Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2022:140 ECLI:NL:RBZWB:2022:140 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2022:140 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2022:140
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Op 11 november 2020 heeft verweerder de twee parkeerplaatsen aangewezen als oplaadplaatsen voor elektrische auto’s. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Verweerder stelt dat eiser geen belanghebbende is bij het primaire besluit en heeft zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Geschil:

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2022:140 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Ten eerste overweegt de rechtbank dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 28 juli 2021 heeft overwogen dat een verkeersbesluit geen omgevingsrechtelijk besluit is. Dit maakt dat aan de criteria van bijvoorbeeld planologische uitstraling en (uit)zicht, die bij de heroverweging in bezwaar door verweerder zijn genoemd, geen betekenis toekomt. De rechtbank stelt vervolgens vast dat een belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb volgens vaste jurisprudentie is te omschrijven als degene met een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

Keywords

AI generated
obligation to provide parking spaces parking area roadside setback location of property public space pedestrian zone

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2021:1655
201904929/1/A2. Datum uitspraak: 28 juli 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellant sub 1], wonend te Amsterdam, 2. [appellant sub 2], wonend te Amsterdam, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 mei 2019 in zaken nrs. 19/322, 19/415 en 19/622 in het geding tussen: [partij], wonend te Amsterdam, [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Procesverloop Bij besluit van 11 december 2018 heeft het college het verkeersbesluit Snorfiets naar de rijbaan met helmplicht te Amsterdam (hierna: het verkeersbesluit) genomen.
ECLI:NL:RVS:2009:BI0442
Procesverloop Bij besluiten van 20 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heemstede (hierna: het college) aan [vergunninghoudster], met gebruikmaking van de bij besluit van 10 oktober 2006 verleende vrijstelling, bouwvergunning verleend voor vier urban villa's (appartementsgebouwen) bestaande uit 55 appartementen met parkeerkelder,16 vrijstaande woningen, 46 twee-onder-een-kapwoningen en 42 meer-onder-een-kapwoningen op het perceel, plaatselijk bekend als het terrein globaal achter de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).
ECLI:NL:RVS:2011:BP7190
Procesverloop Bij besluit van 16 december 2008 (hierna: het verkeersbesluit) heeft het college besloten om het Keern gesloten te verklaren voor motorvoertuigen vanaf het punt direct ten noorden van de aansluiting met de Provincialeweg over een lengte van circa 25 meter in noordelijke richting, met uitzondering van lijnbussen. Bij besluit van 18 mei 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 22 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2011, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door G.R.M. Koopman, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
ECLI:NL:RVS:2014:3948
201400350/1/A1. Datum uitspraak: 5 november 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 november 2013 in zaak nr. 13/3034 in het geding tussen: [appellant] en het dagelijks bestuur van de deelgemeente Kralingen-Crooswijk. Procesverloop Bij besluit van 11 april 2012 heeft het dagelijks bestuur de maximum snelheid op de Abram van Rijckevorselweg te Rotterdam verlaagd van 70 km per uur tot 50 km per uur en bepaald dat alle voorgaande besluiten met betrekking tot de maximum snelheid op de Abram Rijckevorselweg komen te vervallen.
ECLI:NL:RVS:2009:BJ3385
Procesverloop Bij besluit van 23 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst (hierna: het college) op het gedeelte van de Oude Zutphenseweg (hierna: de OZW) tussen de Wildenborchseweg en de Kerkhoflaan een verbod ingesteld voor vrachtauto's, met uitzondering van bestemmingsvrachtverkeer. Bij besluit van 23 oktober 2007 heeft het college, voor zover hier van belang, voor een proefperiode van één jaar op het gedeelte van de OZW tussen de Galgengoorweg en de Van Lennepweg een verbod ingesteld voor motorvoertuigen, met uitzondering van bestemmingsverkeer en motorvoertuigen die niet sneller kunnen of mogen rijden dan 25 kilometer per uur.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 21/1642 WET uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2022 in de zaak tussen [naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser gemachtigde: [naam gemachtigde eiser] , en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk, verweerder. Procesverloop In het besluit van 11 november 2020 (primaire besluit) heeft verweerder besloten om de twee meest oostelijk gelegen parkeerplaatsen op het parkeerterrein, dat is gelegen ten noorden van de Hervormde Kerk aan de [straatnaam] [huisnummer 1] - [huisnummer 2] in [plaatsnaam] , aan te wijzen als oplaadplaatsen voor elektrische auto’s door het plaatsen van bord E4 (parkeergelegenheid), met onderbord OB504 en een bord met de tekst “opladen elektrische voertuigen”.

In het besluit van 18 maart 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het beroep is behandeld op de zitting van de rechtbank op 23 december 2021. Hierbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde en [naam vertegenwoordiger verweerder 1] en [naam vertegenwoordiger verweerder 2] namens verweerder. Overwegingen Feiten:

1. Op 11 november 2020 heeft verweerder de twee parkeerplaatsen aangewezen als oplaadplaatsen voor elektrische auto’s. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Verweerder stelt dat eiser geen belanghebbende is bij het primaire besluit en heeft zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Geschil:

2. Het gaat in deze procedure om de vraag of verweerder eiser terecht niet als belanghebbende heeft aangemerkt. Standpunten partijen:

3. Eiser stelt dat hij wel belanghebbende is bij het primaire besluit. Hij is bewoner van de [straatnaam] en kijkt uit op het [naam plein] . Eiser vreest overlast van zijn leefomgeving door een toenemende parkeerdruk en overlast van parkerende auto’s, ondanks de verkeers- en parkeertelling die is gedaan. Ter zitting heeft eiser verder toegelicht dat hij en zijn echtgenote een eigen bedrijf aan huis hebben en bezoekers ontvangen. Eiser heeft een eigen parkeerterrein, maar deze is smal. Bezoekers parkeren dus op het parkeerterrein bij de kerk. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser vanuit zijn woning geen zicht heeft op de locatie waarop het bestreden besluit ziet. Verder acht verweerder de planologische uitstraling en de milieugevolgen gering. Verweerder acht het niet aannemelijk dat de parkeerdruk en/of parkeeroverlast zodanig toeneemt dat eiser daar gevolgen van enige betekenis van zou ondervinden. Beoordeling:

4. Ten eerste overweegt de rechtbank dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 28 juli 2021 heeft overwogen dat een verkeersbesluit geen omgevingsrechtelijk besluit is. Dit maakt dat aan de criteria van bijvoorbeeld planologische uitstraling en (uit)zicht, die bij de heroverweging in bezwaar door verweerder zijn genoemd, geen betekenis toekomt. De rechtbank stelt vervolgens vast dat een belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb volgens vaste jurisprudentie is te omschrijven als degene met een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

Tevens is volgens vaste rechtspraak met het stellen van het vereiste van het zijn van belanghebbende een zekere begrenzing beoogd ten aanzien van de mogelijkheid tegen een besluit bezwaar te maken en beroep in te stellen. Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest om tegen een verkeersbesluit beroep open te stellen voor een ieder. Bij verkeersbesluiten dient dan ook van geval tot geval te worden onderzocht wiens belangen rechtstreeks bij een dergelijk besluit zijn betrokken. Verder is eerder overwogendat een persoon slechts als belanghebbende bij een verkeersbesluit wordt aangemerkt, indien hij een bijzonder, individueel belang heeft bij dat besluit, welk belang zich in voldoende mate onderscheidt van de andere weggebruikers.

De rechtbank is van oordeel dat eiser niet als belanghebbende bij het verkeersbesluit kan worden aangemerkt. Eiser wordt niet meer of in het bijzonder geraakt door het verkeersbesluit dan andere weggebruikers, zodat hij zich onvoldoende van die andere weggebruikers onderscheidt. Ook de stelling dat eiser en zijn echtgenote een eigen praktijk aan huis hebben, die te klein is om (alle) klanten te laten parkeren waardoor deze gebruik moeten maken van (nu minder) parkeerruimte in de buurt, is onvoldoende om een bijzonder, individueel belang bij het onderhavige verkeersbesluit aan te nemen.

Conclusie:

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de bezwaren van eiser terecht nietontvankelijk heeft verklaard, omdat eiser geen belanghebbende is bij het verkeersbesluit. Het beroep van eiser dient dan ook ongegrond te worden verklaard. Aan een beoordeling van de inhoudelijke kant van de zaak komt de rechtbank daarom niet toe. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 14 januari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2021:1655. Zie onder andere: ECLI:NL:RVS:2009:BI0442 Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2011:BP7190 en ECLI:NL:RVS:2014:3948 ECLI:NL:RVS:2009:BJ3385