Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2020:4354 ECLI:NL:RBZWB:2020:4354 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2020:4354 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2020:4354
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Het gemeentebestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door het college, indien de last onder bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert. Artikel 5:31d van de Awb bepaalt dat onder een last onder dwangsom wordt verstaan de herstelsanctie inhoudende: a. de last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. 4.2 Op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied Noord” geldt, voor zover thans van belang, ter plaatse van het perceel de enkelbestemming “Agrarisch” en de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie”.

Legislator headnote

AI generated

Artikel 5:31d van de Awb; ECLI:NL:RBZWB:2020:4354 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet. 4Wet- en regelgeving 4.1 Artikel 5:4, tweede lid, van de Awb bepaalt dat een bestuurlijke sanctie slechts wordt opgelegd indien de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven.

Keywords

AI generated
veterinary legislation dog tax health and veterinary checks penal servitude immigration quotas mortgage borrowing limit

Cited Legislation

AI generated
Artikel 5:31d van de Awb
Artikel 5:31d van de Awb bepaalt dat onder een last onder dwangsom wordt verstaan de herstelsanctie inhoudende: a.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2010:BN1865
Procesverloop Bij besluit van 7 april 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een berging/duiventil (hierna: duiventil) op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel). Bij besluit van 8 juli 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 29 september 2009, verzonden op 2 oktober 2009, heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 juli 2009 vernietigd, bepaald dat het college opnieuw dient te beslissen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak en het besluit van 7 april 2009 geschorst tot en met zes weken na de datum van de verzending van het nieuw te nemen besluit op bezwaar.
ECLI:NL:RVS:2017:550
201600718/1/A1. Datum uitspraak: 1 maart 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellant sub 1], wonend te Naarden, gemeente Gooise Meren, 2. het college van burgemeester en wethouders van Gooise Meren 3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], wonend te Naarden, gemeente Gooise Meren, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3A]), appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 december 2015 in zaak nr. 15/158 in het geding tussen: [appellant sub 3A], en het college. Procesverloop Bij besluit van 27 maart 2014 heeft het college aan [appellant sub 1] een persoonlijke gedoogbeschikking verleend inhoudend dat tot 1 januari 2016 niet handhavend zal worden opgetreden tegen het bedrijfsmatig houden van koeien en schapen op het perceel aan de [locatie A] te Naarden (hierna: het perceel).
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 20/7475 GEMWT VV uitspraak van 16 september 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen Stichting Poor Animal, [naam verzoeker ] en [naam verzoekster ], te [woonplaats] , verzoekers, gemachtigde: mr. A. Posset, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder. Procesverloop Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 15 juni 2020 (bestreden besluit) van het college over een aan de Stichting Poor Animal opgelegde last onder dwangsom in verband met het gebruiken van het perceel aan [adres] te [plaatsnaam] in strijd met het bestemmingsplan.

Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 2 september 2020. [naam verzoeker ] is verschenen, samen met zijn gemachtigde. Zij vertegenwoordigen ook de Stichting Poor Animal (hierna: de stichting). [naam verzoekster ] is niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H. Renger. Overwegingen 1Feiten en omstandigheden De stichting is gericht op het herplaatsen van honden afkomstig uit het buitenland. [naam verzoeker ] en [naam verzoekster ] zijn voorzitter, respectievelijk secretaris van de stichting. [naam verzoekster ] en [naam verzoekster ] wonen aan [adres] te [plaatsnaam] .

Op dat adres is ook de stichting gevestigd. Sinds 2002 worden op het perceel honden opgevangen. Bij besluit van 14 september 2015 heeft het college in verband met het houden van de honden aan de stichting een omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van het perceel in strijd met het bestemmingsplan. De omgevingsvergunning gold tot 1 januari 2020. In de omgevingsvergunning was een afbouwregeling opgenomen voor het aantal te houden honden. Op grond van die afbouwregeling mochten er op 1 januari 2020 ter plaatse nog maximaal 10 honden worden gehouden.

Bij een controle op 31 januari 2020 hebben medewerkers van het college vastgesteld dat ter plaatse 38 honden aanwezig waren. Bij brief van 29 april 2020 heeft het college verzoekers medegedeeld dat het voornemen bestaat een last onder dwangsom op te leggen, omdat het perceel wordt gebruikt in strijd met het bestemmingsplan. Verzoekers hebben bij brief van 11 mei 2020 en daarnaast ook mondeling hun zienswijze over dat voornemen naar voren gebracht. Bij het bestreden besluit heeft het college verzoekers gelast binnen vier maanden na verzending van het bestreden besluit het bedrijfsmatig fokken en/of houden van honden op het perceel aan [adres] te [plaatsnaam] te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom van € 20.000,- ineens wanneer niet tijdig of niet volledig aan de last wordt voldaan.

Concreet betekent dit dat op het perceel maximaal 10 honden mogen worden gehouden. Bij het houden van maximaal 10 honden is er sprake van hobbymatig gebruik, aldus het bestreden besluit. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat het bestreden besluit wordt geschorst.

2Spoedeisend belang

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Verzoekers hebben naar voren gebracht dat zij met het verzoek om voorlopige voorziening willen voorkomen dat onomkeerbare handelingen moeten worden verrichten. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekers daarmee bedoeld hebben te wijzen op het moeten afstaan van een aantal van de honden, om aan de last te voldoen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit het feit dat verzoekers voordat een beslissing op het bezwaar is genomen een aantal honden moeten afstaan om aan te last te voldoen, dat verzoekers een voldoende spoedeisend belang hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening. Dat, zoals het college stelt, met de omgevingsvergunning van 14 september 2015 duidelijk was dat er per 1 januari 2020 nog maar 10 honden ter plaatse aanwezig mochten zijn, doet daar niets aan af. 3Voorlopige voorziening: kader De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt.

Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet. 4Wet- en regelgeving 4.1 Artikel 5:4, tweede lid, van de Awb bepaalt dat een bestuurlijke sanctie slechts wordt opgelegd indien de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven.

Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bepaalt dat het verboden is zonder omgevings-vergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Artikel 5:32, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen. Artikel 125 van de Gemeentewet luidt:

1. Het gemeentebestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

2. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door het college, indien de last onder bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert. Artikel 5:31d van de Awb bepaalt dat onder een last onder dwangsom wordt verstaan de herstelsanctie inhoudende: a. de last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. 4.2 Op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied Noord” geldt, voor zover thans van belang, ter plaatse van het perceel de enkelbestemming “Agrarisch” en de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie”.

De planregels voor de bestemming “Agrarisch” staan in artikel 3. Artikel 3.1 bepaalt dat de voor Agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch grondgebruik en agrarische bedrijfsuitoefening; b. verspreid liggende legale bebouwing zoals die aanwezig is ten tijde van het als ontwerp ter inzage leggen van dit plan voor zover die niet is gelegen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'; c. ter plaatse van de aanduidingen 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied' tevens daarvoor; d. water; e. extensief recreatief medegebruik. 5Beoordeling 5.1 Het college is eerst bevoegd om handhavend op te treden, wanneer er sprake is van een overtreding.

Volgens het college is er sprake van een overtreding. Op grond van de omgevingsvergunning van 14 september 2015 mochten er op 1 januari 2020 nog maar 10 honden ter plaatse aanwezig zijn. Daar is door verzoekers niet aan voldaan, aangezien er op het moment van de controle op 31 januari 2020 38 honden aanwezig waren. Verzoekers handelen daarom in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wabo, aldus het college. Verzoekers hebben er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht op gewezen dat de omgevingsvergunning van 14 september 2015 niet meer gold ten tijde van het bestreden besluit, zodat die omgevingsvergunning en de daaraan verbonden voorwaarden niet de grondslag kunnen vormen voor handhavend optreden door het college.

Dit is door het college ter zitting ook erkend. 5.2 Dat de omgevingsvergunning niet meer gold ten tijde van het bestreden besluit, laat onverlet dat verzoekers niet mogen handelen in strijd met de ter plaatse geldende bestemming. In dit geval is dat de bestemming “agrarisch”. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekers volgens het college handelen in strijd met deze bestemming, omdat het houden van 38 honden als bedrijfsmatig moet worden aangemerkt. De voorzieningenrechter overweegt dat voor beantwoording van de vraag of er sprake is van gebruiken in strijd met het bestemmingsplan niet bepalend is of het houden van de honden door verzoekers als bedrijfsmatig moet worden aangemerkt.

De vraag of het gebruik van het perceel door het houden van honden in strijd is met de bestemming moet worden beantwoord aan de hand van de ruimtelijke uitstraling die dat gebruik gezien zijn aard, intensiteit en omvang heeft (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1865 en 1 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:550). Of sprake is van een bedrijf of een hobby, kan wel van invloed zijn op de ruimtelijke uitstraling. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college in het bestreden besluit niet heeft toegelicht dat de ruimtelijke uitstraling van het houden van 38 honden zodanig is dat sprake is van gebruiken in strijd met de agrarische bestemming.

Het ligt op de weg van het college om een dergelijke toelichting te geven, aangezien het aan het college is om te onderbouwen dat er sprake is van een overtreding. Voor een op deze situatie toegespitste toelichting is te meer aanleiding, nu beantwoording van de vraag of de ruimtelijke uitstraling van dien aard is dat deze planologisch gezien niet meer valt te rijmen met de functie van het perceel casuïstisch is, zoals het college ook heeft beaamd. Volgens verzoekers brengt het houden van 38 honden geen enkele ruimtelijke uitstraling met zich. Verzoekers hebben toegelicht dat zij in het verleden honden uit het buitenland herplaatsten in Nederland en ook fokten met honden, maar dat niet alle honden konden worden herplaatst of geplaatst vanwege gedrags- of gezondheidsproblemen. [naam verzoeker ] en [naam verzoekster ] hielden die honden in dat geval zelf als hun eigen honden.

De herplaatsings- en fokactiviteiten zijn inmiddels gestaakt. De honden die nu nog aanwezig zijn op het perceel, zijn honden die in het verleden niet ge- of herplaatst konden worden. [naam verzoeker ] en [naam verzoekster ] houden deze honden nu als huisdieren. Het gaat om 10 grotere honden van circa 40 kilogram, de overige honden zijn kleiner. De honden zijn veelal op leeftijd en slapen daarom veel. Omdat er recent één hond is overleden, hebben [naam verzoeker ] en [naam verzoekster ] op dit moment nog 37 honden. Alle honden leven in hun woning en worden in groepen buiten gelaten, op een afgeschermd deel van het perceel.

De woning ligt op een ruim perceel in het buitengebied en op 150 meter afstand van andere bebouwing, zodat het houden van honden volgens verzoekers geen enkele ruimtelijke uitstraling heeft. Verzoekers hebben er daarbij op gewezen dat in het rapport van de controle van 31 januari 2020 ook is vermeld dat de honden zo rustig waren. Het college heeft deze toelichting door verzoekers niet weersproken. In het licht van de toelichting door verzoekers, kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet worden uitgesloten dat na de heroverweging in bezwaar moet worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een overtreding.

Het bestreden besluit zal in dat geval in bezwaar niet ongewijzigd stand kunnen houden. De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding om het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit. Deze voorziening vervalt zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. 5.3 Om redenen van proces-economie geeft de voorzieningenrechter het college in overweging dat wanneer het college het besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom na de heroverweging in bezwaar handhaaft, daarin te concretiseren en motiveren welk aantal honden verzoekers volgens het college wel op het perceel mogen houden, zonder dat zij een dwangsom verbeuren.

Het antwoord op de vraag welk aantal honden verzoekers mogen houden, zonder dat het strijd met het bestemmingsplan oplevert, wordt bepaald door het antwoord op de vraag of de ruimtelijke uitstraling van dat aantal zodanig is dat die nog te rijmen is met de agrarische bestemming. Het enkel verwijzen naar de omstandigheid dat verzoekers op grond van de omgevingsvergunning van 14 september 2015 maximaal 10 honden mochten houden volstaat dan ook niet. Daarnaast geeft de voorzieningenrechter het college in overweging om wanneer het opleggen van een last onder dwangsom wordt gehandhaafd de duur van de begunstigingstermijn en de hoogte en modaliteit van de dwangsom te motiveren.

De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat aan de duur van de begunstigingstermijn en de hoogte en modaliteit van de dwangsom blijkens de verklaring van het college ter zitting geen beleid ten grondslag ligt, zodat in het licht van de bezwaargronden van verzoekers een nadere motivering daarvan in de rede ligt. 5.4 Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, dient het college aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht te vergoeden. De voorzieningenrechter veroordeelt het college in de door verzoekers gemaakte proceskosten.

Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525, en wegingsfactor 1). Beslissing De voorzieningenrechter: schorst het bestreden besluit tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar; draagt het college op het betaalde griffierecht van € 354,- aan verzoekers te vergoeden; veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.J.C. Goorden, griffier, op 16 september 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.