Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2020:5203 ECLI:NL:RBZWB:2020:5203 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2020:5203 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2020:5203
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 20/8612 VEROR VV uitspraak van 27 oktober 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam verzoeker 1] en [naam verzoeker 2] , te [woonplaats] , verzoekers, gemachtigde: mr. C.G.J.E. Lut, en de burgemeester van de gemeente Breda, verweerder. Procesverloop Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 september 2020 (bestreden besluit) van de burgemeester over de weigering van een exploitatievergunning voor het uitoefenen van een autoverhuurbedrijf. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2020:5203 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Op grond van artikel 2:34, aanhef en onder d, van de APV mag géén van de exploitanten en beheerders/leidinggevenden in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn, anders wordt de vergunning geweigerd. 3.3 Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) is niet vereist dat de burgemeester bij de beoordeling van het levensgedrag uitsluitend feiten en omstandigheden mag betrekken die hebben plaatsgevonden bij de exploitatie van of binnen een inrichting. Verder komt de burgemeester bij de invulling van het in de APV neergelegde criterium over het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende beoordelingsruimte toe.

Keywords

AI generated
operating licence police permit authorisation requirement permit violation taxi operating license planning permission variance

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2020:2168
202000288/1/A3. Datum uitspraak: 9 september 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de burgemeester van Amsterdam, appellant, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 11 december 2019 in zaak nr. 19/5271 in het geding tussen: [wederpartij A] en [wederpartij B] en de burgemeester. Procesverloop Bij besluit van 30 april 2019 heeft de burgemeester de aanvraag van [wederpartij A] en [wederpartij B] om een verlenging van de exploitatievergunning voor [horecabedrijf] afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2009:BJ8312
Procesverloop Bij besluit van 15 november 2007 heeft de burgemeester van Rotterdam (hierna: de burgemeester) de exploitatievergunning ten behoeve van de door [appellant] geëxploiteerde horeca-inrichting "[naam]", (hierna: de horeca-inrichting), gevestigd aan de [locatie] te [plaats], met onmiddellijke ingang ingetrokken. Bij besluit van 20 maart 2008 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 11 december 2008, verzonden op 18 december 2008, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2013:CA0629
201200224/1/A3. Datum uitspraak: 22 mei 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Chardiné B.V., gevestigd te Heerlen, en [appellant A], wonend te Heerlen, tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 12 december 2011 in zaken nrs. 11/1360 en 11/1564 in het geding tussen: Chardiné en [appellant A] en 1. het college van burgemeester en wethouders van Heerlen, 2. de burgemeester van Heerlen. Procesverloop Bij gezamenlijk besluit van 4 april 2011 hebben het college en de burgemeester, ieder voor zover bevoegd, de aan Chardiné verleende drank- en horecawetvergunning onderscheidenlijk exploitatievergunning ingetrokken.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 20/8612 VEROR VV uitspraak van 27 oktober 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam verzoeker 1] en [naam verzoeker 2] , te [woonplaats] , verzoekers, gemachtigde: mr. C.G.J.E. Lut, en de burgemeester van de gemeente Breda, verweerder. Procesverloop Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 september 2020 (bestreden besluit) van de burgemeester over de weigering van een exploitatievergunning voor het uitoefenen van een autoverhuurbedrijf. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 13 oktober 2020. Verzoeker [naam verzoeker 1] was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] Overwegingen 1. Feiten Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verzoekers zijn vennoten van het autoverhuurbedrijf [naam autobedrijf] , dat is gevestigd aan [adres] te Breda. Bij besluit van 30 maart 2020 heeft de burgemeester de autoverhuurbranche per 1 juni 2020 aangewezen als vergunningplichtige bedrijfsmatige activiteit.

Vanaf 1 juni 2020 moeten autoverhuurbedrijven in Breda dus een vergunning hebben. Op 6 juni 2020 hebben verzoekers een aanvraag ingediend voor een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2:31 van de Algemene Plaatselijke Verordening Breda 2018 (APV) voor de uitoefening van het autoverhuurbedrijf. Bij brief van 14 juli 2020 heeft de burgemeester aan verzoekers medegedeeld dat hij voornemens is de gevraagde exploitatievergunning te weigeren. Verzoekers hebben hun zienswijze naar voren gebracht. Bij het bestreden besluit heeft de burgemeester de gevraagde exploitatievergunning, onder weerlegging van de zienswijze, geweigerd.

Daaraan heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat uit zijn onderzoeken is gebleken dat [naam verzoeker 1] van slecht levensgedrag is (de weigeringsgrond in artikel 2:34, aanhef en onder d, van de APV). Verder voldoet [naam verzoeker 1] niet aan de bij of krachtens artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b en c, en lid 2 van de Drank- en Horecawet aan de beheerder/leidinggevende gestelde eisen (de weigeringsgrond in artikel 2:34, aanhef en onder c, van de APV).

2. Toetsingskader Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

3. Beoordeling 3.1 Vooropgesteld wordt dat de burgemeester de bevoegdheid heeft om een dergelijke vergunningplicht te stellen. Het is aan de burgemeester om gevraagde vergunning te verlenen of te weigeren. In dit geval heeft de burgemeester de vergunning geweigerd, omdat [naam verzoeker 1] volgens hem van slecht levensgedrag is. 3.2 Verzoekers wijzen erop dat de burgemeester alleen woorden heeft gewijd aan [naam verzoeker 1] , maar dat [naam verzoeker 2] niet van enig slecht levensgedrag is. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester echter op goede gronden gesteld dat de broers beiden vennoten en bestuurders van [naam autobedrijf] zijn en ze samen de vergunning hebben aangevraagd.

Op grond van artikel 2:34, aanhef en onder d, van de APV mag géén van de exploitanten en beheerders/leidinggevenden in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn, anders wordt de vergunning geweigerd. 3.3 Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) is niet vereist dat de burgemeester bij de beoordeling van het levensgedrag uitsluitend feiten en omstandigheden mag betrekken die hebben plaatsgevonden bij de exploitatie van of binnen een inrichting. Verder komt de burgemeester bij de invulling van het in de APV neergelegde criterium over het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende beoordelingsruimte toe.

Voor de reikwijdte van het begrip ‘slecht levensgedrag’ moet aansluiting worden gezocht bij de terminologie van (artikel 8 van) de DHW. De AbRS heeft overwogen dat geen beperkingen gesteld zijn aan de feiten of omstandigheden die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken. De burgemeester heeft daarbij de vrijheid om gebruik te maken van feiten en omstandigheden uit een vonnis van een strafrechter dat nog niet onherroepelijk is. Ook is niet vereist dat een strafzaak al tot een strafrechtelijke veroordeling heeft geleid. 3.4 De burgemeester heeft de volgende feiten en omstandigheden bij zijn beoordeling betrokken.

Uit het uittreksel van de Justitiële Documentatie over [naam verzoeker 1] blijkt een behoorlijke lijst aan antecedenten en niet de minste delicten: o.a. opium/harddrugs, diefstal, doodslag, vuurwapenbezit, mishandeling, rijden onder invloed, en rijden na ontzegging rijbevoegdheid. De burgemeester acht van belang dat [naam verzoeker 1] vrij recent, op 8 november 2017, door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant is veroordeeld tot 20 maanden gevangenisstraf voor het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod (aanwezig hebben van harddrugs).

Dat deze veroordeling niet onherroepelijk is, betekent niet dat de burgemeester dit vonnis van de strafrechter niet bij zijn beoordeling mocht betrekken. Verder vindt de burgemeester van belang dat [naam verzoeker 1] heel recent, op 21 november 2019, door de politierechter van deze rechtbank is veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,- voor mishandeling van een toezichthouder. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het algemeen belang dat is gediend met de bescherming van de openbare orde (zeker gelet op de aard van de veroordelingen van [naam verzoeker 1] in relatie met de kwetsbare branche van de autoverhuur) zwaarder weegt dan het belang van de ondernemer om ongestoord te kunnen exploiteren.

De verwachting is dat het bestreden besluit in bezwaar stand zal houden. Daarom zal het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen.

4. Conclusie De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 27 oktober 2020 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Bijlage Algemene Plaatselijke Verordening Breda 2018 (APV) Artikel 2:30 Gebiedsaanwijzing De burgemeester kan ter bescherming van de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid in de gemeente of een deel daarvan of in en rondom een gebouw, bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod als bedoeld in artikel 2:31 van toepassing is voor: de hele gemeente; of een door de burgemeester aangewezen gebied in de gemeente; of een gebouw.

Artikel 2:31 Vergunningsplicht 1. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. (…) b. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van artikel 2:30 aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft; of (…) Artikel 2:34 Weigeringsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in artikel 2:31 weigeren indien: (…) de exploitant of beheerder/leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is; (…) Artikel 2:35 Vergunningverlening De burgemeester verleent op de aanvraag als bedoeld in artikel 2:32 de vergunning als er geen weigeringsgronden zijn als genoemd in artikel 2:34.

Aanwijsbesluit vergunningplicht Autoverhuurbedrijven Breda 2020 De burgemeester van de gemeente Breda besluit om de autoverhuurbranche per 1 juni 2020 aan te wijzen als vergunningplichtige bedrijfsmatige activiteit zoals bedoeld in artikel 2:30 van de APV Breda. Zie o.a. AbRS 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2168. Zie AbRS 23 september 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ8312, en AbRS 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0629.