Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2020:2689 ECLI:NL:RBZWB:2020:2689 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2020:2689 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2020:2689
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummer BRE 20/6258 en 20/6259 uitspraak van 25 juni 2020 Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] (Portugal), belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Motivering Aanleiding De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 29 november 2019 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (aanslagnummer [aanslagnummer] .H.66.01) en een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (aanslagnummer [aanslagnummer] .W.66.01.04) voor het jaar 2016 opgelegd.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 4:17 van de Awb, artikel 8:55c van de Awb, artikel 8:55d van de Awb, artikel 8:55 Awb; ECLI:NL:RBZWB:2020:2689 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: De toezegging van het gesprek heeft kennelijk, zo blijkt uit een e-mail van belanghebbende van 3 december 2019 plaatsgevonden in het kader van het naar belanghebbende op 12 november 2019 ingestelde woonplaatsonderzoek. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het niet of slechts onder voorwaarden nakomen van de gedane toezegging het ingestelde woonplaatsonderzoek vertraagt, kan dit niet worden aangemerkt als een omstandigheid die opschorting van de beslistermijn in bezwaar met toepassing van artikel 4:15, tweede lid, onderdeel b van de Awb rechtvaardigt.

Keywords

AI generated
unjustified procedural delay duty to investigate facts restricted right of inspection missed deadline consultation of information suspension of investigation

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
artikel 4:17 van de Awb
De brief van belanghebbende van 15 april 2020 moet dus als een ingebrekestelling worden aangemerkt in de zin van artikel 4:17 van de Awb.
artikel 8:55c van de Awb
Verbeurde dwangsom Op grond van artikel 8:55c van de Awb kan de rechtbank in dit geval ook de hoogte van de ingevolge van afdeling 4.1.3.
artikel 8:55d van de Awb
De termijn is met toepassing van het derde lid van artikel 8:55d van de Awb op een langere termijn dan twee weken gesteld in verband met de Corona-perikelen.
artikel 8:55 Awb
Pauwels Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2015:3506
14/919 WWB Datum uitspraak: 13 oktober 2015 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 7 januari 2014, 12/2958 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.W. van de Wege, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2015. Appellant is, zoals vooraf bericht, niet verschenen.
ECLI:NL:HR:2016:485
25 maart 2016 nr. 15/01642 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch van 26 februari 2015, nrs. 14/00683 tot en met 14/00691, op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 februari 2014 (nrs. AWB 14/615 tot en met 14/623) betreffende aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen en aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), de daarbij gegeven boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffings- en belastingrente over de jaren 2001 tot en met 2009. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2015:1352
29 mei 2015 nr. 14/05515 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 oktober 2014, nr. AWB 14/1568 en 14/1569, betreffende de beschikking tot vaststelling van een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 Awb alsmede de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:CRVB:2017:1815
16/4095 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 9 mei 2016, 16/53 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris) Datum uitspraak: 4 mei 2017 PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Namens de staatssecretaris heeft mr. G.B. Honders, advocaat, een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2017. Appellante is verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummer BRE 20/6258 en 20/6259 uitspraak van 25 juni 2020 Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] (Portugal), belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Motivering Aanleiding De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 29 november 2019 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (aanslagnummer [aanslagnummer] .H.66.01) en een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (aanslagnummer [aanslagnummer] .W.66.01.04) voor het jaar 2016 opgelegd.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld wegens het niet-tijdig beslissen op het tegen de aanslagen gemaakte bezwaar. Belanghebbende heeft daarbij verzocht te beslissen dat de inspecteur zo spoedig mogelijk alsnog uitspraken op bezwaar doet. Beroep tegen niet-tijdig beslissen Het bezwaarschrift tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2016 is ingediend op 2 december 2019. De inspecteur heeft bij brief van 11 december 2020 de beslistermijn onder toepassing van artikel 7:10, derde lid, van de Awb met zes weken verlengd. De inspecteur diende daarom in beginsel uiterlijk op 3 april 2020 op het bezwaar te beslissen.

Tot zover is er geen geschil. Belanghebbende heeft bij brief van 15 april 2020 de inspecteur in gebreke gesteld. Volgens de inspecteur is deze ingebrekestelling prematuur. Het is niet duidelijk of de inspecteur in beroep nu wel of niet als verweer voert dat de beslistermijn is opgeschort omdat de inspecteur belanghebbende, op zijn verzoek, in de gelegenheid heeft gesteld het bezwaar nader te motiveren. Ook als dat wel het geval is, kan dat verweer de inspecteur niet helpen. De omstandigheid dat de inspecteur een termijn heeft gegeven voor een nadere motivering, brengt op zichzelf nog niet mee dat de beslistermijn wordt opgeschort op grond van artikel 7:10, tweede lid, van de Awb, ook niet indien de belanghebbende zelf heeft verzocht om een termijn voor het indienen van nadere gronden.

Daarvoor is nodig dat sprake is van een verzuim om de gronden aan te voeren. En dat is hier niet het geval. Het bezwaarschrift was gemotiveerd, zij het kort. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de termijn voor het doen van uitspraak is opgeschort, op grond van artikel 4:15, tweede lid, onderdeel b en onderdeel c van de Awb, dan wel (verder) is uitgesteld, zodat de ingebrekestelling prematuur was. De inspecteur stelt – samengevat – dat nu belanghebbende niet, dan wel niet volledig en binnen de beslistermijn heeft voldaan aan de gedane verzoeken om informatie en de toezegging voor een gesprek zelf heeft ingetrokken, de vertraging van de bezwaarprocedure aan belanghebbende kan worden toegerekend (artikel 4:15, tweede lid, onderdeel b, van de Awb).

Dit betoog faalt. Gelet op de parlementaire geschiedenis ziet artikel 4:15, tweede lid, onderdeel b, van de Awb op omstandigheden zoals een belanghebbende die om uitstel heeft verzocht voor de hoorzitting of om nader onderzoek heeft gevraagd. De omstandigheid dat belanghebbende niet de door de inspecteur verlangde informatie heeft verstrekt vormt op zichzelf onvoldoende grond om de vertraging in de behandeling van het bezwaar aan belanghebbende toe te rekenen. Voorts kan de omstandigheid dat belanghebbende een gesprek heeft toegezegd niet leiden tot het oordeel dat de vertraging in de behandeling van het bezwaar aan belanghebbende is toe te rekenen.

De toezegging van het gesprek heeft kennelijk, zo blijkt uit een e-mail van belanghebbende van 3 december 2019 plaatsgevonden in het kader van het naar belanghebbende op 12 november 2019 ingestelde woonplaatsonderzoek. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het niet of slechts onder voorwaarden nakomen van de gedane toezegging het ingestelde woonplaatsonderzoek vertraagt, kan dit niet worden aangemerkt als een omstandigheid die opschorting van de beslistermijn in bezwaar met toepassing van artikel 4:15, tweede lid, onderdeel b van de Awb rechtvaardigt.

Een weigerachtige houding bij de belastingplichtige om informatie te verstrekken ligt in de risicosfeer van de inspecteur. De wetgever heeft voor een dergelijk geval voorzieningen getroffen (de informatiebeschikking). De inspecteur heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Voorts heeft de inspecteur betoogd dat hij in verband met de Corona-crisis in Nederland niet in staat is de behandeling van het bezwaarschrift overeenkomstig de wettelijke voorschriften uit te voeren en dat de termijn wegens overmacht met de duur van de specifieke noodmaatregelen die door de rijksoverheid zijn afgekondigd is opgeschort (artikel 4:15, tweede lid, onderdeel c van de Awb).

De inspecteur heeft de opschorting bij brief en e-mail met dagtekening 26 maart 2020 aan belanghebbende medegedeeld. Ook dit betoog faalt. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat van overmacht sprake is in geval van een onmogelijkheid om te beslissen die veroorzaakt wordt door uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden buiten toedoen van het bestuursorgaan en die ook buiten zijn risicosfeer liggen. De rechtbank onderkent dat de Corona-crisis een uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheid is die buiten het toedoen en buiten de risicosfeer van de inspecteur ligt.

Het is aannemelijk dat de Corona-crisis overmacht voor ten minste enige dagen meebrengt. De inspecteur heeft echter onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat het voor hem door de Corona-crisis redelijkerwijs onmogelijk was om tijdig – dus uiterlijk 3 april 2020 – een beslissing te nemen. Er zijn in elk geval onvoldoende feiten gesteld die een opschorting tot langer dan 14 april 2020 rechtvaardigen. Opmerking verdient daarbij dat reeds op 3 en 6 april 2020 weer brieven zijn verstuurd door de inspecteur. Opmerking verdient bij dit een en ander verder dat de gestelde overmacht door de Corona-crisis in wezen erop gebaseerd lijkt te zijn dat als gevolg van die crisis het onderzoek niet kan worden afgerond.

Dat laatste betekent (echter) niet dat de inspecteur niet in staat was uitspraak op bezwaar te doen. Dat geldt ook voor de aangevoerde problemen voor het horen, nog los ervan dat niet duidelijk is gemaakt waarom niet telefonisch had kunnen worden gehoord. De uitspraaktermijn eindigde dus op 3 april 2020. De brief van belanghebbende van 15 april 2020 moet dus als een ingebrekestelling worden aangemerkt in de zin van artikel 4:17 van de Awb. Aangezien niet is gebleken dat de inspecteur inmiddels uitspraken op bezwaar heeft gedaan, zijn de beroepen tegen het niet-tijdig beslissen daarom kennelijk gegrond.

Verbeurde dwangsom Op grond van artikel 8:55c van de Awb kan de rechtbank in dit geval ook de hoogte van de ingevolge van afdeling 4.1.3. van de Awb verbeurde dwangsom vaststellen. Gelet op de datum van de ingebrekestelling is de inspecteur inmiddels de maximale dwangsom verschuldigd van € 1.442. Hoewel het gaat om twee te nemen uitspraken op bezwaar, is slechts één dwangsom verbeurd gelet op de samenhang tussen de zaken. Er is immers via één brief bezwaar gemaakt en de zaken hangen ook inhoudelijk samen. Termijnstelling en nadere dwangsom (artikel 8:55d van de Awb) Omdat het de rechtbank niet is gebleken dat de inspecteur inmiddels uitspraken op bezwaar heeft gedaan, zal de rechtbank op basis van artikel 8:55d van de Awb bepalen dat de inspecteur binnen drie weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog de uitspraken op bezwaar doet.

De termijn is met toepassing van het derde lid van artikel 8:55d van de Awb op een langere termijn dan twee weken gesteld in verband met de Corona-perikelen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb in overeenstemming met het landelijk gepubliceerde beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat de inspecteur een dwangsom van € 100 verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor bedoelde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000. Deze bedragen gelden voor de uitspraken op bezwaar tezamen.

Proceskosten De rechtbank veroordeelt de inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor van 0,5). Verder krijgt belanghebbende het griffierecht vergoed. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond; - vernietigt de met besluiten gelijk te stellen niet tijdig nemen van uitspraken op bezwaar; - draagt de inspecteur op om binnen drie weken na verzending van deze uitspraak alsnog uitspraken op bezwaar te doen; - bepaalt dat de inspecteur een dwangsom van € 100 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000; - stelt de door de inspecteur verbeurde dwangsom vast op € 1.442; - veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 262,50; - draagt de inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 48 aan hem te vergoeden.

Deze uitspraak is op 25 juni 2020 gedaan door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona-virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken. De griffier, De rechter, mr. F.E.M. Houben mr. M.R.T. Pauwels Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb).

De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. Vgl. CRvB 13 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3506. Kamerstukken II 2005/06, 30 435, nr. 3, p. 15-16. Vgl. HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:485. Kamerstukken II 2005/06, 30 345, nr. 3, p. 14-15. Vgl. HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1352 en CRvB 4 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1815.