Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2022:5044 ECLI:NL:RBZWB:2022:5044 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2022:5044 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2022:5044
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht. Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2713.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:75 van de Awb, artikel 7:15 van de Awb; ECLI:NL:RBZWB:2022:5044 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Verzuimboetes 3.4. De aangifteverzuimboete en de betaalverzuimboete zijn conform artikel 67b, eerste lid, en artikel 67c, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen opgelegd. Vast staat dat belanghebbende te laat aangifte heeft gedaan en dat de omzetbelasting over november 2017 te laat betaald is. De rechtbank is van oordeel dat er geen reden is de verzuimboetes, zoals verminderd bij de beschikking van 16 februari 2018, lager vast te stellen. 3.5. De rechtbank stelt vast dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie.

Keywords

AI generated
untimely tax return tax deferral late objection to debt enforcement unpaid invoices untimely notification of defects subsequent input tax deduction

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:75 van de Awb
Ingevolge artikel 8:75 van de Awb komen voor vergoeding in aanmerking kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
artikel 7:15 van de Awb
Voor de bezwaarfase geldt dat op grond van artikel 7:15 van de Awb enkel recht op een kostenvergoeding bestaat voor zover het bestreden besluit (de naheffingsaanslag) wordt herroepen wegens een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2005:AO9006
Navorderingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 284.594, waarvan ƒ 225.000 belast naar het tarief van artikel 57a, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Vervolgens is hem over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 410.465, waarvan ƒ 225.000 belast naar het tarief van artikel 57a, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, met een verhoging van de nagevorderde belasting van honderd percent, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag een kwijtschelding heeft verleend van vijftig percent, waardoor een verhoging van ƒ 35.698 resteerde.
ECLI:NL:GHSHE:2018:2713
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 17/00184 Uitspraak op het hoger beroep - na verwijzing door de Hoge Raad - van [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank) van 30 juli 2013, nummer SGR 13/1265 in het geding tussen belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de Inspecteur, betreffende na te noemen naheffingsaanslag en boetebeschikking. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 28 december 2011 over de periode 1 januari 2006 tot en met 31 december 2009 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 57.427 (hierna: de naheffingsaanslag), waarbij een bedrag van € 6.638 aan heffingsrente in rekening is gebracht alsmede bij beschikking (hierna: de boetebeschikking) een vergrijpboete van € 14.356 (hierna: de vergrijpboete) is opgelegd.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Middelburg Belastingrecht zaaknummers: BRE 20/7830 en 21/2332 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2022 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr. M.A.A. van Tongeren), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1Inleiding 1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 26 juni 2020 en 3 mei 2021. 1.2. De inspecteur heeft aan belanghebbende over de maand november 2017 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd voor een bedrag van € 4.500 (hierna: de naheffingsaanslag).

Tevens zijn daarbij een betaalverzuimboete van € 135 en een aangifteverzuimboete van € 65 opgelegd. 1.3. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding bij uitspraak van 26 juni 2020. Belanghebbende is in beroep gekomen tegen deze uitspraak op bezwaar (zaaknummer BRE 20/7830). 1.4. Met dagtekening 15 oktober 2020 heeft de inspecteur een afwijzende beslissing gegeven op het verzoek van belanghebbende om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Deze beslissing vermeldt een rechtsmiddelverwijzing inhoudende dat bezwaar openstaat tegen deze beslissing.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing en dat bezwaar is bij uitspraak van 3 mei 2021 afgewezen. Tegen deze uitspraak op bezwaar is belanghebbende ook in beroep gekomen (zaaknummer BRE 21/2332). 1.5. De inspecteur heeft op beide beroepen gereageerd met een afzonderlijk verweerschrift. 1.6. De rechtbank heeft de beroepen op 14 juli 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens de inspecteur [inspecteur] en [inspecteur] . Belanghebbende en haar gemachtigde zijn, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. 2Feiten 2.1.

Belanghebbende is ondernemer voor de omzetbelasting en dient per maand een aangifte omzetbelasting in. 2.2. Over de maand november 2017 heeft belanghebbende niet tijdig aangifte gedaan. Met dagtekening 25 januari 2018 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag en de verzuimboetes opgelegd. 2.3. Op 30 januari 2018 heeft belanghebbende een aangifte ingediend voor november 2017, resulterend in een te betalen bedrag aan omzetbelasting van € 1.816. 2.4. Middels de kennisgeving vermindering omzetbelasting (dagtekening 16 februari 2018) (hierna: de verminderingsbeschikking) heeft de inspecteur de naheffingsaanslag verminderd conform de ingediende aangifte naar een bedrag van € 1.816 en hij heeft de betaalverzuimboete verminderd naar € 54. 2.5.

In de beroepsfase heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat de op 30 januari 2018 ingediende aangifte als bezwaarschrift had moeten worden aangemerkt. Het beroep met nummer BRE 20/7830 is in zoverre gegrond. 3Beoordeling door de rechtbank 3.1. De rechtbank beoordeelt de hoogte van de naheffingsaanslag en of terecht geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase is toegekend. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden. 3.2.

De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag, na vermindering op 16 februari 2018, niet te hoog is. Verder is de rechtbank van oordeel dat terecht geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase is toegekend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Naheffingsaanslag 3.3. Belanghebbende heeft enkel gesteld dat het beroep tevens is gericht tegen de hoogte van de belastingschuld maar heeft hiervoor geen gronden aangevoerd. De rechtbank ziet dan ook geen reden te oordelen dat de naheffingsaanslag, zoals verminderd overeenkomstig de alsnog ingediende aangifte, te hoog is.

Verzuimboetes 3.4. De aangifteverzuimboete en de betaalverzuimboete zijn conform artikel 67b, eerste lid, en artikel 67c, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen opgelegd. Vast staat dat belanghebbende te laat aangifte heeft gedaan en dat de omzetbelasting over november 2017 te laat betaald is. De rechtbank is van oordeel dat er geen reden is de verzuimboetes, zoals verminderd bij de beschikking van 16 februari 2018, lager vast te stellen. 3.5. De rechtbank stelt vast dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie.

De rechtbank stelt vast dat 25 januari 2018 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat op dat moment de boetes zijn opgelegd. De rechtbank doet uitspraak op 25 augustus 2022. Sinds de oplegging van de boetes zijn dan (afgerond) 55 maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat hiermee de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met 2 jaar en 7 maanden. Omdat de boetes minder bedragen dan € 200 wordt de boete niet gematigd, maar wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Kostenvergoeding bezwaarfase 3.6.

Ingevolge artikel 8:75 van de Awb komen voor vergoeding in aanmerking kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Voor de bezwaarfase geldt dat op grond van artikel 7:15 van de Awb enkel recht op een kostenvergoeding bestaat voor zover het bestreden besluit (de naheffingsaanslag) wordt herroepen wegens een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid. 3.7. Belanghebbende stelt dat ten onrechte geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase is toegekend. 3.8. Naar het oordeel van de rechtbank is terecht geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend.

Vast staat dat belanghebbende de aangifte omzetbelasting over november 2017 te laat heeft ingediend. Dat de naheffingsaanslag op een later moment verminderd is, zorgt er niet voor dat sprake is van een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid. Deze is verminderd omdat belanghebbende alsnog een aangifte heeft ingediend, welke de inspecteur gevolgd heeft. 4Conclusie en gevolgen 4.1. Het beroep met nummer BRE 20/7830 is gegrond, omdat het bezwaar van belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De beroepen zijn voor het overige ongegrond.

De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar van 26 juni 2020 en handhaaft de naheffingsaanslag en de verzuimboetes zoals vastgesteld bij de verminderingsbeschikking van 16 februari 2018. 4.2. Omdat het beroep met nummer BRE 20/7830 gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding voor zijn proceskosten voor de beroepsfase. 4.3. De rechtbank stelt de te vergoeden kosten op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 380 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759 en een wegingsfactor 0,5).

Naar het oordeel van de rechtbank betreft het een lichte zaak, waardoor een wegingsfactor van 0,5 passend is. 5Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep BRE 20/7830 gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar van 26 juni 2020; - handhaaft de naheffingsaanslag en de verzuimboetes zoals vastgesteld bij verminderingsbeschikking van 16 februari 2018; - verklaart de beroepen voor het overige ongegrond; - bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 178 aan belanghebbende moet vergoeden; - veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 380 aan proceskosten aan belanghebbende.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.A. Boersma, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.M. van Meer, griffier, op 25 augustus 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht. Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2713.