ECLI:NL:RBZWB:2020:5381 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Legislator summary
AI generatedRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 20/8726 PW VV uitspraak van 3 november 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam verzoekster], wonende te [woonplaats verzoekster], verzoekster, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom (ISD Brabantse Wal), verweerder. Procesverloop Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 27 augustus 2020 (bestreden besluit) waarin verweerder haar een aflossingsverplichting van € 52,95 per maand heeft opgelegd. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Legislator headnote
AI generatedartikel 8:82 van de Awb; ECLI:NL:RBZWB:2020:5381 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven. Overwegingen 1. In artikel 8:82 van de Awb is bepaald dat degene die een verzoek om een voorlopige voorziening indient griffierecht moet betalen. De griffier heeft verzoekster op 3 oktober 2020, bij aangetekende brief, een nota griffierecht gezonden. Verzoekster is meegedeeld dat het griffierecht binnen veertien dagen op de bankrekening van de rechtbank dient te zijn bijgeschreven en dat het verzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verschuldigde bedrag niet (tijdig) is betaald.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedRelated Decisions
AI generatedFull text
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 20/8726 PW VV uitspraak van 3 november 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam verzoekster], wonende te [woonplaats verzoekster], verzoekster, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom (ISD Brabantse Wal), verweerder. Procesverloop Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 27 augustus 2020 (bestreden besluit) waarin verweerder haar een aflossingsverplichting van € 52,95 per maand heeft opgelegd. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven. Overwegingen 1. In artikel 8:82 van de Awb is bepaald dat degene die een verzoek om een voorlopige voorziening indient griffierecht moet betalen. De griffier heeft verzoekster op 3 oktober 2020, bij aangetekende brief, een nota griffierecht gezonden. Verzoekster is meegedeeld dat het griffierecht binnen veertien dagen op de bankrekening van de rechtbank dient te zijn bijgeschreven en dat het verzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verschuldigde bedrag niet (tijdig) is betaald.
Het griffierecht is niet binnen de gestelde termijn van veertien dagen voldaan en de rechtbank heeft geen verzoek om ontheffing ontvangen.
2. Verder heeft de griffier verzoekster bij brief van 7 oktober 2020 verzocht uit te leggen waarom haar zaak met spoed moet worden behandeld. Zij heeft hiervoor een termijn van één week gekregen. Ook in deze brief is vermeld dat bij het uitblijven van een tijdige reactie haar verzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Ook op deze brief heeft verzoekster niet gereageerd.
3. Conclusie van het bovenstaande is dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier, op 3 november 2020 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier* voorzieningenrechter * De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mee te ondertekenen. Afschrift verzonden aan partijen op: Als u het niet eens bent met deze uitspraak Tegen deze uitspraak is geen (hoger) beroep mogelijk.