Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2020:304 ECLI:NL:RBZWB:2020:304 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2020:304 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2020:304
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/155972-18 vonnis van de meervoudige kamer van 27 januari 2020 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1971 te [geboorteplaats] wonende te [adres] raadsman mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2020:304 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: De rechtbank kan derhalve niet tot een bewezenverklaring komen van de primair verweten overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet. Ten aanzien van de subsidiair verweten overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet wijst de raadsman er op dat één enkele verkeersfout niet zonder meer leidt tot het in dat artikel bedoelde gevaarscheppend gedrag. Niet is komen vast te staan dat verdachte onvoldoende afstand heeft gehouden, noch dat hij met te hoge snelheid heeft gereden of dat hij afgeleid was. Verwezen wordt naar de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 13 maart 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:875).

Keywords

AI generated
traffic accident hit-and-run road traffic penalty extreme speeding offence withdrawal of driving license overtaking maneuver

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2015:875
parketnummer: 23-001294-12 datum uitspraak: 13 maart 2015 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 1 maart 2012 in de strafzaak onder parketnummer 14-701928-10 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen in hoger beroep van 20 september 2013 en 27 februari 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd op te leggen een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 uren hechtenis alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar. Tenlastelegging Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat: primair:zij op of omstreeks 03 mei 2010 in de gemeente Alkmaar als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurster van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Steve Bikoweg (Rijksweg N9), zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden over genoemde weg, - met een (veel) hogere snelheid dan de plaatselijke toegestane snelheid van 80 kilometer per uur en/of - onvoldoende afstand te bewaren tot en/of in onvoldoende mate rekening te houden met een voor haar, in dezelfde richting, rijdende personenauto, met (de voorzijde van) het door haar bestuurde voertuig tegen (de achterzijde van) die voor haar rijdende personenauto is aangereden of opgebotst, waarna laatstgenoemd voertuig op de weghelft van het tegemoetkomende verkeer is geraakt en in aanrijding of botsing is gekomen met een tegemoet komende personenauto die (zeer) dicht genaderd was, waardoor de bestuurder van het door verdachte aangereden voertuig (genaamd [slachtoffer 1]) is overleden en de bestuurder van die tegemoetkomende personenauto ([slachtoffer 2]) zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere botbreuken aan de linkeronderarm, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; subsidiair:zij op of omstreeks 03 mei 2010 in de gemeente Alkmaar als bestuurster van een voertuig (personenauto), daarmee heeft gereden op de weg, Steve Bikoweg (Rijksweg N9), - met een veel hogere snelheid dan de plaatselijke toegestane snelheid van 80 kilometer per uur en/of - onvoldoende afstand heeft bewaard tot en/of onvoldoende rekening heeft gehouden met een voor haar, in dezelfde richting, rijdende personenauto, met (de voorzijde van) het door haar bestuurde voertuig tegen (de achterzijde van) die voor haar rijdende personenauto is aangereden of opgebotst, waarna laatstgenoemd voertuig op de weghelft van het tegemoetkomende verkeer is geraakt en in aanrijding of botsing is gekomen met een tegemoet komende personenauto die (zeer) dicht genaderd was, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, gelet op de in hoger beroep gewijzigde tenlastelegging en voorts omdat het hof op grond van het na het gewezen vonnis uitgevoerde aanvullende onderzoek ten dele tot andere overwegingen komt dan de rechtbank. Bespreking van het verweer met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De raadsvrouw heeft terechtzittingen in hoger beroep aan de hand van de door haar overgelegde en aan het dossier toegevoegde pleitnotities bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging omdat het recht op een eerlijke behandeling van de zaak is geschonden. De raadsvrouw heeft daartoe – kort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. In het proces-verbaal VerkeersongevalAnalyse van 24 augustus 2010 is vermeld (blz. 21 van 30) dat een aantal foto’s abusievelijk zijn verwijderd hetgeen een onherstelbaar verzuim oplevert. Dit verzuim valt onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie. De foto’s zijn van essentieel belang voor de conclusies die worden getrokken met betrekking tot de vermeende toedracht van het ongeval. Nu deze foto’s ontbreken is een volledige reconstructie van de toedracht van het ongeval niet meer mogelijk. Hierdoor is de verdachte de mogelijkheid ontnomen haar onschuld aan te tonen en de vermeende schuld onderbouwd te betwisten. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het bovenstaande dient te leiden tot bewijsuitsluiting voor wat betreft de informatie die zichtbaar zou zijn geweest op de ontbrekende foto’s en de bevindingen van de verbalisanten die daarop zijn gegrond. Het hof is van oordeel dat geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Het hof verwijst voor de onderbouwing van dit standpunt naar de overweging van de rechtbank op dit punt, opgenomen op pagina 3 van het vonnis. Het verweer van de raadsvrouw wordt derhalve verworpen. Nu geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, kan ook het subsidiair ingenomen standpunt niet slagen. Vrijspraak Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe als volgt. Het hof heeft het op 20 september 2013 gesloten onderzoek bij tussenarrest van 4 oktober 2013 heropend, omdat naar het oordeel van het hof nader onderzoek noodzakelijk was met het oog op een volledige en juiste beoordeling van het uitgevoerde technische onderzoek. Het hof wenste onder meer – kort en zakelijk weergegeven – nader te worden voorgelicht omtrent de betrouwbaarheid van de meetgegevens afkomstig van de airbagmodule van de bij het ongeval betrokken Dacia. Naar aanleiding van deze opdracht zijn de volgende aanvullende stukken ingekomen: -een NFI-rapport betreffende ‘Snelheidsbepaling naar aanleiding van een verkeersongeval op de Steve Bikoweg (rijksweg N9) te Alkmaar op 3 mei 2010’ van 6 juni 2014, opgemaakt door ir. [deskundige]; -een aanvullende proces-verbaal van bevindingen ‘Onderzoek Verkeersongeval’ van 8 december 2014, opgemaakt door [verbalisant 1]. Ter terechtzitting in hoger beroep van 27 januari 2015 is ir. [deskundige] (NFI) als deskundige gehoord. Het hof is van oordeel dat op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter terechtzittingen in hoger beroep kan worden vastgesteld dat het ongeluk zich heeft voorgedaan conform hypothese 3, zoals verwoord in het proces-verbaal verkeersongevallenanalyse van 24 augustus 2010, opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3]. Deze hypothese houdt als scenario in dat de Citroën, met de verdachte als bestuurder, en de Dacia voorafgaande aan het ongeval beide in de richting van [geboorteplaats] reden, dat de Citroën op enig moment achterop de Dacia is gebotst en dat de Dacia daardoor op de rijstrook van het tegemoetkomende verkeer is gekomen en op de op die rijstrook rijdende Renault is gebotst. Ten aanzien van de vraag naar de rijsnelheid van de Citroën en het rijgedrag van de verdachte overweegt het hof als volgt. Uit de stukken in het dossier en meer in het bijzonder uit het rapport van 6 juni 2014 (p.14) van ir. [deskundige] blijkt dat de rijsnelheid van de Citroën enkel kan worden vastgesteld aan de hand van de uit de airbagregeleenheid van de Dacia afkomstige gegevens over de gereden snelheid van de Dacia. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen de registratie van de snelheidsverandering, welke door inwendige sensoren in de airbagregeleenheid wordt gemeten en de registratie van de rijsnelheid, welke meting elders in de auto wordt verricht en via bedrading aan de airbagmodule wordt aangeboden. Ten aanzien van de registratie van de snelheidsverandering is in het door het NFI verrichte onderzoek gebruik gemaakt van de airbagregeleenheid uit de onderhavige Dacia. Daaruit blijkt dat die registratie binnen een geringe marge correct was. Ten aanzien van de registratie van de rijsnelheid is de nauwkeurigheid van het snelheidssignaal getoetst bij een vergelijkbare Dacia omdat de betrokken Dacia niet meer beschikbaar was. Op grond van die waarnemingen is een nauwkeurigheid aan te nemen van 0-10% en wel zodanig dat de werkelijke snelheid lager is dan de geregistreerde snelheid. In zijn conclusie in zijn rapport overweegt ir. [deskundige] dat de snelheid van de betrokken Citroën ten tijde van het ongeval uitgaande van scenario 3 op betrouwbare wijze kan worden berekend op grond van het natuurkundig beginsel van behoud van impuls. Het resultaat van die berekening is een ondergrens van 113 km/uur en een indicatieve bovengrens van 142 km/uur. Daarbij past echter de kanttekening dat dit resultaat slechts geldt voor zover zowel de geregistreerde snelheidsvermeerdering als de geregistreerde snelheid van de Dacia correct zijn. Ten aanzien van de snelheidsverandering zijn de resultaten betrouwbaar. Ten aanzien van de rijsnelheid is ir. [deskundige] nagegaan wat de invloed zou zijn van een voorstelbare storing, in de zin van het wegvallen van het signaal door een defect aan de sensor of een onderbreking of kortsluiting in de bedrading. Uit dit onderzoek blijkt dat geen sprake is geweest van een langdurig wegvallend snelheidssignaal. Of sprake kan zijn geweest van een eenmalig kortstondig wegvallend snelheidssignaal dat kan leiden tot een verhoging van de gemeten rijsnelheid of van een veelvuldig kortstondig wegvallend signaal waardoor continu ( veel) te hoge snelheden worden berekend, valt echter, nu de ongevals-Dacia niet kan worden onderzocht op bijvoorbeeld een versleten stekkerverbinding, niet meer te controleren zodat niet onomstotelijk is vast te stellen of er bij de ongevalsauto sprake was van een (on)betrouwbaar snelheidssignaal. Nu de geregistreerde rijsnelheid van de Dacia zoals hiervoor overwogen, niet meer kan worden gecontroleerd, kan naar het oordeel van het hof met onvoldoende mate van zekerheid worden vastgesteld wat de snelheid is geweest van Citroën ten tijde van het ongeval. Het hof betrekt bij dit oordeel het feit dat de overige zich in het dossier bevindende stukken geen enkele informatie verschaffen over de mogelijk door de bestuurder van de Dacia en de verdachte gereden snelheid en dat de beoordeling daarvan derhalve uitsluitend kan worden gebaseerd op de – hiertoe niet toereikende – technische gegevens. Als gevolg daarvan kan evenmin op objectieve wijze worden vastgesteld of de verdachte vóór de botsing onvoldoende afstand tot de Dacia heeft bewaard. Het enkele feit dat er een botsing heeft plaatsgevonden, is daarvoor onvoldoende. Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat de aan de verdachte verweten gedragingen met onvoldoende zekerheid kunnen worden vastgesteld en acht het hof de schuld van de verdachte aan het ongeval niet buiten gerede twijfel. Het hof zal de verdachte om die reden vrijspreken van de haar primair en subsidiair ten laste gelegde feiten. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G. Oldekamp, mr. I.H.M. van Asperen de Boer - Delescen en mr. M. Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van mr. S.M. van Zanten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 maart 2015. Mr. M. Gonggrijp-van Mourik is buiten te staat dit arrest te ondertekenen. ========================================================================= [....]
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/155972-18 vonnis van de meervoudige kamer van 27 januari 2020 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1971 te [geboorteplaats] wonende te [adres] raadsman mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg.

1Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 januari 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Simpelaar, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat: hij op of omstreeks 12 mei 2016 te Etten-Leur als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Mitsubishi, type Outlander, kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, de Rijsbergseweg, komende vanuit de richting Etten-Leur, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,- niet, althans niet bij voortduring zijn, verdachte's, aandacht te richten en/of gericht te houden op het vóór hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg en/of op het zich aldaar bevindende overige verkeer en/of- niet, althans niet behoorlijk tijdig en/of voldoende het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig af te remmen en/of tot stilstand te brengen,aangezien hij, verdachte, niet tijdig heeft gezien en/of opgemerkt dat een drietal, althans in elk geval een zich vóór hem op zijn weghelft bevindende bestuurder(s) van motorrijtuig(en) afremden en/of hun snelheid verminderen en/of de door hem/haar/hun bestuurde motorrijtuig(en) tot stilstand brachten, (mede) waardoor hij, verdachte, teneinde een aanrijding/botsing met genoemde motorrijtuigen – die zich op zijn, verdachte's weghelft bevonden - te voorkomen, met het door hem bestuurde motorrijtuig naar links heeft gestuurd en/of is uitgeweken naar de linker rijbaan, alwaar het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (frontaal) in aanrijding/botsing is gekomen met een hem tegemoetkomend motorrijtuig, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;( art 6 Wegenverkeerswet 1994 ) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 12 mei 2016 te Etten-Leur als bestuurder van een voertuig personenauto, merk Mitsubishi, type Outlander, kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, de Rijsbergseweg, - niet, althans niet bij voortduring zijn, verdachte's, aandacht heeft gericht en/of gericht gehouden op het vóór hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg en/of op het zich aldaar bevindende overige verkeer en/of- niet, althans niet behoorlijk tijdig en/of voldoende het door hem, verdachte bestuurde voertuig heeft afgeremd en/of tot stilstand heeft gebracht,aangezien hij, verdachte, niet tijdig heeft gezien en/of opgemerkt dat een drietal, althans in elk geval een zich vóór hem op zijn weghelft bevindende bestuurder(s) van voertuig(en) afremden en/of hun snelheid verminderen en/of de door hem/haar/hun bestuurde voertuig(en) tot stilstand brachten, (mede) waardoor hij, verdachte, teneinde een aanrijding/botsing met genoemde voertuigen - die zich op zijn, verdachte's weghelft bevonden - te voorkomen, met het door hem bestuurde voertuig naar links heeft gestuurd en/of is uitgeweken naar de linker rijbaan, alwaar het door hem, verdachte, bestuurde voertuig (frontaal) in aanrijding/botsing is gekomen met een hem tegemoetkomend voertuig,door welke gedraging(en) van hem, verdachte, gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;( art 5 Wegenverkeerswet 1994 ).

3De voorvragen

De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is van mening dat in dit geval geen sprake is van ernstig ongeoorloofd verkeersgedrag maar van een ongelukkig verkeersongeval, veroorzaakt door een zich verder normaal gedragende automobilist. Het ongeval heeft buitengewoon ernstige gevolgen gehad, maar die gevolgen kunnen verdachte niet worden verweten.

De officier van justitie vordert om die reden een vrijspraak voor de aan verdachte primair verweten overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet. Ten aanzien van het subsidiair aan verdachte ten laste gelegde wijst de officier van justitie er op dat, nadat de vooraan rijdende Opel Zafira richting aangaf om linksaf te slaan en vervolgens stopte, de twee daar achter rijdende auto’s (een Ford Fiësta en een Alfa Romeo) tijdig hebben afgeremd en stopten, maar dat de achter de Alfa Romeo rijdende verdachte niet tijdig heeft afgeremd. Vast staat dat door verdachte niet te hard werd gereden.

Ook staat vast dat alle automobilisten voldoende afstand hadden bewaard. Het kan dus niet anders zijn dan dat verdachte als verkeersdeelnemer onvoldoende aandacht heeft gehad voor hetgeen zich voor hem op de weg afspeelde. Daardoor kon verdachte zijn auto niet tijdig tot stilstand brengen, is hij uitgeweken naar de linker rijbaan - bestemd voor het tegemoetkomend verkeer - en is hij tegen de hem tegemoetkomende auto gereden. De officier van justitie acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte door zijn rijgedrag gevaar op de weg heeft veroorzaakt en zo artikel 5 van de Wegenverkeerswet heeft overtreden. 4.2 Het standpunt van de verdediging Ook de verdediging is van mening dat geen sprake was van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet.

Verdachte gedroeg zich als een normale weggebruiker en dat hij onvoldoende aandacht had voor de verkeerssituatie voor hem kan niet worden vastgesteld. De raadsman wordt daarin gesterkt door de verklaring van [getuige] , die in zijn Alfa Romeo vóór de auto van verdachte reed en verklaarde dat hij best laat zag dat de auto’s voor hem stilstonden, waardoor hij pas laat en daardoor krachtig was gaan remmen. Daardoor heeft [getuige] in feite “een stukje van de reactietijd van verdachte afgenomen”, aldus de verdediging. Mocht al kunnen worden vastgesteld dat verdachte bewijsbaar onoplettend is geweest, dan wijst de raadsman erop dat een kort moment van onoplettendheid onvoldoende is voor de aanname van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

De rechtbank kan derhalve niet tot een bewezenverklaring komen van de primair verweten overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet. Ten aanzien van de subsidiair verweten overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet wijst de raadsman er op dat één enkele verkeersfout niet zonder meer leidt tot het in dat artikel bedoelde gevaarscheppend gedrag. Niet is komen vast te staan dat verdachte onvoldoende afstand heeft gehouden, noch dat hij met te hoge snelheid heeft gereden of dat hij afgeleid was. Verwezen wordt naar de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 13 maart 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:875).

Mede gezien het te late remgedrag van [getuige] kan niet worden vastgesteld dat verdachte concreet gevaarscheppend gedrag heeft vertoond. Ook voor de overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet dient daarom vrijspraak te volgen aldus de raadsman. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Feiten en omstandigheden Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 12 mei 2016 over de Rijsbergseweg te Etten-Leur reed. Opeens zag hij dat er auto’s voor hem stil stonden. Hij herinnert zich dat er drie zwarte auto’s voor hem stil stonden en dat hij geen remlichten heeft gezien.

Verdachte verklaart verder dat hij nog probeerde te remmen en uit volle macht de rem heeft ingetrapt. Toen besefte hij dat hij niet op tijd tot stilstand kon komen. Verdachte verklaart verder dat hij in de veronderstelling was dat de linker rijbaan vrij was en dat hij daarom naar links heeft gestuurd. Terwijl hij naar links stuurde zag hij de flikkering van de zon in een autoruit. Hij besefte toen dat dat een auto was die daar reed. Tegelijk kwam de botsing. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij niet weet waarom hij niet tijdig heeft gezien dat de auto’s voor hem remden en stil stonden.

De politie heeft onderzoek gedaan naar het ongeval op de Rijsbergseweg te Etten-Leur. Het ongeval heeft plaatsgevonden op een recht weggedeelte. De aanrijding heeft zich gezien vanuit de richting Etten-Leur op ongeveer 30 meter voor een kruising plaatsgevonden. De verbalisanten hebben ten aanzien van de weg, het wegdek, de aldaar getroffen verkeersmaatregelen en de weersomstandigheden geen bijzonderheden aangetroffen die van belang zijn voor de oorzaak, de toedracht of de gevolgen van het ongeval. Ook aan het voertuig van verdachte en van het slachtoffer werden geen gebreken geconstateerd die aan het ongeval kunnen hebben bijgedragen.

Artikel 6 van de Wegenverkeerswet Mede op basis van door de HR in jurisprudentie ontwikkelde maatstaven, stelt de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging vast dat verdachte niet in de vereiste hoge mate kan worden verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de overtreding van genoemd artikel 6. Zij zal verdachte vrijspreken van het primair tenlastegelegde. Artikel 5 Wegenverkeerswet De rechtbank stelt vast dat verdachte op een normale provinciale weg reed. Er waren geen gezicht beperkende factoren en het betrof een recht doorgaand stuk weg waarop maximaal 80 kilometer per uur mocht worden gereden.

Vastgesteld is dat verdachte met een snelheid reed van circa 73 of 74 kilometer per uur. Verdachte reed in een Mitsubishi Outlander, een zoals algemeen bekend hoger model dan regulier, en had dus ruim voldoende zicht op het voor zijn auto rijdende verkeer. Toen de Opel Zafira richting aangaf om linksaf te slaan en ging remmen, ging ook de daarachter rijdende Ford Fiësta remmen en vervolgens de heer [getuige] in de Alfa Romeo. Het moge zo zijn dat [getuige] wat later is gaan remmen, maar vast staat dat dit niet zoveel later was dat [getuige] niet meer tijdig in staat was zijn auto tot stilstand te brengen.

Nergens is uit gebleken, en het zou ook wel heel onwaarschijnlijk zijn, dat van alle drie deze auto’s de remlichten niet zouden hebben gefunctioneerd. Verdachte heeft aldus niet tijdig gezien dat de auto’s voor hem gingen remmen. Dit terwijl naar het oordeel van de rechtbank alle omstandigheden op de weg zodanig waren dat hij wel tijdig had kunnen zien dat er voor hem geremd werd. Zo verdachte voldoende afstand in acht heeft genomen ten opzichte van de voor hem rijdende auto, dan kan het dan niet anders zijn dan dat de aandacht van verdachte onvoldoende was gericht op de weg en het zich daarop bevindende verkeer.

Als gevolg daarvan is hij niet tijdig gaan remmen en is hij, toen hij zag dat hij niet op tijd tot stilstand zou komen, in een reflex de linker rijbaan opgereden en tegen de hem tegemoetkomende auto opgereden. Verdachte heeft aldus evident gevaar op de weg veroorzaakt. De rechtbank acht daarom het subsidiaire verwijt wettig en overtuigend bewezen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte subsidiair: op 12 mei 2016 te Etten-Leur als bestuurder van een voertuig personenauto, merk Mitsubishi, type Outlander, kenteken [kenteken] , daarmee rijdende op de weg, de Rijsbergseweg, - niet bij voortduring zijn, verdachte's, aandacht heeft gericht en gericht gehouden op het vóór hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg en op het zich aldaar bevindende overige verkeer en- niet behoorlijk tijdig en/of voldoende het door hem, verdachte bestuurde voertuig heeft afgeremd en/of tot stilstand heeft gebracht,aangezien hij, verdachte, niet tijdig heeft gezien en/of opgemerkt dat een drietal zich vóór hem op zijn weghelft bevindende bestuurders van voertuigen afremden en hun snelheid verminderden en/of de door hen bestuurde voertuigen tot stilstand brachten, waardoor hij, verdachte, teneinde een aanrijding/botsing met genoemde voertuigen - die zich op zijn, verdachte's weghelft bevonden - te voorkomen, met het door hem bestuurde voertuig naar links heeft gestuurd en/of is uitgeweken naar de linker rijbaan, alwaar het door hem, verdachte, bestuurde voertuig (frontaal) in aanrijding is gekomen met een hem tegemoetkomend voertuig,door welke gedragingen van hem, verdachte, gevaar op die weg werd veroorzaakt;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring (cursief) verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke geldboete van € 750,--, subsidiair 15 dagen hechtenis. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft erop gewezen dat inmiddels bijna vier jaar is verstreken, in welke periode verdachte, die al een nagenoeg blanco strafblad had, niet meer in contact is gekomen met justitie.

Een eventuele proeftijd bij een voorwaardelijke straf is op die manier al volbracht. Daarnaast wijst de verdediging erop dat verdachte contact heeft gezocht met de nabestaanden. Voorts heeft ook verdachte verwondingen en schade opgelopen, maar vooral gaat verdachte nog steeds dagelijks gebukt onder het feit dat door zijn aanrijding iemand het leven heeft moeten laten. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Op een doordeweekse dag in mei 2016 reed mevrouw [naam] met haar man van Rijsbergen naar Etten-Leur. Als doorgaand verkeer werd haar voorrang verleend, maar uit het niets kwam de door verdachte bestuurde auto op haar weghelft en botsten beide auto’s nagenoeg frontaal op elkaar.

Mevrouw [naam] raakte zelf zwaar gewond maar voor haar man waren de gevolgen nog dramatischer. Hij raakte eveneens zwaargewond en kwam de daaropvolgende nacht in het ziekenhuis te overlijden. Vast staat dat verdachte, een ervaren bestuurder met op zijn strafblad geen verkeersgerelateerde feiten, een ernstige inschattingsfout heeft gemaakt en onvoldoende heeft opgelet, waardoor hij het verkeer in gevaar heeft gebracht. Met helaas genoemde fatale, onomkeerbare gevolgen. De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat hij kort na het ongeval de keuze heeft gemaakt om de nabestaande te benaderen, telefonisch en middels een brief.

Op de zitting betuigde hij (nogmaals) zijn spijt en zijn medeleven. Voorts heeft ook verdachte zelf letsel opgelopen bij het ongeval. De rechtbank acht voor de bepaling van de straf verder van belang dat het feit inmiddels bijna vier jaar geleden heeft plaatsgevonden en pas nu aan de rechter is voorgelegd. Dat is een onevenredig lange termijn, niet alleen voor de nabestaanden, maar ook voor verdachte. Dit behoort van invloed te zijn op de hoogte van de straf. Daarmee rekening houdend ligt een ontzegging van de rijbevoegdheid, mede ook gezien het feit dat verdachte sindsdien voor zover bekend geen enkele verkeersovertreding heeft gemaakt, niet meer in de rede.

Alles tegen elkaar afwegend acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde geldboete een passende en geboden sanctie. Zij veroordeelt verdachte tot de betaling van een boete van € 750,--, subsidiair 15 dagen hechtenis.

7De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8De beslissing

De rechtbank: Vrijspraak - spreekt verdachte vrij van hetgeen hem primair is tenlastegelegd; Bewezenverklaring - verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het subsidiair bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert: Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994; - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 750,--; - beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 15 dagen. Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Veldhuizen en mr. Voorn, rechters, in tegenwoordigheid van Mertens, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 27 januari 2020. Proces-verbaal van verhoor, pagina 15. Verklaring verdachte ter zitting van 13 januari 2020. Proces-verbaal Verkeer Ongeval Analyse, pagina 39 en verder.