Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2022:3585 ECLI:NL:RBZWB:2022:3585 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2022:3585 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2022:3585
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummers: BRE 21/3875, 21/3877 en 21/3878 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juli 2022 in de zaken tussen [naam eiser 1] , uit [plaatsnaam 1] , [naam eiser 2] , uit [plaatsnaam 2] , [naam eiser 3] , uit [plaatsnaam 3] eisers (gemachtigde: mr. T. Altindag), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (het college). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaren. 1.1.

Legislator headnote

AI generated

artikel 5:24 van de Awb, artikel 6:7 van de Awb, artikel 6:11 van de Awb; ECLI:NL:RBZWB:2022:3585 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Het college was op dat moment via de politie tevens op de hoogte van het feit dat meneer feitelijk op dat adres verbleef. Deze constatering is later in een proces-verbaal vastgelegd. De rechtbank is van oordeel dat het college de last analoog aan artikel 5:24 van de Awb op de juiste wijze bekend heeft gemaakt door de last aan de overtreder bekend te maken op het BRP-adres van mevrouw dat tevens het feitelijke verblijfadres was van meneer. Een rechtspersoon handelt immers door middel van natuurlijke personen en door de last op deze manier bekend te maken heeft verweerder de overtreder(s) met toezending van het besluit aan de natuurlijke personen bereikt.

Keywords

AI generated
missed deadline untimely request for extension interruption of limitation period excusable delay duration of the infringement late objection to debt enforcement

Cited Legislation

AI generated
artikel 5:24 van de Awb
De rechtbank is van oordeel dat het college de last analoog aan artikel 5:24 van de Awb op de juiste wijze bekend heeft gemaakt door de last aan de overtreder bekend te maken op het BRP-adres van mevrouw dat tevens het feitelijke verblijfadres was van meneer.
artikel 6:7 van de Awb
Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.
artikel 6:11 van de Awb
Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft, ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift, niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CBB:2004:AO6334
Autobedrijf Axi B.V. en 2. V.O.F. Heuveltax, beide te Amsterdam, appellanten, gemachtigde: mr. R.A. IJsendijk, advocaat te Amsterdam, tegen de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder, gemachtigde: mr. H.J. 't Hart, werkzaam bij verweerder. De procedure Op 13 maart 2003 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 31 januari 2003. Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het door appellanten gemaakte bezwaar tegen een besluit van 22 mei 2001, genomen op grond van de Wet personenvervoer 2000, waarbij het door appellante sub 2 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard en het bezwaar van appellante sub 1 ongegrond. Op 27 juni 2003 is een aanvullend beroepschrift ingekomen. Op 30 september 2003 is een verweerschrift ingekomen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2004, alwaar partijen bij monde van hun gemachtigde hun standpunt hebben toegelicht. Zijdens appellanten is voorts verschenen A, directeur-grootaandeelhouder bij appellante sub 1.
ECLI:NL:RVS:2016:2202
201507573/1/A1. Datum uitspraak: 10 augustus 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te Winterswijk, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 september 2015 in zaken nrs. 14/3208 en 15/65 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk. Procesverloop Bij besluit van 10 april 2013 heeft het college [appellante] onder oplegging van een dwangsom van € 10.000,00 gelast het bouwen van de uitbouw aan de zijkant van de reeds gerealiseerde schoppe op het perceel [locatie] te Winterswijk met onmiddellijke ingang te staken.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummers: BRE 21/3875, 21/3877 en 21/3878 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juli 2022 in de zaken tussen [naam eiser 1] , uit [plaatsnaam 1] , [naam eiser 2] , uit [plaatsnaam 2] , [naam eiser 3] , uit [plaatsnaam 3] eisers (gemachtigde: mr. T. Altindag), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (het college). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaren. 1.1.

Het college heeft eisers bij brief van 12 november 2019 een last onder dwangsom toegezonden. Eisers hebben hiertegen bij brief van 16 november 2020 bezwaar gemaakt. 1.2. Met het bestreden besluit van 2 augustus 2021 heeft het college de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk verklaard. 1.3. De rechtbank heeft de beroepen op 24 mei 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. R. Küçükünal als gemachtigde van eisers en [naam vertegenwoordiger 1] en [naam vertegenwoordiger 2] namens het college. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren, omdat deze na afloop van de bezwaartermijn is ingediend.

Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Het college heeft de bezwaren van eisers terecht niet ontvankelijk verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 3.1. De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Is de last juist bekendgemaakt? 4. Eisers voeren aan dat de last onder dwangsom van 12 november 2019 niet op de juiste wijze bekend is gemaakt. De last is niet naar het statutaire adres van de rechtspersoon in [plaatsnaam 1] verzonden, dan wel naar het adres in [plaatsnaam 2] (hoofdverblijf van meneer).

Het college had het besluit ook kunnen verzenden naar het adres van de overtreding, maar ook hier heeft het college niet voor gekozen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het ten tijde van het opleggen van de last onder dwangsom via de politie wist dat meneer feitelijk verbleef op het adres [adres] 14 te [plaatsnaam 3] . 4.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank merkt allereerst op dat het de meest koninklijke weg was geweest als het college de last onder dwangsom naar beide adressen ( [plaatsnaam 1] en [adres] ) had verzonden. Het college heeft ter zitting toegelicht er voor gekozen te hebben om de last enkel naar het laatst bekende adres uit de Basisregistratie personen (BRP) van mevrouw aan de [adres] te sturen.

Het college was op dat moment via de politie tevens op de hoogte van het feit dat meneer feitelijk op dat adres verbleef. Deze constatering is later in een proces-verbaal vastgelegd. De rechtbank is van oordeel dat het college de last analoog aan artikel 5:24 van de Awb op de juiste wijze bekend heeft gemaakt door de last aan de overtreder bekend te maken op het BRP-adres van mevrouw dat tevens het feitelijke verblijfadres was van meneer. Een rechtspersoon handelt immers door middel van natuurlijke personen en door de last op deze manier bekend te maken heeft verweerder de overtreder(s) met toezending van het besluit aan de natuurlijke personen bereikt.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het besluit op de juiste wijze bekend is gemaakt. Is de last onder dwangsom door mevrouw ontvangen? 5. Eisers voeren aan dat mevrouw niet voor ontvangst van de last onder dwangsom heeft getekend en stellen dat de handtekening niet overeen komt. 5.1. De rechtbank stelt vast dat het college de last onder dwangsom op 12 november 2019 aangetekend heeft verzonden naar het adres [adres] 14 te [plaatsnaam 3] . Anders dan eisers stellen ligt bij aangetekende verzending niet de bewijslast bij het college om de ontvangst aan te tonen.

Het college heeft de aantekende verzending aannemelijk gemaakt. Volgens vaste jurisprudentie rechtvaardigt deze aangetekende verzending een vermoeden van ontvangst. Het ligt dan op de weg van eisers om dit vermoeden te ontzenuwen. De enkele stelling dat de handtekening niet overeenkomt met die mevrouw, is onvoldoende om de ontvangst van de last onder dwangsom te ontkrachten. Deze beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 6. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat het bestreden beluit in stand blijft. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 4 juli 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak.

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

In artikel 5:24, derde lid, van de Awb is bepaald dat de last onder bestuursdwang bekendgemaakt wordt aan de overtreder, aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak waarop de last betrekking heeft en aan de aanvrager. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft, ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift, niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Zie bijvoorbeeld CBb 27 februari 2004, ECLI:NL:CBB:2004:AO6334, i.h.b. r.o. 5.2 Zie bijvoorbeeld ABRvS 10 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2202, i.h.b. r.o. 2.3.