Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2022:7399 ECLI:NL:RBZWB:2022:7399 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2022:7399 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2022:7399
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Middelburg Belastingrecht zaaknummer: BRE 20/9032 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2022 in de zaak tussen [belanghebbende] uit [plaats], belanghebbende, en de heffingsambtenaar van SaBeWa Zeeland, de heffingsambtenaar, en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat. 1Inleiding 1.1. Bij beschikking van 29 februari 2020 (hierna: de WOZ-beschikking) is de waarde van de woning gelegen aan de [adres] in [plaats] (hierna: de woning) voor het jaar 2020 vastgesteld op € 345.000.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2022:7399 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Partijen hebben ter zitting overeenstemming bereikt over de vaststelling van de waarde van de woning voor het jaar 2020 op € 325.000. 2.2. De rechtbank zal overeenkomstig het voorgaande beslissen en het beroep gegrond verklaren. 2.3. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg bedraagt als regel een periode van twee jaar. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ontvangen op 29 februari 2020.

Keywords

AI generated
market value of property housing costs valuation threshold value foreign property valuation market price price of land

Cited Case Law

AI generated
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Middelburg Belastingrecht zaaknummer: BRE 20/9032 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2022 in de zaak tussen [belanghebbende] uit [plaats], belanghebbende, en de heffingsambtenaar van SaBeWa Zeeland, de heffingsambtenaar, en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat. 1Inleiding 1.1. Bij beschikking van 29 februari 2020 (hierna: de WOZ-beschikking) is de waarde van de woning gelegen aan de [adres] in [plaats] (hierna: de woning) voor het jaar 2020 vastgesteld op € 345.000.

Tegelijk is ook een aanslag onroerende-zaakbelastingen opgelegd. 1.2. Bij uitspraak op bezwaar van 8 september 2020 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende tegen de WOZ-beschikking ongegrond verklaard. 1.3. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 2 november 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen als gemachtigde van belanghebbende H.J. van Zelst (Previcus) en als heffingsambtenaar [heffingsambtenaar] en [heffingsambtenaar]. 2Beoordeling door de rechtbank 2.1.

Partijen hebben ter zitting overeenstemming bereikt over de vaststelling van de waarde van de woning voor het jaar 2020 op € 325.000. 2.2. De rechtbank zal overeenkomstig het voorgaande beslissen en het beroep gegrond verklaren. 2.3. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg bedraagt als regel een periode van twee jaar. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ontvangen op 29 februari 2020.

De rechtbank doet uitspraak op 9 december 2022. De redelijke termijn is daarmee overschreden met (afgerond) 10 maanden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding van € 1.000. Voor de verdeling van de schadevergoeding tussen de heffingsambtenaar (bezwaarfase) en de Staat (beroepsfase) geldt het volgende. De bezwaarfase is geëindigd met het op de voorgeschreven wijze bekendmaken van de uitspraak op bezwaar op 8 september 2020. De bezwaarfase heeft daarmee afgerond 7 maanden geduurd, waarmee de redelijke termijn voor de bezwaarfase met 1 maand is overschreden.

Het restant wordt toegerekend aan de beroepsfase. De heffingsambtenaar dient daarom 1/10e deel van € 1.000 te betalen (€ 100) en de Staat 9/10e deel van € 1.000 (€ 900). De rechtbank merkt de Staat daarom mede aan als partij in dit geding. 2.4. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. 2.5. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend.

Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 269. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 759. Belanghebbende heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.056. 3Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - vermindert de bij beschikking vastgestelde waarde van de woning tot € 325.000; - vermindert de voor de woning opgelegde aanslag onroerende-zaakbelastingen tot een aanslag berekend naar een waarde van € 325.000; - veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen aan belanghebbende van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 100; - veroordeelt de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen aan belanghebbende van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 900; - veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 2.056 aan proceskosten aan belanghebbende; - bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 48 aan belanghebbende vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.A. Boersma, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A.D. Dockx, griffier op 9 december 2022 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.