Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2022:570 ECLI:NL:RBZWB:2022:570 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2022:570 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2022:570
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummer BRE 21/3769 uitspraak van 4 februari 2022 Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Motivering Vooraf Het beroepschrift is verzonden ter attentie van deze rechtbank, maar per adres van rechtbank Gelderland (locatie Arnhem). Rechtbank Gelderland heeft het beroepschrift vervolgens doorgezonden naar deze rechtbank.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:55 Awb; ECLI:NL:RBZWB:2022:570 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Motivering Vooraf Het beroepschrift is verzonden ter attentie van deze rechtbank, maar per adres van rechtbank Gelderland (locatie Arnhem). Rechtbank Gelderland heeft het beroepschrift vervolgens doorgezonden naar deze rechtbank.

Keywords

AI generated
pedestrian zone public space footpath and trail law breach of public order roadside setback offences against public transport

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
artikel 8:55 Awb
De griffier, De rechter, Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb).
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummer BRE 21/3769 uitspraak van 4 februari 2022 Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Motivering Vooraf Het beroepschrift is verzonden ter attentie van deze rechtbank, maar per adres van rechtbank Gelderland (locatie Arnhem). Rechtbank Gelderland heeft het beroepschrift vervolgens doorgezonden naar deze rechtbank.

De ontvangen envelop en het beroepschrift dat daarin zat zijn beiden afgestempeld op de datum waarop ze zijn ontvangen, te weten op 1 september 2021. Belanghebbende heeft een beroepschrift ingediend betreffende de uitspraak op bezwaar tegen de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer]Y.1.95001 en de bij beschikking opgelegde boete. De uitspraak op bezwaar heeft als dagtekening 16 juli 2021. Er zijn geen aanwijzingen dat verzending aan belanghebbende pas na die dagtekening heeft plaatsgevonden. De wettelijke termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken.

Deze termijn eindigde op 27 augustus 2021. Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ook is het beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Het beroepschrift, met dagtekening 23 augustus 2021, is op 1 september 2021 bij de rechtbank ontvangen. Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij het beroepschrift op 23 augustus 2021 ter post heeft bezorgd en dus tijdig was met het indienen van zijn beroepschrift.

Gelet op de datum van de poststempel (30 augustus 2021) op de enveloppe waar het beroepschrift in zat, is het echter niet aannemelijk dat het beroepschrift voor het einde van de termijn ter post is bezorgd. Het beroepschrift is daarom niet-tijdig ingediend. De wetsartikelen over beroepstermijnen zijn dwingend van aard. Dit betekent dat bij een termijnoverschrijding een niet-ontvankelijkverklaring moet volgen. Dat is alleen anders indien “redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest”, oftewel indien de termijnoverschrijding ‘verschoonbaar’ is.

Belanghebbende heeft verder geen redenen aangevoerd voor de termijnoverschrijding. Er zijn dan ook geen omstandigheden vast komen te staan op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het beroep is daarom, gelet op de artikelen 6:7 tot en met 6:11 van de Awb, kennelijk niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 4 februari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter, Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.