ECLI:NL:RBZWB:2022:3285 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Legislator summary
AI generatedRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 22/2688 WMO15 VV uitspraak van 16 juni 2022 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder. Procesverloop Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 29 april 2022 (bestreden besluit) waarbij haar bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:RBZWB:2022:3285 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Procesverloop Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 29 april 2022 (bestreden besluit) waarbij haar bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.
Keywords
AI generatedRelated Decisions
AI generatedFull text
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 22/2688 WMO15 VV uitspraak van 16 juni 2022 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder. Procesverloop Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 29 april 2022 (bestreden besluit) waarbij haar bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.
Overwegingen 1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. De voorzieningenrechter stelt vast dat in het bestreden besluit is beslist over de periode van 5 tot 31 oktober 2020. Dit betekent dat het verzoek om voorlopige voorziening ziet op een afgesloten periode in het verleden. Een voorlopige voorziening die betrekking heeft op een dergelijke periode wordt in beginsel niet toegewezen. Dit kan slechts anders zijn indien betrokkene ten gevolge van het bestreden besluit in een acute noodsituatie is geraakt.
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat van een acute noodsituatie niet is gebleken. De door verzoekster bij brieven van 28 mei 2022 en 1 juni 2022 aangevoerde omstandigheden leiden niet tot een ander oordeel.
4. Gelet op het voorgaande acht de voorzieningenrechter het verzoek niet voldoende spoedeisend. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 16 juni 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.