Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2022:2015 ECLI:NL:RBZWB:2022:2015 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2022:2015 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2022:2015
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Op 22 september 2020 heeft verweerder aan eiser een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de Noodverordening COVID-19 Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant (hierna: de Noodverordening). Hiertegen heeft eiser geen bezwaar gemaakt. OP 27 november 2020 heeft verweerder een voornemen tot invordering verzonden. Tegen dit voornemen heeft eiser een zienswijze ingediend. Bij besluit van 28 december 2020 (primair besluit) heeft verweerder verzoeker meegedeeld dat een dwangsom van € 10.000,- is verbeurd en wordt ingevorderd wegens overtreding van de last onder dwangsom. Hiertegen heeft eiser op 3 februari 2021 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft eiser bij brief van 8 februari 2021 in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 8 maart 2021 de gronden van bezwaar aan te vullen. Eiser heeft hierop niet gereageerd. Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar van 7 april 2021 het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden van bezwaar. Geschil:

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2022:2015 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: “Cliënt acht het besluit tenminste in strijd met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, in die zin dat bij een juist en zorgvuldig onderzoek nooit gekomen had kunnen worden tot het thans genomen besluit. Nu de – aan het besluit ten gronde gelegde – motivering onjuist is, is daarmee het gehele besluit in strijd met het motiveringsbeginsel.” Onder verwijzing naar vaste rechtspraak is de rechtbank van oordeel dat met deze passage niet wordt voldaan aan het vereiste van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb, nu hieruit niet kan worden opgemaakt op welke grond naar de mening van eiser het door hem bestreden besluit onrechtmatig zou zijn.

Keywords

AI generated
emergency government ordinance revocation of emergency aid extension of therapeutic measures derogation in time of emergency compulsory medication order for enforcement

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2009:BI8450
Procesverloop Bij besluit van 13 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) de aanvraag van [appellanten] voor een huisvestingsvergunning voor de woning [locatie] te Utrecht afgewezen. Bij besluit van 6 december 2007 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 27 oktober 2008, verzonden op 29 oktober 2008, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 december 2008, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 15 april 2009 hebben [appellanten] een nader stuk ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 april 2009, waar het college, vertegenwoordigd door E. Siemeling, ambtenaar in dienst van de gemeente, is verschenen.
ECLI:NL:CRVB:2003:AH9040
00/4656 NABW 00/4657 NABW 00/4658 NABW 00/4659 NABW 00/4661 NABW U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente 's-Gravenhage, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Namens appellante heeft mr. drs. R. Dhalganjansing, advocaat te 's-Gravenhage, op de bij het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 6 juli 2000 (reg.nrs. 99/7448, 99/7412, 99/7410, 99/7181, 99/7182 en 99/5783 ABW), waarnaar hierbij wordt verwezen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 21/2107 GEMWT uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2022 in de zaak tussen [naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser, gemachtigde: mr. M.M. van der Marel, en de voorzitter van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant, verweerder, gemachtigde: mr. M. Buitenhuis. Procesverloop In het besluit van 28 december 2020 (primair besluit) heeft verweerder eiser meegedeeld dat een dwangsom van € 10.000,- is verbeurd en wordt ingevorderd wegens overtreding van een eerder opgelegde last onder dwangsom. In het besluit van 7 april 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift en een aanvulling hierop ingediend. Het beroep is behandeld op de zitting van de rechtbank op 31 maart 2022. Hierbij waren aanwezig eisers gemachtigde en mr. M. Buitenhuis en [naam vertegenwoordiger] namens verweerder. Overwegingen Feiten:

1. Op 22 september 2020 heeft verweerder aan eiser een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de Noodverordening COVID-19 Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant (hierna: de Noodverordening). Hiertegen heeft eiser geen bezwaar gemaakt. OP 27 november 2020 heeft verweerder een voornemen tot invordering verzonden. Tegen dit voornemen heeft eiser een zienswijze ingediend. Bij besluit van 28 december 2020 (primair besluit) heeft verweerder verzoeker meegedeeld dat een dwangsom van € 10.000,- is verbeurd en wordt ingevorderd wegens overtreding van de last onder dwangsom. Hiertegen heeft eiser op 3 februari 2021 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft eiser bij brief van 8 februari 2021 in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 8 maart 2021 de gronden van bezwaar aan te vullen. Eiser heeft hierop niet gereageerd. Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar van 7 april 2021 het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden van bezwaar. Geschil:

2. Het gaat in deze procedure om de vraag of verweerder de bezwaren van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Standpunten partijen:

3. Eiser voert aan dat in het bezwaarschrift wel gronden van bezwaar zijn genoemd en dat verweerder de eerder ingediende zienswijze bij de beoordeling van het bezwaar had moeten betrekken. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gronden van bezwaar slechts in algemene zin zijn geformuleerd en dat dit volgens vaste jurisprudentie ontoereikend is om te kunnen spreken van een bezwaargrond als bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Wettelijk kader:

4. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb, voor zover thans van belang, bevat een bezwaarschrift de gronden van het bezwaar. Ingevolge artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb kan, indien niet is voldaan aan artikel 6:5, het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Beoordeling:

5. De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift van eiser van 3 februari 2021 geen concrete gronden bevat in de zin artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Verweerder heeft eiser bij brief van 8 februari 2021 erop gewezen dat het bezwaarschrift geen gronden bevat. Eiser is daarbij de gelegenheid geboden om de gronden van het bezwaarschrift uiterlijk 8 maart 2021 aan te leveren. Eiser is er in deze brief op gewezen dat bij geen tijdige reactie het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard kan worden. Het bezwaarschrift heeft – voor zover hier van belang – de volgende inhoud:

“Cliënt acht het besluit tenminste in strijd met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, in die zin dat bij een juist en zorgvuldig onderzoek nooit gekomen had kunnen worden tot het thans genomen besluit. Nu de – aan het besluit ten gronde gelegde – motivering onjuist is, is daarmee het gehele besluit in strijd met het motiveringsbeginsel.” Onder verwijzing naar vaste rechtspraak is de rechtbank van oordeel dat met deze passage niet wordt voldaan aan het vereiste van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb, nu hieruit niet kan worden opgemaakt op welke grond naar de mening van eiser het door hem bestreden besluit onrechtmatig zou zijn.

De stelling dat het besluit in strijd zou zijn met de aangehaalde beginselen van behoorlijk bestuur kan niet als (toereikende) grond worden aanvaard, nu niet duidelijk is gemaakt waar die strijdigheid in dit specifieke geval uit zou bestaan. De rechtbank is verder van oordeel dat het niet op de weg van verweerder lag om de eerder ingediende zienswijze zelfstandig of uit eigen beweging bij de beoordeling van het bezwaar te betrekken, nu op eiser de verplichting rust om zijn bezwaarschrift van gronden te voorzien. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder het bezwaar van eiser naar het oordeel van de rechtbank terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie:

6. Het beroep van eiser dient dan ook ongegrond te worden verklaard. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 21 april 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2009:BI8450, ECLI:NL:CRVB:2003:AH9040/AB 2003, 330.