Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2020:7042 ECLI:NL:RBZWB:2020:7042 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2020:7042 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2020:7042
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 20/939 PW uitspraak van 4 september 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiseres] , wonende te [plaatsnaam] , eiseres gemachtigde: mr. I.P.M.J. Nelemans, advocaat te Tilburg en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder. Procesverloop In het besluit van 9 september 2019 (primaire besluit) heeft het college aan eiseres een boete opgelegd van € 715,-. In het besluit van 19 december 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2020:7042 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Op grond van artikel 18a, eerste lid, van de Participatiewet, is het college verplicht een bestuurlijke boete op te leggen van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht door de belanghebbende. Op grond van artikel 18a, zevende lid van de Participatiewet kan het college afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Keywords

AI generated
failure to keep accounts payment of fee bank charges accounting error late payment of fees certificate of unpaid debts
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 20/939 PW uitspraak van 4 september 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiseres] , wonende te [plaatsnaam] , eiseres gemachtigde: mr. I.P.M.J. Nelemans, advocaat te Tilburg en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder. Procesverloop In het besluit van 9 september 2019 (primaire besluit) heeft het college aan eiseres een boete opgelegd van € 715,-. In het besluit van 19 december 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is uitgeroepen op de zitting van de rechtbank op 24 juli 2020. Partijen waren, met bericht van verhindering, niet aanwezig. Overwegingen 1. Op grond van de stukken gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres ontving van het college een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet. Uit een door het college ingesteld onderzoek is onder meer gebleken dat eiseres in de periode van 1 oktober 2018 tot en met 31 maart 2019 stortingen van derden heeft ontvangen.

Deze inkomsten heeft eiseres niet doorgegeven aan de afdeling Werk en Inkomen. De schending van de inlichtingenplicht inzake de stortingen op de rekening van eiseres heeft geleid tot een benadelingsbedrag van € 1.430,-. Daarop heeft het college eiseres een boete opgelegd. Het initiële boetebedrag wordt gematigd tot 50%, zijnde € 715,-, omdat niet gebleken is van opzettelijk handelen, opzettelijk niet nakomen van de inlichtingenplicht of grove nalatigheid van de kant van eiseres. Het geschil 2. Partijen verschillen van mening over de vraag of de boete van € 715,- opgelegd dient te worden.

De beroepsgronden 3. Eiseres stelt dat het college onvoldoende heeft aangetoond welke inkomsten zij had over de benadelingsperiode.

4. Naast deze beroepsgrond heeft eiseres de rechtbank verzocht de bezwaargronden in het beroepschrift als herhaald en ingelast te beschouwen. De rechtbank stelt vast dat de bezwaargronden gericht zijn tegen het primaire besluit. Het college is gemotiveerd op de bezwaargronden ingegaan. Dat heeft eiseres weliswaar betwist, maar zij heeft niet benoemd ten aanzien van welke bezwaren de motivering in het bestreden besluit ontbreekt, onjuist of onvolledig is. Daarom zal de rechtbank de bezwaargronden niet bij de beoordeling van het beroep betrekken. Wettelijk kader 5.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Op grond van artikel 18a, eerste lid, van de Participatiewet, is het college verplicht een bestuurlijke boete op te leggen van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht door de belanghebbende. Op grond van artikel 18a, zevende lid van de Participatiewet kan het college afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

De beoordeling door de rechtbank 6. Vast staat dat eiseres inkomsten heeft ontvangen door stortingen van derden op haar bankrekening. Dat blijkt uit de door haar overgelegde bankafschriften. Het staat eiseres vrij om tegenbewijs te leveren, maar dat heeft zij niet gedaan. Bij die stand van zaken zal het beroep ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling is geen reden. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Azmi, griffier, op 4 september 2020 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.