worden gebracht. 6. De kosten van het home interieur pakket (€ 23,50 per maand) kunnen eveneens niet apart, buiten de kale huurprijs en de servicekosten, bij [eiseres] in rekening worden gebracht. Gordijnen zijn roerende zaken, die volgens het Besluit Servicekosten als servicekostenpost moeten worden aangemerkt. Het laminaat in het gehuurde ligt vast en is verbonden aan de ondervloer. Het gaat daarom niet om een roerende zaak en dus moet de vergoeding ervan verdisconteerd zijn in de kale huurprijs. Hetzelfde geldt voor de spijkerlat om schilderijen op te hangen en de wasmachineaansluiting. 7. [eiseres] betaalde via de community overeenkomst € 45,- per maand voor het gebruik van internet in het gehuurde. Dit is dubbelop, want [eiseres] betaalde ook al aan Change=Amsterdam2 voor het gebruik van internet: zie bijlage 8, 41 signaallevering en datainstallatie. Deze vergoeding is dus al verdisconteerd in de servicekosten. 8. [eiseres] meent dat Change=Amsterdam2 alle bijkomende leveringen en diensten, voor zover deze blijkens het Besluit Servicekosten tot de servicekosten kunnen worden gerekend, met haar dient af te rekenen. Het zijn naar hun aard immers door of vanwege de verhuurder te verzorgen bijkomende leveringen en diensten, zoals bedoeld in artikel 7:237 lid 3 BW. [eiseres] heeft Change=Amsterdam2 maandelijks reeds € 103,92 aan voorschotten servicekosten en nutskosten betaald. Als dat bedrag niet toereikend is, zal dat uit de servicekostenafrekening, die van Change=Amsterdam2 nog niet is ontvangen, moeten blijken. 9. Het beding uit de community overeenkomst, dat inhoudt dat [eiseres] naast de kale huurprijs en de servicekosten aan Change=Amsterdam2, ook nog eens een bedrag van € 118,- per maand verschuldigd is aan Change=Vastgoed Beheer en Change=Shared Services is onredelijk. Het is daarom nietig. En dan niet alleen op inhoudelijke gronden maar ook alleen op grond van het verplichte karakter van het aangaan van de community overeenkomst, waarbij immers niet de mogelijkheid bestaat om deze niet aan te gaan. 10. Subsidiair merkt [eiseres] op dat zij een van de eerste bewoners was van het complex. Gedurende de eerste vier maanden konden de diensten so wie so niet worden geleverd, omdat de eerste verdieping nog niet klaar was. Dat levert ook een onverschuldigde betaling op over deze periode. 11. Het is terecht dat [eiseres] al de onverschuldigd betaalde kosten terugvordert, aldus steeds [eiseres] . 12. Change=Amsterdam2 c.s. hebben over de oorsprong en achtergrond van het concept Change=, kort gezegd, het volgende opgemerkt. Change= is een ontwikkelaar van wooncomplexen met unieke community-concepten die aansluiten bij de behoeftes van specifieke doelgroepen. In 2013 is Change opgericht vanuit de behoefte van haar oprichter om zijn kennis uit het bedrijfsleven in te zetten ten behoeve van de maatschappelijke kant van de samenleving, meer specifiek om lager of middelbaar opgeleide werkende jongeren tussen 18 en 30 jaar (door Change ook wel aangeduid als ‘werkende MBO’ers’) te ondersteunen en een verbeterd toekomstperspectief te bieden door middel van haar community’s. De oorsprong van het concept Change= is gelegen in de constatering dat de werkende MBO’er maatschappelijk gezien niet dezelfde status heeft als een studerende leeftijdsgenoot. In de grote steden zoals Amsterdam moeten zij bovendien vaak meer dan 10 jaar wachten op een geschikte huurwoning. Om deze ‘werkende MBO’er’ te ondersteunen in de maatschappij, is Change= begonnen met haar wooncomplexen met unieke community-concepten. Bij de community concepten draait het niet alleen om de woning, de huisvesting is geen doel op zich, maar gaat het om de totale keten van wonen. Change= gaat uit van het concept “werken, wonen, leren, leven, zorg en veiligheid”. Het gedachtegoed achter en de totstandkoming van het Change= concept is onder meer ook uitgewerkt in: (a) het basisboek Change= (april 2013), (b) de folder Directing social dynamics towards social capital, (c) het Change= Beheer & Veiligheidsplan 2014-2015 en (d) een illustratief krantenartikel. Onderdeel van dit plan zijn ook de veiligheidsaspecten die een rol spelen bij de toepassing van het Change= concept. Change= kijkt naar de totale keten van woonlasten en de primaire- en secundaire levensbehoeften van haar doelgroep, met als doelstelling de kosten van de afzonderlijke componenten voor de bewoners en daarmee ook de totale kosten voor c.q. uitgaven van de bewoners te verlagen. Tegen lage lasten worden kwalitatief hoogwaardige woningen én een sociaal goed functionerende leefomgeving geboden. Bij de community-concepten komen services kijken. Het leveren van specifieke diensten aan de bewoners van de Change= wooncomplexen valt onder deze services. Bij haar wooncomplexen en community-concepten is door Change= een duidelijke scheiding aangebracht tussen (i) traditioneel beheer en (ii) aanvullende communitydiensten en faciliteiten. Ad (i) elementen van het traditionele beheer Hieronder vallen huur, servicekosten en de levering van warmte, water en elektriciteit. De hiermee samenhangende kosten brengt de verhuurder in rekening. Die verhuurder is in de regel een eindbelegger, die na (verhuurde) turnkey oplevering van een door Change= ontwikkeld woonproject het project verwerft en aldus verhuurder wordt. Aldus zijn door Change= in Amsterdam West en in Amsterdam Zuid-Oost wooncomplexen ontwikkeld en na oplevering aan eindbeleggers verkocht die het verhuurderschap van Change= hebben overgenomen. De betreffende eindbeleggers/verhuurders zijn niet op enigerlei wijze aan Change= gelieerd. Ad (ii) aanvullende communitydiensten en faciliteiten De aanvullende communitydiensten en faciliteiten hebben betrekking op de woonomgeving, toegespitst op haar eigen community-concept. Zo levert Change= de studio’s in haar wooncomplexen sleutelklaar op, waardoor de bewoners direct woongenot hebben van hun studio. Een studio is geheel geschilderd en schoongemaakt, heeft zonwerende verduisteringsgordijnen, een laminaatvloer, een spijkerlat (om zonder schade aan de muur schilderijen te kunnen ophangen) en is voorzien van een wasmachineaansluiting en -kraan. Ook speelt de sociaal-maatschappelijke begeleiding van de bewoners een belangrijke rol bij het community-beheer, omdat vaak bij andere (sociale) woonprojecten is gebleken dat hier problemen bij kunnen ontstaan. Change= zorgt ervoor dat haar bewoners worden gefaciliteerd door een team op locatie met een bemande receptie, een administratief medewerker, een community manager, beveiliging, woonconsulenten, een dagelijks actieve schoonmaakdienst (van 09.00 tot 23.00 uur en ook in de weekenden), een klusjesman en facility management. In de wooncomplexen, waaronder het gehuurde, waar het Change= concept toegepast wordt, verzorgt een aan Change= gelieerde entiteit de communitydiensten en faciliteiten en brengt de kosten daarvan in rekening aan de huurders. Dit blijft Change= doen, ook nadat het gebouw en in dit geval het complex is overgedragen aan een nieuwe vastgoedeigenaar/verhuurder. De aanvullende communitydiensten zijn noodzakelijk om te waarborgen dat de Change= wooncomplexen blijvend een hoogwaardige, innovatieve en sociale leefomgeving blijven bieden, juist aan de doelgroep waarop Change= zich richt. Deze “vergeten” groep is de afgelopen 50 jaar niet bediend geweest. Verschil (i) traditioneel beheer en (ii) aanvullende communitydiensten en faciliteiten Het verschil tussen traditioneel beheer en de aanvullende communitydiensten en faciliteiten komt mede tot uitdrukking in de afrekening van de verschillende kosten voor de bewoners van de wooncomplexen. Voor de afrekening van de aanvullende communitydiensten en faciliteiten sluit Change=, niet zijnde de verhuurder, een aparte Membership Community Overeenkomst met de bewoners van de wooncomplexen. Als gezegd is de vastgoedeigenaar/verhuurder (kort) na (verhuurde) oplevering van de wooncomplexen een niet aan Change= gelieerde entiteit, terwijl de communitydiensten en faciliteiten wel door een (of meerdere) Change= entiteit(en) worden geleverd. De servicekosten (i) en de kosten voor de aanvullende communitydiensten en faciliteiten (ii) worden apart in rekening gebracht aan de bewoners van de Change= wooncomplexen. De drie elementen die onder deze Comnunity Membership Overeenkomst vallen zijn onder meer (i) het Community Membership, (ii) High Speed Internet in de woning en (iii) het Home Interieur Pakket. Aangezien het apart in rekening brengen van de servicekosten en kosten voor de communitydiensten geheel nieuw was en als zodanig nog niet werd toegepast, heeft Change= de Woonbond in 2017 hierover om een oordeel gevraagd. In haar rapport van maart/april 2018 plaatst de Woonbond enige kanttekeningen, echter zij accepteert een dergelijke scheiding van servicekosten enerzijds en kosten voor de communitydiensten en faciliteiten anderzijds. Change= is in 2013 begonnen met de ontwikkeling van het eerste community project in Amsterdam Nieuw-West aan het August Allébeplein. Betreffende deze locatie loopt een separate procedure, waarbij 250 eisers een vordering aanhangig hebben gemaakt. Dit community project is in januari 2017 opgeleverd en in het voorjaar 2017 aan een derde, niet gelieerde, partij overgedragen conform vooraf vastgelegde afspraken met de banken, eindbelegger en de gemeente Amsterdam. In 2014 is Change= begonnen met de ontwikkeling van het onderhavige complex als tweede project waarin Change= haar concept toepast. In het complex verhuurt de eigenaar 600 zelfstandige studio’s van circa 30 m2. Change= heeft in 2019 een volgend project in aanbouw genomen volgens het community concept, in Utrecht Leidsche Rijn. Momenteel ontwikkelt Change= haar concept ook in Enschede en is Change= in gesprek met de gemeenten Rotterdam, Maastricht, Eindhoven, Veldhoven, Tilburg en Den Haag om haar concept daar ook uit te rollen. Change= wordt actief aangezocht door gemeenten en woningcorporaties ter ontwikkeling van soortgelijke complexen omdat Change= de woonbehoefte van de specifieke doelgroepen beter kan adresseren en beheren met het Change= concept dan regulier gedaan wordt aldus steeds Change=Amsterdam2 c.s. 13. Change=Amsterdam2 c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd tegen alle onderdelen van de vorderingen van [eiseres] . Dit verweer zal, voor zover van belang, hierna worden besproken en beoordeeld. Beoordeling 14. De kantonrechter stelt voorop dat de wetsartikelen die in deze zaak relevant zijn, de artikelen 7:237, 7:259 en 7:264 BW, alsmede het Besluit Servicekosten, alle van dwingend recht zijn. 15. De kantonrechter oordeelt dat het ten deze gaat om bedingen in de zin van artikel 7: 264 BW. De bedingen zijn immers gemaakt in verband met de totstandkoming van de huurovereenkomst tussen Change=Amsterdam2 en [eiseres] . 16. De kantonrechter is voorts van oordeel dat alle bedingen in de community overeenkomst, die leiden tot een maandelijkse betalingsverplichting van [eiseres] , onredelijk zijn in de zin van artikel 7:264 BW. Dit is het geval, alleen al omdat [eiseres] enkel een huurovereenkomst kon aangaan met Change=Amsterdam2 als zij tegelijkertijd ook de community overeenkomst sloot met Change=Vastgoed Beheer en Change=Shared Services. Deze verplichting maakt dat er een niet redelijk voordeel is overeengekomen. Daarom zijn deze bedingen nietig. Het door Change=Amsterdam2 c.s. genoemde arrest van het hof Den Bosch kan hieraan niet afdoen, alleen al omdat het hof niet getoetst heeft aan artikel 7:264 BW. 17. Voorts wordt overwogen dat alle door Change=Vastgoed Beheer en Change=Shared Services geleverde zaken en diensten, waarvoor betaald moet worden, servicekosten zijn in de zin van artikel 7:237 BW. Het gaat immers om een vergoeding voor de overige zaken en diensten die geleverd worden in verband met de bewoning van de woonruimte. Het begrip “in verband met” dient naar het oordeel van de kantonrechter ruim worden uitgelegd. Van belang daarbij is dat zowel uit de parlementaire geschiedenis als het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BV1767) volgt dat de ratio van artikel 7:264 lid 1 BW gelegen is in de beschermingsgedachte van de (aspirant) huurder ten opzichte van de verhuurder. Het is vaste rechtspraak dat kosten die geacht worden inherent te zijn aan de normale woningexploitatie niet (extra) afzonderlijk aan de huurders in rekening mogen worden gebracht. 18. Ingevolge de community overeenkomst heeft [eiseres] aan Change=Vastgoed Beheer en Change= Shared Services betaald voor a) het community lidmaatschap, b) het home interieur pakket en c) internet in het gehuurde. Wat [eiseres] hiervoor kreeg staat bij de feiten onder 1.11, 1.12 en 1.13. 19. Ad a) Community team op locatie. Hierover heeft [eiseres] terecht aangevoerd dat het gaat om beheerwerkzaamheden waarvoor al wordt betaald, zie bijlage 8 servicekosten, de nummers 44 (facilitair medewerker/klusjesman, 44 (huismeester) en 48 (gebouwbeheer en surveillance). Ook staan deze diensten vermeld in het Besluit Servicekosten. Gemeenschappelijke huiskamer en flexwerkplekken. Hierover wordt geoordeeld dat de vergoeding voor het gebruik van de huiskamer en de flexplekken in de kale huurprijs moeten zitten, omdat het onroerende zaken zijn, die onderdeel zijn van het gebouw. De inrichting van deze ruimten valt onder de servicekosten, zie bijlage 8, 46 (inrichting algemene ruimtes) en het Besluit Servicekosten. Internet algemene ruimten. Terecht heeft [eiseres] erop gewezen dat deze al in de servicekosten zitten, zie bijlage 8, 41 (signaallevering en datainstallatie) en het Besluit Servicekosten. Optionele diensten. Hier heeft [eiseres] geen bezwaar tegen gemaakt, naar aan te nemen valt omdat deze diensten optioneel zijn, en dus niet hoeven te worden afgenomen. En voorts wordt nog overwogen dat al deze zaken en diensten vallen onder het bij 10 van het Besluit Servicekosten vermelde: “de in dit besluit bedoelde zaken en diensten ten behoeve van het krachtens de huurovereenkomst gegeven gebruiksrecht van gemeenschappelijke gedeelten”. 20. Ad b) Laminaat op de vloer, spijkerlat en wasmachine aansluiting. Voor deze drie zaken geldt dat zij niet roerend zijn en daarom moeten worden verdisconteerd in de kale huurprijs. Naar het oordeel van de kantonrechter kan hieraan niet afdoen de stelling van Change=Amsterdam 2 c.s. dat dit pakket substantieel goedkoper is dan wanneer [eiseres] dit via de commerciële markt zou hebben moeten kopen, omdat het onderhavige pakket is aangeboden tegen kostprijs. Terecht heeft [eiseres] voorts aangevoerd dat de gordijnen roerend zijn en daarom vallen onder de servicekosten, zie het Besluit Servicekosten. 21. Ad c) Internet in het gehuurde. Ook deze dienst zit naar het oordeel van de kantonrechter al in de servicekosten, zie bijlage 8, 41 (signaallevering en datainstallatie) en het Besluit Servicekosten. 22. Uit het bovenstaande volgt dat [eiseres] er naar het oordeel van de kantonrechter terecht op heeft gewezen dat alle zaken en diensten vallen onder het begrip servicekosten. Dit heeft tot gevolg dat voor de hoogte van de servicekosten geldt dat deze het bedrag beloopt dat tussen huurder en verhuurder is overeengekomen (artikel 7:259 BW), en bij een geschil hierover de zaak aan de huurcommissie kan worden voorgelegd (artikel 7:260 BW), en daarnaast eventueel ook aan de kantonrechter. Geoordeeld wordt dat dit hier ook de verplicht te bewandelen weg is. In dit verband overweegt de kantonrechter dat Change=Amsterdam2 c.s. in deze zaak geen vordering (in reconventie) hebben ingediend strekkende tot het vaststellen van de betalingsverplichting, terwijl de onderliggende gegevens daarvoor ook niet zijn aangeleverd. Een beslissing op dit punt krijgen Change=Amsterdam2 c.s. dan ook niet. 23. De kantonrechter wil Change=Amsterdam2 c.s. niet van kwaad opzet beschuldigen, maar feit is wel dat zij met de door hen bewandelde route de kosten die zij in de community overeenkomst met de huurders in rekening brengen, onttrekken aan de toetsing van de huurcommissie (en de kantonrechter). De wetgever heeft dit nu juist willen tegengaan. Daarom kunnen Change=Amsterdam2 c.s. niet worden gevolgd in hun redenering dat het in rekening brengen van € 118,- per maand voor geleverde zaken en diensten is toegestaan, omdat zij het Change=concept volgen, dat volgens Change=Amsterdam2 c.s. uit de elementen werken, wonen, lezen, leven en zorg en veiligheid bestaat. 24. Volgens Change=Amsterdam2 c.s. is de kern van het takenpakket het verzorgende karakter ervan. De taak van een community manager van Change= verschilt daarom volgens hen wezenlijk van die van een facilitair manager en die van een huismeester. Ook dit argument van Change=Amsterdam2 c.s. wordt gepasseerd. Verwezen wordt naar hetgeen onder 6. (huismeester) in het Besluit Servicekosten is vermeld (zie onder 1.12). Vastgesteld moet worden dat dit een ruime omschrijving omvat, en dat de taken van de huismeester beschreven worden in het kader van toezicht, veiligheid en personele ondersteuning bij de bewoning. Specifiek wordt nog verwezen naar het genoemde onder 6, e van het Besluit. Tijdens de descente is gebleken dat Change=Amsterdam c.s. de veiligheid hoog in het vaandel hebben en daar veel aandacht aan hebben besteed. Dit is echter niet zodanig dat een en ander niet meer zou vallen onder de beschrijving van de taken van de huismeester op dit punt. 25. De kantonrechter is het dan ook niet eens met Change=Amsterdam2 c.s. en de Woonbond dat uitsplitsing van de taken van de facilitair manager ertoe kan leiden dat (een deel van) de kosten hiervoor middels de community overeenkomst bij huurders in rekening mag worden gebracht. 26. De kantonrechter is voorts van oordeel dat de kosten van de door Change=Vastgoed Beheer en Change=Shared Services in rekening gebrachte zaken en diensten temeer onredelijk zijn, in de gevallen dat het gaat om zaken en diensten, die volgens de huurovereenkomst (bijlage 8) ook al vallen onder de door Change=Amsterdam2 in rekening gebrachte servicekosten. Het gaat daarbij in elk geval om 41 signaallevering en datainstallatie 44 facilitair manager/klusjesman 44 huismeester 46 inrichting algemene ruimtes 48 gebouwbeheer en surveillance. 27. Gelet op al het bovenstaande zijn de vorderingen van [eiseres] toewijsbaar, zoals hierna te bepalen. 28. Nu het primair gevorderde wordt toegewezen, behoeft het subsidiair gevorderde geen bespreking meer. 29. Change=Amsterdam2 c.s. zijn in het ongelijk gesteld en zullen daarom in de kosten worden veroordeeld. BESLISSING De kantonrechter: verklaart voor recht dat het beding, dat [eiseres] bij het aangaan van de huurovereenkomst met Change=Amsterdam2 verplichtte een aparte community overeenkomst aan te gaan met Change-Vastgoed Beheer en Change=Shared Services, waarvoor [eiseres] maandelijks € 118,- diende te betalen, op grond van artikel 7:264 BW onredelijk is; verklaart het onder I bedoelde beding nietig; veroordeelt Change=Amsterdam2 c.s. hoofdelijk tot betaling aan [eiseres] van: - 8 x € 118,- = € 944,- aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 april 2020 tot aan de voldoening; - € 171,34 aan buitengerechtelijke incassokosten; veroordeelt Change=Amsterdam2 c.s. hoofdelijk in de kosten van deze procedure aan de zijde van [eiseres] , tot op heden begroot op explootkosten € 100,89 vastrecht € 236,- salaris gemachtigde € 504,- ------------ + in totaal € 840,89 inclusief eventueel verschuldigde btw; veroordeelt Change=Amsterdam2 c.s. hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 62,- aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,- en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat Change=Amsterdam2 c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis hebben voldaan en betekening van het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden; verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. T.M.A. van Löben Sels, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2021 in tegenwoordigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter
ECLI:NL:RBONE:2013:BZ3422
De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 3 augustus 2012 en de daarin genoemde processtukken - de door de gemachtigde van ZZG per fax op 8 oktober 2012 toegezonden producties - de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen van 9 oktober 2012 - de akte uitlating van ZZG op de rol van 30 november 2012 dat geen minnelijke regeling tussen partijen is getroffen. 2 De feiten 2.1 De stichting Stichting Oosterpoort Wooncombinatie (hierna: Oosterpoort) heeft per 24 februari 2011 de woning te [adres] (hierna: de woning) aan [huurder] verhuurd. 2.2 In artikel 3 van de schriftelijke huurovereenkomst, die Oosterpoort en [huurder] op 24 februari 2011 hebben ondertekend, is bepaald, voor zover hier van belang:
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Cluster I Civiele kantonzaken Breda zaak/rolnr.: 9166957 CV EXPL 21-1529 vonnis d.d. 14 december 2022 inzake 1. de vereniging Huurdersbelangenvereniging [adres eiser 1] ,2. [eiser 2] , wonende te [adres eiser 2 en 3] ,3. [eiser 3], wonende te [adres eiser 2 en 3] , eisers, gemachtigde: mr. E.A.S. van Spanje, advocaat te Bussum, tegen de stichting Stichting Surplus Zorg, statutair gevestigd te Breda, gedaagde, gemachtigde: mr. J.A. Vermeeren, advocaat te Etten-Leur. Eisers zullen hierna gezamenlijk (in vrouwelijk enkelvoud) HBV c.s. worden genoemd en afzonderlijk HBV, de heer [eiser 2] en mevrouw [eiser 3] . Gedaagde zal hierna Surplus Zorg worden genoemd.

1Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken: a. het tussenvonnis van 7 september 2022 en de daarin genoemde processtukken; b. de akte uitlaten na vonnis van Surplus Zorg met producties; c. de antwoordakte van HBV c.s. met producties; d. de rolbeslissing van 19 oktober 2022; e. de akte uitlaten producties van Surplus Zorg. 2De verdere beoordeling 2.1 Bij tussenvonnis van 7 september 2022 heeft de kantonrechter Surplus Zorg in de gelegenheid gesteld om bij akte te reageren op het door HBV c.s. gedane beroep op artikel 7:264 BW en de opmerkingen van HBV c.s. op hetgeen in het eerdere tussenvonnis van 13 april 2022 onder 3.1 eerste bullet point staat.

Surplus Zorg heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt en een akte genomen, waarop HBV c.s. bij antwoordakte heeft gereageerd. 2.2 Als reactie op de opmerkingen van HBV c.s. op het tussenvonnis van 13 april 2022 onder 3.1 eerste bullet point heeft Surplus Zorg in haar akte bevestigd dat Serviceresidentie Vredenberght niet uit twee bouwdelen bestaat. Zij heeft toegelicht dat bouwdeel 1, [adres] , door Surplus wordt gehuurd van Vesteda en Surplus daarin eigen cliënten en huurders heeft gevestigd alsmede dat huurders van Vesteda wonen in bouwdeel 2, [adres eiser 1] .

Gelet op deze toelichting gaat de kantonrechter ervan uit dat “HBV een vereniging is van 110 leden die wonen in appartementen van bouwdeel 2 aan de [adres eiser 1] , dat Nieuw Vredenbergh is genaamd, welk bouwdeel bestaat uit 124 appartementen die worden gehuurd van Vesteda.” 2.3 Alvorens in te gaan op de reactie van Surplus Zorg op het beroep op artikel 7:264 BW zal worden ingegaan op bepaalde stellingen van HBV c.s. in haar antwoordakte. 2.4 HBV c.s. heeft onder 49 tot en met 58 van haar antwoordakte nieuwe stellingen aan haar vordering ten grondslag gelegd, waartegen Surplus Zorg bezwaar heeft gemaakt.

De kantonrechter stelt vast dat de nieuwe stellingen niet eerder onderdeel van debat zijn geweest. Het in een zo laat stadium van de procedure nog beroepen op nieuwe feitelijke grondslagen die niet eerder ter sprake zijn gekomen, acht de kantonrechter in strijd met de goede procesorde. Op deze nieuwe stellingen zal de kantonrechter dan ook geen acht meer slaan. 2.5 HBV c.s. maakt onder 65 tot en met 67 van haar antwoordakte opmerkingen over de schoonmaakkosten. Zij stelt dat de schoonmaakkosten die in de post “infrastructuur” zijn opgenomen servicekosten zijn, dat Surplus Zorg dit ter zitting heeft bevestigd en dat dit blijkt uit een uitspraak van de kantonrechter van 15 december 2016 (met zaaknummer 4391543 CV EXPL 15-5081).

De kantonrechter begrijpt dat HBV c.s. verzoekt om op de eerder gegeven beslissing over de schoonmaakkosten terug te komen. In het tussenvonnis van 13 april 2022 is een eindbeslissing gegeven over de schoonmaakkosten en in het vervolg van de procedure is de rechter daaraan in beginsel gebonden. De eisen van een goede procesorde brengen echter mee dat de rechter bevoegd is van een dergelijke eindbeslissing terug te komen, als blijkt dat die berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Naar het oordeel van de kantonrechter is daarvan geen sprake.

Bij de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van Surplus Zorg toegelicht dat de schoonmaakkosten zien op het gebouw waar de services worden aangeboden, waaronder de gemeenschappelijke ruimtes, en het geen servicekosten in de zin van de wet zijn. Ook volgt uit de genoemde uitspraak van de kantonrechter te Breda van 15 december 2016 tussen Vesteda en huurders, waarvan de kantonrechter inmiddels kennis heeft genomen nadat er expliciet naar was verwezen, enkel dat het niet redelijk is dat de verhuurder schoonmaakkosten die zien op algemene ruimten van [adres] in rekening brengt omdat die niet tot het gehuurde behoren.

HBV c.s. heeft onder punt 68 nog een lijst van kosten genoemd die volgens haar servicekosten zijn, maar ook ten aanzien daarvan ziet de kantonrechter geen aanleiding om terug te komen op de eerdere beslissing dat het zorgservicekosten zijn. 2.6 Verder maakt HBV c.s. onder 69 tot en met 76 van haar antwoordakte opmerkingen over de afvaldienst, terwijl de kantonrechter in het tussenvonnis van 7 september 2022 al een bindende eindbeslissing heeft gegeven over de kosten daarvan (behoudens btw) en geoordeeld heeft dat die redelijk zijn. HBV c.s. betwist in haar antwoordakte niet dat de hoogte van de kosten van de afvaldienst redelijk is, maar voert aan dat Surplus Zorg die kosten niet mag berekenen omdat het de taak is van verhuurder (Vesteda) om de containers aan de straat te zetten, Vesteda de kosten niet mag doorbelasten omdat zij geen huismeester heeft en er geen kosten van een huismeester, vuilniszakken of containers zijn.

De kantonrechter begrijpt dat HBV c.s. verzoekt om ook op de eindbeslissing dat Surplus Zorg kosten van de afvaldienst mag doorbelasten terug te komen, maar hiervoor ziet zij geen aanleiding. Het is in het belang van de huurders dat het huisvuil aan straat wordt gezet. In dit geval is blijkbaar afgesproken dat Surplus Zorg de werkzaamheden ten aanzien van het huisvuil op zich neemt (door de containers aan straat te laten zetten) en HBV c.s. is hier niet door geschaad. Immers, ofwel Vesteda berekent de kosten voor de afvaldienst door ofwel Surplus Zorg doet dit.

Voor zover HBV c.s. bedoelt te stellen dat er geen kosten van huisvuil mogen worden doorbelast omdat het tot de plicht van de verhuurder hoort om de containers voor huisvuil aan de straat te zetten, kan zij hierin niet gevolgd worden. Dit is immers in beginsel de verantwoordelijkheid van de huurders zelf. 2.7 HBV c.s. noemt onder 78 tot en met 93 van haar antwoordakte nog posten van verschillende componenten die niet in rekening mogen worden gebracht. Dit zijn nieuwe feitelijke grondslagen en ook hier geldt dat het in een zo laat stadium van de procedure nog beroepen daarop in strijd is met de goede procesorde.

De kantonrechter zal hier dan ook geen acht meer op slaan. Artikel 7:264 BW 2.8 Surplus Zorg voert aan dat HBV c.s. geen beroep meer kan doen op artikel 7:264 lid 1 BW ten aanzien van servicekosten in de zin van de wet, en dus de afvaldienst, vanwege het verstrijken van een vervaltermijn van twee jaar na het aangaan van de OBV. De kantonrechter is met HBV c.s. van oordeel dat hier geen vervaltermijn geldt omdat dit niet in de wet is opgenomen, waardoor aan het verweer van Surplus Zorg voorbij wordt gegaan. 2.9 Artikel 7:264 lid 1 BW bepaalt dat elk in verband met de totstandkoming van een huurovereenkomst betreffende woonruimte gemaakt beding nietig is als het niet op de huurprijs betrekking heeft en er ten behoeve van een der partijen een niet redelijk voordeel wordt overeengekomen.

Bedingen over servicekosten, zoals de afvaldienst, zijn - anders dan Surplus Zorg meent - niet uitgesloten van toetsing aan artikel 7:264 BW. De kantonrechter is van oordeel dat er op grond van de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 27 augustus 2019 (ECLI:NL:GHSHE:2019:3185), waar Surplus Zorg naar verwijst en die ziet op dezelfde OBV, niet vanuit kan worden gegaan dat artikel 7:264 lid 1 BW hier toepassing mist. In die uitspraak heeft het Hof namelijk overwogen dat onvoldoende onderbouwd is dat er sprake is van “geen redelijk voordeel” waardoor het beroep op artikel 7:264 BW niet slaagde.

De kantonrechter stelt vast dat de bedingen in de OBV ten aanzien waarvan HBV c.s. de nietigheid inroept steeds bij het aangaan van de huurovereenkomst zijn gesloten en niet op de huurprijs betrekking hebben, zodat aan de eerste twee criteria van artikel 7:264 lid 1 BW is voldaan. Beoordeeld dient daarom alleen te worden of aan het derde criterium wordt voldaan, namelijk of er sprake is van een “niet redelijk voordeel”. 2.10 Het is vaste rechtspraak dat sprake is van een “niet redelijk voordeel” indien tegenover het bedongen voordeel geen of een verwaarloosbare tegenprestatie staat.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 16 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1157) overwogen dat indien de verhuurder tegenover het voordeel dat hij heeft bedongen, een tegenprestatie verricht die uitsluitend of voornamelijk zijn eigen belangen dient, tegenover dat voordeel geen of een verwaarloosbare tegenprestatie staat. Onder dergelijke tegenprestaties moeten mede worden begrepen prestaties die behoren tot de normale woningexploitatie. In beginsel moet iedere tegenprestatie die de verhuurder levert bij het sluiten van de huurovereenkomst afzonderlijk worden beoordeeld.

Als tegenover het door de huurder verschafte voordeel meer dan één tegenprestatie staat, zonder dat de kosten die de huurder betaalt aan de verschillende prestaties zijn toegerekend, kan een afzonderlijke beoordeling echter achterwege blijven als de tegenprestaties samen ‘onmiskenbaar’ voor de huurder zodanige baten opleveren dat het bedongen voordeel niet onredelijk is. 2.11 Verder heeft de Hoge Raad overwogen dat een onderzoek met het oog op artikel 7:264 BW bestaat uit twee stappen. Als eerste stap moet de vraag worden beantwoord of de aard van de door de verhuurder geleverde prestatie zodanig is dat het niet redelijk is dat de kosten daarvan geheel of gedeeltelijk door de huurder worden gedragen.

Indien de aard van de prestatie zich niet ertegen verzet dat de kosten daarvan aan de huurder in rekening worden gebracht, moet vervolgens de vraag worden beantwoord of de hoogte van het door de huurder verschafte voordeel niet redelijk is. 2.12 De kantonrechter begrijpt dat HBV c.s. in haar antwoordakte onder 14 stelt dat er sprake is van een niet redelijk voordeel vanwege het enkele feit dat de huurovereenkomst tussen de bewoners van HBV en Vesteda alleen tot stand kon komen als er een OBV met Surplus Zorg werd aangegaan. Zij verwijst daartoe naar een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 juni 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:3097).

In dit vonnis is geoordeeld dat sprake was van een niet redelijk voordeel, reeds omdat de huurders enkel een huurovereenkomst konden aangaan als zij tegelijkertijd ook de dienstenovereenkomst met de verhuurder sloten. De kantonrechter overweegt dat dit oordeel in ieder geval waar het gaat om diensten op het gebied van zorg, niet in lijn is met andere rechtspraak (zie onder meer het eerder genoemde arrest van het Hof ’s-Hertogenbosch van 27 augustus 2019 en het vonnis van de rechtbank Oost-Nederland van 1 maart 2013, ECLI:NL:RBONE:2013:BZ3422).

Doordat de leden de mogelijkheid hebben van de services en diensten gebruik te maken en die ten voordele van hen zijn, kan niet bij voorbaat geconcludeerd worden dat Surplus Zorg door het enkele sluiten van de OBV een niet redelijk voordeel geniet. Dit verweer wordt daarom verworpen. 2.13 HBV c.s. stelt verder dat het niet redelijke voordeel van Surplus Zorg bestaat uit ten onrechte in rekening gebrachte btw en afschrijvingskosten, waarop hierna zal worden ingegaan. Btw 2.14 HBV c.s. stelt dat Surplus Zorg ten onrechte btw in rekening heeft gebracht bij de componenten receptie/bewonerszaken en noodhulp/beschikbaarheidsdienst, terwijl die vallen onder de btw-vrijstelling.

Surplus Zorg betwist dat er btw in rekening is gebracht en voert aan dat het tarief van € 175,00 per huurder per maand niet kostendekkend is, haar netto-opbrengst € 155,10 per huurder per maand is en zij een verlies heeft van € 24,58 per huurder per maand. Surplus Zorg verwijst daarbij naar de producties 8 tot en met 10. 2.15 De kantonrechter overweegt dat Surplus Zorg ter onderbouwing van haar stelling dat zij er aanvankelijk vanuit ging dat geen van de componenten was belast met btw als productie 8 een brief van 2 augustus 2019 van haar aan HBV (met aangehecht een brief van de belastingdienst van 18 april 2016) en als productie 9 een berekening van de netto opbrengst van Surplus Zorg per huurder per maand heeft overgelegd.

In de brief van de belastingdienst is vermeld dat in het verleden geen btw in rekening is gebracht of voldaan, hetgeen erop wijst dat Surplus Zorg ervan uitging dat zij geen btw was verschuldigd. Dit wordt bevestigd door de als productie 9 overgelegde berekening, waarin een opsomming is gegeven van de achteraf afgedragen btw, en de aan HBV gerichte brief van 2 augustus 2019. Daarmee heeft Surplus Zorg naar het oordeel van de kantonrechter voldoende onderbouwd dat Surplus Zorg bij het bepalen van het maandelijkse tarief van € 175,- geen rekening heeft gehouden met de verschuldigdheid van btw.

In het licht van deze onderbouwing heeft HBV c.s. onvoldoende gemotiveerd gesteld dat dit anders is. De verwijzing naar het stuk getiteld “raming van de servicebijdrage 2015” (bijlage 2 bij het als productie 4 bij dagvaarding overgelegde rapport van mr. [naam 2] van 17 december 2020), meer in het bijzonder de zin “Aangezien de servicebijdrage ad € 175,- onderdeel is van de met BTW belaste omzet bedraagt de netto-exploitatieopbrengst voor Surplus Comfort vanaf 2015 slechts € 145,00”, en de excelsheet van 13 april 2018 (bijlage 4 bij het eerder genoemde rapport van mr. [naam 2] ) is daartoe onvoldoende, nu uit deze stukken niet volgt dat Surplus Zorg bij het bepalen van het maandelijkse tarief uitging met de verschuldigdheid van btw over alle componenten. 2.16 De componenten receptie/bewonerszaken en noodhulp/beschikbaarheidsdienst horen niet tot de normale woonexploitatie en zij strekken ten voordele van de huurder, zodat het in beginsel niet onredelijk is dat Surplus Zorg daarvoor aan de huurders een vergoeding vraagt.

De kantonrechter begrijpt dat dit ook niet in geschil is nu HBV c.s. slechts een deel van de vergoeding terugvordert. Beoordeeld dient dan ook te worden of de hoogte van het door de huurders verschafte voordeel niet redelijk is. 2.17 Uit het door Surplus Zorg als productie 9 overgelegde overzicht blijkt dat Surplus Zorg voor de component receptie/bewonerszaken € 28,55 per maand per huurder en voor de component noodhulp/beschikbaarheidsdienst € 31,78 per maand per huurder aan baten ontvangt. Verder blijkt uit dat overzicht dat de kosten van beide componenten € 25,22 respectievelijk € 32,01 per maand per huurder zijn.

Surplus Zorg wijst ook naar een ander overzicht van haar dat HBV c.s. als productie 14 heeft overgelegd. De kantonrechter gaat ervan uit dat het bij productie 14 overgelegde overzicht met de titel “Opzet Overeenkomst (…) (prijspeil 2016-17)” met de specificatie daarachter van de infrastructuur bedoeld is. HBV c.s. heeft als reactie op de overzichten gesteld dat Surplus Zorg geen tot onvoldoende inzicht heeft gegeven in de kosten en de overgelegde overzichten niet te verifiëren zijn. De kantonrechter volgt HBV c.s. daarin niet nu er een overzicht met kosten en baten is overgelegd met verwijzing naar een specificatie.

Het had op de weg van HBV c.s. gelegen om concreet aan te geven waarom de cijfers in twijfel worden getrokken. HBV c.s. heeft dat niet gedaan, zodat de cijfers voor juist worden gehouden. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat Surplus Zorg bij de component noodhulp/beschikbaarheidsdienst een verlies heeft van € 0,23 per huurder per maand en daar dus geen sprake is van een voordeel voor Surplus Zorg, laat staan een niet redelijk voordeel. Bij de component receptie/bewonerszaken heeft Surplus Zorg wel een voordeel van € 3,33 per huurder per maand.

De tegenprestaties samen bij de component receptie/bewonerszaken leveren evenwel heel duidelijk voordeel op voor de huurders, waardoor de baten van de huurders afgezet tegen het relatief geringe bedrag aan voordeel voor Surplus Zorg hier naar het oordeel van de kantonrechter niet onredelijk is. Gelet hierop kan een afzonderlijke beoordeling van de prestaties bij de component receptie/bewonerszaken, waaronder de afvaldienst, achterwege worden gelaten. 2.18 Nu er gelet op hetgeen in rechtsoverweging 2.15 is overwogen niet vanuit kan worden gegaan dat Surplus Zorg btw in rekening bracht bij HBV c.s. voor de twee componenten, zal de verdere discussie tussen partijen over voorbelasting verder in het midden worden gelaten. 2.19 HBV c.s. stelt onder 38 en 39 van haar antwoordakte nog dat de belastingdienst in de brief van 18 april 2016 van onjuiste informatie uitgaat.

Nog daargelaten dat dit een nieuwe stelling is, terwijl zij de brief van 18 april 2016 al bij dagvaarding heeft overgelegd en daarmee toen bekend was, is onduidelijk welke gevolgtrekking dit volgens HBV c.s. moet hebben, zodat hieraan voorbij wordt gegaan. Afschrijvingskosten 2.20 HBV c.s. stelt dat Surplus Zorg ten onrechte afschrijvingskosten voor de keuken in rekening blijft brengen als de investering al tot nihil is afgeschreven. In het rapport van drs. [naam 1] (productie 5 bij dagvaarding) is vermeld dat het naast de keuken gaat om de sauna, fitness en multifunctionele ruimte.

Verder stelt HBV c.s. dat er vanwege de keuze voor afschrijving geen voorziening meer kan worden getroffen zoals Surplus Zorg onder randnummer 22 van haar akte stelt. Surplus Zorg betwist dat er ten aanzien van de afschrijvingskosten sprake is van een niet redelijk voordeel. Surplus Zorg voert aan dat het enkele feit dat de oprichtingskosten voor een restaurantkeuken zijn afgeschreven, niet betekent dat er geen kosten mogen worden berekend voor het in standhouden alsmede voor herstel en vernieuwing. 2.21 De kantonrechter stelt vast dat de afschrijvingskosten waar partijen over verschillen zien op de keuken ten behoeve van het restaurant, sauna, fitness en multifunctionele ruimte en horen bij de component infrastructuur.

Niet in geschil is dat het redelijk is dat de huurders hiervoor in de kosten bijdragen, maar wel of nog steeds afschrijvingskosten in rekening mogen worden gebracht nadat de infrastructuur boekhoudkundig al is afgeschreven. Naar het oordeel van de kantonrechter is het hier gerechtvaardigd dat de afschrijvingskosten worden doorberekend na volledige afschrijving. Dit omdat er sprake is van een doorlopende overeenkomst die niet na (iedere) aanschaf wordt aangepast. Verder is het in rekening brengen van afschrijvingskosten en kosten voor onderhoud van de keuken naar het oordeel van de kantonrechter hier niet dubbel op omdat beiden van elkaar verschillen.

De afschrijvingskosten zien op boekhoudkundig af te boeken kosten voor een aangekochte keuken en hebben als doel die kosten te spreiden, terwijl de kosten voor onderhoud zien op tussentijdse herstel- en onderhoud van de keuken. HBV c.s. heeft eerder in de procedure gesteld dat er in 2015 ten onrechte € 26,90 per maand per huurder aan afschrijvingskosten is berekend en dat dat buitensporig is, maar nu dat op een ander overzicht is gebaseerd dan het overzicht met de titel “Opzet Overeenkomst (…) (prijspeil 2016-17)” – en daarachter gevoegde specificatie van kosten van infrastructuur – waarvan in deze procedure uit wordt gegaan, wordt voorbij gegaan aan die stelling.

Immers, de specificatie van kosten van infrastructuur gaat uit van dezelfde investeringen (in 2013) en de daarop vermelde posten en bedragen heeft HBV c.s. onvoldoende betwist. De kantonrechter stelt vast dat op productie 9 als kosten van infrastructuur een bedrag van € 83,33 per maand per huurder is vermeld, terwijl op de “Opzet Overeenkomst (…) (prijspeil 2016-17)” een bedrag van € 69,28 en schoonmaakkosten van € 9,42 zijn vermeld, zodat uitgegaan zal worden van een bedrag van € 78,70 aan kosten bij de component infrastructuur. Rekening houdend met de netto-opbrengst voor Surplus Zorg van € 66,32 is er dan sprake van een verlies van € 12,38.

Nu alle prestaties samen onder de component infrastructuur op de OBV geheel ten voordele komen van de huurders en de kosten hoger zijn dan de baten is geen sprake van een niet redelijk voordeel voor Surplus Zorg. 2.22 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er geen sprake is van nietige bedingen als bedoeld in artikel 7:264 BW. 2.23 In het tussenvonnis van 7 september 2022 is de beslissing over de btw in de afvalservicekosten op grond van artikel 7:259 BW aangehouden en hierop zal de kantonrechter dan ook nog beslissen. Nu is komen vast te staan dat Surplus Zorg bij het vaststellen van het tarief ervan uitgegaan is dat er geen btw is verschuldigd, is er geen sprake van het voor zichzelf houden van een btw-voordeel door Surplus Zorg.

Ook voor wat betreft de btw in de afvalservicekosten ziet de kantonrechter daarom geen aanleiding voor het oordeel dat deze kosten niet redelijk zijn. 2.24 HBV c.s. stelt primair dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Op grond van artikel 6:212 BW is degene die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, slechts verplicht de schade van die ander te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking, voor zover dat redelijk is. Voor zover er al sprake zou zijn van enige verrijking van Surplus Zorg acht de kantonrechter het niet redelijk dat zij de schade die HBV c.s. zou lijden vergoedt.

Immers, er is sprake van een maandelijkse bijdrage van € 175,00 waarvan Surplus Zorg volgens productie 9 effectief, na aftrek van verschuldigde btw over drie componenten, een bedrag van € 155,10 overhoudt. Rekening houdend met de kosten geldt dat er sprake van een verlies voor Surplus Zorg. De primaire grondslag kan dan ook niet slagen. 2.25 Subsidiair vordert HBV c.s. betaling op grond van onverschuldigde betaling. Op grond van artikel 6:203 BW is degene die een ander zonder rechtsgrond een goed heeft gegeven, gerechtigd dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug te vorderen.

Hiervoor is overwogen dat er geen sprake is van een nietig beding als bedoeld in artikel 7:264 BW waardoor er aldus een rechtsgrond tot betaling is, namelijk betaling op grond van de gesloten OBV. Dit betekent dat ook de subsidiaire grondslag niet slaagt. 2.26 HBV c.s. heeft in haar laatste akte expliciet gesteld zich ook te beroepen op ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling, maar niets meer over de eerdere meer subsidiaire grondslag van onrechtmatige daad gesteld. De kantonrechter gaat er echter vanuit dat HBV c.s. zich meer subsidiair nog steeds op een onrechtmatige daad beroept en stelt dat het onrechtmatig is dat Surplus Zorg componenten voor eigen rekening heeft genomen.

Zoals eerder overwogen, is hiervan echter geen sprake nu de kosten de baten overtreffen en het tot verlies leidt bij Surplus Zorg. Ook deze grondslag slaagt daarom niet. 2.27 Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van HBV c.s. geheel worden afgewezen. 2.28 HBV c.s. zal hoofdelijk als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, welke tot op heden aan de zijde van Surplus Zorg worden begroot op € 4.980,00 (4 punten x € 1.245,00) aan salaris voor de gemachtigde van Surplus Zorg. 2.29 De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten worden toegewezen op de in het dictum vermelde wijze.

3De beslissing

De kantonrechter: 3.1 wijst de vorderingen af; 3.2 veroordeelt HBV c.s. hoofdelijk, des de één betalende de ander in zoverre zal zijn bevrijd, in de kosten van dit geding, aan de zijde van Surplus Zorg tot op heden begroot op € 4.980,00 vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, als niet binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot betaling wordt overgegaan, met ingang van de 15e dag na betekening van dit vonnis; 3.3 veroordeelt HBV c.s hoofdelijk, des de één betalende de ander in zoverre zal zijn bevrijd, in de kosten die zijn ontstaan na dit vonnis, begroot op: € 124,00 aan salaris gemachtigde, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis is voldaan, en de explootkosten van betekening van dit vonnis, als er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden; 3.4 verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling tot zover uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2022.