Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2020:2917 ECLI:NL:RBZWB:2020:2917 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2020:2917 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2020:2917
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 19/5423 ZW uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2020 in de zaak tussen [Naam B.V.] B.V., te [plaatsnaam], eiseres gemachtigde: mr. M.H. Feiken, en het UWV, verweerder. Procesverloop In het besluit van 20 februari 2019 (primaire besluit) heeft het UWV aan eiseres meegedeeld dat [naam ex-werknemer] (ex-werknemer) recht heeft op een ZW-uitkering. In het besluit van 13 september 2019 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2020:2917 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Geschil In geschil is of het UWV is uitgegaan van de juiste arbeidsmaatstaf bij de beoordeling of ex-werknemer recht heeft op een ZW-uitkering. Tevens is de ingangsdatum van de uitkering in geschil.

Keywords

AI generated
medically certified work incapacity sick pay insurance benefits sick leave service-incurred health impairment unfit notwithstanding health condition termination of insurance benefits

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2019:2785
171493 ZW Datum uitspraak: 21 augustus 2019 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 januari 2017, 16/1691 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A. Terpstra, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2019. Voor appellant is verschenen mr.
ECLI:NL:CRVB:2020:801
/181373 ZW Datum uitspraak: 26 maart 2020 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 januari 2018, 17/2438 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het Uwv heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2020.
ECLI:NL:CRVB:2017:2465
16/1915 ZW, 16/6538 ZW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 februari 2016, 14/6832 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [naam B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) [naam werkneemster] te [woonplaats] (werkneemster) Datum uitspraak: 12 juli 2017 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.P.M. van Zijl, advocaat, hoger beroep ingesteld.
ECLI:NL:CRVB:2017:2466
15/2420 WIA Datum uitspraak: 12 juli 2017 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 maart 2015, 14/5932 (aangevallen uitspraak) Partijen: [naam B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.M. Lammers-Sigterman, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 15/5722 WIA, 15/2910 WIA, 16/30 WIA, 16/1915 ZW en 16/6538 ZW plaatsgevonden op 15 februari 2017.
ECLI:NL:CRVB:2017:2504
De eigenrisicodrager verricht met betrekking tot de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden, de werkzaamheden ter zake van de voorbereiding van besluiten op grond van deze wet inzake uitkeringen (…). De eigenrisicodrager begeleidt de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden, bij gebleken ongeschiktheid als zou hij in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot de eigenrisicodrager staan, met toepassing van artikel 26, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (…).
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 19/5423 ZW uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2020 in de zaak tussen [Naam B.V.] B.V., te [plaatsnaam], eiseres gemachtigde: mr. M.H. Feiken, en het UWV, verweerder. Procesverloop In het besluit van 20 februari 2019 (primaire besluit) heeft het UWV aan eiseres meegedeeld dat [naam ex-werknemer] (ex-werknemer) recht heeft op een ZW-uitkering. In het besluit van 13 september 2019 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft aan ex-werknemer gevraagd of hij als partij aan deze procedure wil deelnemen. Daarbij is aan ex-werknemer meegedeeld dat als hij niet reageert, de rechtbank aanneemt dat hij niet wil deelnemen aan de procedure. Ex-werknemer heeft niet gereageerd, zodat hij niet als partij is betrokken in deze procedure. Omdat ex-werknemer wel belanghebbende is in deze procedure zal een kopie van deze uitspraak aan hem worden toegezonden. Het UWV heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 april 2020 via telefonisch horen.

Bij het onderzoek waren aanwezig de gemachtigde van eiseres en namens het UWV drs. [vertegenwoordiger]. Overwegingen 1. Feiten Ex-werknemer was werkzaam als operator in 2-ploegendienst via uitzendbureau [uitzendbureau]. Op 12 juni 2017 is hij uitgevallen. Op 27 juni 2017 is hij ziek uit dienst gegaan. Aansluitend heeft hij een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. In het kader van een eerstejaarsziektewetbeoordeling (EZWb) is door het UWV gesteld dat ex-werknemer niet geschikt is voor zijn eigen werk als operator omdat daar sprake was van onregelmatige werktijden.

De arbeidsdeskundige heeft functies geduid die ex-werknemer nog wel kan verrichten. Gelet op de geduide functies werd ex-werknemer minder dan 35% arbeidsongeschikt geacht. Zijn ZW-uitkering werd beëindigd per 12 juli 2018. Ex-werknemer is per 2 juli 2018 gaan werken bij eiseres in de functie van operator in drie ploegendienst. Op 20 augustus 2018 is ex-werknemer uitgevallen. Met ingang van 1 oktober 2018 is de dienstbetrekking met eiseres geëindigd. Op 1 februari 2019 heeft Acture namens eiseres bij het UWV een verzoek ingediend om een beslissing af te geven over de ZW-uitkering, inhoudende weigering van de uitkering per 20 augustus 2018 ten laste van eiseres (eigenrisicodrager) vanwege een mislukte werkhervatting.

Bij dit verzoek is een rapportage van Arbodienst ArdoSZ van 23 januari 2019 gevoegd. Met het primaire besluit is aan eiseres meegedeeld dat op basis van de door eiseres verstrekte informatie ex-werknemer recht heeft op een ZW-uitkering per 20 augustus 2018. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard. Verwezen wordt naar een rapportage van de verzekeringsarts b&b van 4 september 2019.

2. Geschil In geschil is of het UWV is uitgegaan van de juiste arbeidsmaatstaf bij de beoordeling of ex-werknemer recht heeft op een ZW-uitkering. Tevens is de ingangsdatum van de uitkering in geschil.

3. Gronden Eiseres voert aan dat er sprake is van een mislukte werkhervatting. Ex-werknemer was bij de EZWb beperkt voor het werk als operator wegens het werken in onregelmatige diensten. De ziekmelding had beoordeeld moeten worden aan de hand van eerder in het kader van de EZWb geduide functies. Verder heeft eiseres nog gesteld dat het dienstverband pas verbroken is per 1 oktober 2018, zodat de ZW-uitkering pas per 1 oktober 2018 in kan gaan. Naar aanleiding van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 21 augustus 2019 voert eiseres aanvullend aan dat de maatstafproblematiek in deze uitspraak te eenzijdig is benaderd en dat deze uitspraak niet te rijmen is met de uitspraken van de CRvB van 12 juli 2017 en met de bedoeling van de wetgever.

4. Ingangsdatum In het primaire besluit is opgenomen dat ex-werknemer per 20 augustus 2018 recht heeft op ziekengeld. In het bestreden besluit is het primaire besluit aangehaald, waarbij is opgemerkt dat bedoeld is ZW-uitkering toe te kennen per 1 oktober 2018 (einde dienstverband). Ook uit de verdere overwegingen in het bestreden besluit blijkt dat dit zo bedoeld is. Ter zitting heeft het UWV nog bevestigd dat de ingangsdatum van de uitkering 1 oktober 2018 is. De rechtbank zal de vermelding van de datum 20 augustus 2018 als ingangsdatum van de ZW-uitkering daarom aanmerken als een kennelijke misslag.

5. Arbeidsmaatstaf 5.1 Volgens vaste rechtspraak wordt in beginsel onder ‘zijn arbeid’ verstaan de laatstelijk voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid verrichte arbeid. Een uitzondering werd aangenomen in het geval een betrokkene na een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling hervatte in voor hem ongeschikt werk. In dat geval werd uitgegaan van de functies die bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geschikt zijn geacht als ‘zijn arbeid’. In de uitspraak van 21 augustus 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2785) heeft de CRvB geoordeeld dat er aanleiding bestaat om niet langer vast te houden aan de rechtspraak dat ongeschiktheid bij indiensttreding met zich brengt dat het laatstelijk voor uitval verrichte – ongeschikte – werk niet als maatstaf arbeid in de zin van de ZW kan gelden.

Daartoe overweegt de CRvB dat de overwegingen van de wetgever uitdrukking geven aan een veranderde opvatting, waarbij in het kader van werkaanvaarding de nadruk dient te liggen op iemands mogelijkheden tot werken en waarbij een werknemer er uit een oogpunt van rechtszekerheid bij indiensttreding vanuit mag gaan dat het risico van ongeschiktheid voor de aanvaarde arbeid in het kader van de ZW is verzekerd. 5.2 De beroepsgronden van eiseres komen er op neer dat zij het niet eens is met de uitspraak van de CRvB van 21 augustus 2019. Eiseres benadrukt dat er onvoldoende aandacht is geweest voor de belangen van de werkgever/eigenrisicodrager, zoals het belang om niet de ZW-uitkering te hoeven dragen van een werknemer die in dienst komt voor werk waarvoor hij eerder ongeschikt is bevonden.

Ook is volgens eiseres niet in de afweging betrokken dat het toekennen van een ZW-uitkering (mogelijk) leidt tot een hogere premieheffing bij de werkgever (gelet op de Wet Beperking Ziekteverzuim en Arbeidsongeschiktheid Vangnetters). 5.3 De rechtbank overweegt dat de gewijzigde rechtspraak zoals neergelegd in de uitspraak van 21 augustus 2019 nadien nog een paar keer is herhaald, laatstelijk op 26 maart 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:801). Met eiseres stelt de rechtbank vast dat het in de betreffende uitspraken steeds om een werknemer ging die in beroep was gekomen tegen de weigering een ZW-uitkering toe te kennen.

Dit betekent echter niet dat er, zoals eiseres stelt, alleen naar het belang van de werknemer is gekeken. De CRvB heeft een bepaalde afweging gemaakt vanuit een veranderde opvatting van de wetgever met oog voor de rechtszekerheid van de werknemer. Dat andere oogpunten daarbij geen doorslaggevende rol hebben gespeeld, maakt niet dat die afweging anders had moeten uitvallen. Het feit dat bepaalde belangen of gevolgen niet expliciet zijn genoemd, maakt dit ook niet anders. 5.4 Eiseres stelt in de aanvullende gronden van 10 april 2020 dat met het verzoek van 1 februari 2019 aan het UWV eigenlijk bedoeld is de eerste arbeidsongeschiktheidsdag te verleggen op grond van de jurisprudentie van de CRvB van 12 juli 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2465, ECLI:NL:CRVB:2017:2466 en ECLI:NL:CRVB:2017:2504).

In het bestreden besluit wordt verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts b&b, waarin is vermeld dat het ziektebeeld van ex-werknemer bij uitval op 20 augustus 2018 en bij de EZWb van mei 2018 weliswaar vergelijkbaar is, maar dat hij zijn werk wel gedurende zeven weken heeft uitgevoerd. Volgens het UWV is de eerste arbeidsongeschiktheidsdag terecht vastgesteld op 20 augustus 2018. 5.5 De rechtbank overweegt dat het laatstelijk voor uitval verrichte werk van operator op grond van het voorgaande als arbeidsmaatstaf heeft te gelden en ex-werknemer uitgevallen is voor deze arbeid op 20 augustus 2018.

Een eerdere ziekte(wet)periode kan daar niet aan afdoen. Het UWV heeft dan ook terecht de eerste arbeidsongeschiktheidsdag in dit geval vastgesteld op 20 augustus 2018. 5.6 Bovenstaande betekent dat het UWV op goede gronden als arbeidsmaatstaf de functie van operator heeft genomen, eiser per 20 augustus 2018 arbeidsongeschikt heeft geacht en de ZW-uitkering per 1 oktober 2018 heeft toegekend. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 30 juni 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen. rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.