Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2021:2007 ECLI:NL:RBZWB:2021:2007 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2021:2007 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2021:2007
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 20/6734 PW uitspraak van 22 april 2021 van de enkelvoudige kamer op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen [naam verzoekster] , te [plaatsnaam] , verzoekster, gemachtigde: [naam gemachtigde] , en het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers, verweerder. Procesverloop Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 22 april 2020 (bestreden besluit) van verweerder waarin haar bezwaren tegen de intrekking en terugvordering van haar uitkering ongegrond zijn verklaard en haar bezwaren tegen een hersteltermijn voor het indienen van stukken en het beëindigen van haar deelname aan de Gemeentepolis niet-ontvankelijk zijn verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2021:2007 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Er is, volgens verweerder, bij de herziening van het bestreden besluit derhalve geen sprake van aan verweerder te verwijten onrechtmatigheid. De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten. Overwegingen 1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.

Keywords

AI generated
access to a profession professional expenses benefit for course attendance exclusion from public-sector employment training leave vocational training allowance

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2005:AT9764
04/1409 MAW U I T S P R A A K met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht inzake de kosten van het geding tussen: [verzoeker], wonende te [woonplaats], Duitsland, appellant, thans verzoeker, en de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde. I. INLEIDING Namens verzoeker heeft mr. P. Reitsma, advocaat te Harderwijk, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 februari 2004, nummer AWB 03/1519 en 03/1521 MAWKLA. Bij schrijven van 7 juli 2004 heeft de gemachtigde van verzoeker het door hem ingestelde hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht gedaagde in de proceskosten te veroordelen.
ECLI:NL:CRVB:2006:AX6776
04/3543 ZFW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 30 juni 2004, 04/21 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en Stichting Ziekenfonds VGZ, gevestigd te Eindhoven (hierna: ziekenfonds) Datum uitspraak: 16 mei 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. P. Reitsma, advocaat te Harderwijk, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Het ziekenfonds heeft een verweerschrift ingediend.
ECLI:NL:CRVB:2014:397
Datum uitspraak: 12 februari 2014 12/1651 AWBZ Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 februari 2012, 11/994 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) Agis Zorgverzekeringen N.V. (Agis) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.S. Vlieger, advocaat, hoger beroep ingesteld. Agis heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2013. Appellant is vertegenwoordigd door mr. Vlieger. Agis heeft zich met bericht niet laten vertegenwoordigen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 20/6734 PW uitspraak van 22 april 2021 van de enkelvoudige kamer op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen [naam verzoekster] , te [plaatsnaam] , verzoekster, gemachtigde: [naam gemachtigde] , en het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers, verweerder. Procesverloop Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 22 april 2020 (bestreden besluit) van verweerder waarin haar bezwaren tegen de intrekking en terugvordering van haar uitkering ongegrond zijn verklaard en haar bezwaren tegen een hersteltermijn voor het indienen van stukken en het beëindigen van haar deelname aan de Gemeentepolis niet-ontvankelijk zijn verklaard.

Op 15 september 2020 heeft verzoekster alsnog de ontbrekende gegevens verstrekt. Bij besluit van 24 november 2020 heeft verweerder het bestreden besluit gedeeltelijk herzien en aan verzoekster weer met ingang van 1 augustus 2019 een bijstandsuitkering toegekend. Het terugvorderingsbedrag is verlaagd. Vervolgens heeft verzoekster het beroep ingetrokken, met het verzoek verweerder te veroordelen in de proceskosten. Verweerder heeft zich op 2 april 2021 verzet tegen de wens van verzoekster om verweerder in de proceskosten te veroordelen. Verweerder voert aan dat verzoekster pas in beroep de eerder verzochte informatie heeft aangeleverd.

Er is, volgens verweerder, bij de herziening van het bestreden besluit derhalve geen sprake van aan verweerder te verwijten onrechtmatigheid. De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten. Overwegingen 1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.

2. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het besluit van 24 november 2020 dat verweerder gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen. Hierin ziet de rechtbank evenwel geen aanleiding verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep volgt dat een proceskostenvergoeding wordt toegekend, indien vaststaat dat het bestuursorgaan aan de betrokkene is tegemoetgekomen. Dit is anders als er sprake is van bijzondere omstandigheden die liggen in het feit dat de noodzaak om beroep in te stellen uitsluitend te wijten was aan de handelwijze van de betrokkene zelf.

Bij een te late verstrekking van de informatie door de betrokkene ligt toewijzing van een proceskostenvergoeding niet voor de hand. De rechtbank overweegt dat de hiervoor aangegeven uitzondering zich in deze zaak voordoet. Verzoekster had verweerder eerder de gevraagde informatie dienen toe te sturen. Dit is niet gebeurd, hetgeen voor rekening en risico van verzoekster komt. Er is dan ook niet voldaan aan de voorwaarden voor vergoeding van gemaakte proceskosten. Het verzoek daartoe zal dan ook worden afgewezen. Evenmin bestaat er voor verweerder een verplichting om verzoekster het betaalde griffierecht te vergoeden (artikel 8:41, lid 7, van de Awb).

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geweigerd om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om het griffierecht te vergoeden (artikel 8:41, lid 8, van de Awb). Beslissing De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2021. De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. ECLI:NL:CRVB:2005:AT9764. ECLI:NL:CRVB:2006:AX6776. ECLI:NL:CRVB:2014:397.