Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2020:1353 ECLI:NL:RBZWB:2020:1353 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2020:1353 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2020:1353
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Wrakingskamer Locatie: Breda Procedurenummer: 02/369699 HA RK 20-48 Beslissing van 16 maart 2020 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van: [verzoeker] , woonachtig aan de [adres] , verzoeker. 1Procesverloop Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit: het wrakingsverzoek, gedateerd 28 februari 2020; het e-mailbericht van verzoeker van 7 maart 2020; de processtukken zoals opgenomen in het dossier van de rechtbank in de hoofdzaak. 2Het verzoek 2.1. Het verzoek strekt tot wraking van mr. Stassen (hierna: de rechter), belast met de behandeling van het door verzoeker ingediende beroep in de zaak met zaaknummer BRE 18/6547 MRB, op de gronden die verzoeker heeft uiteengezet in het wrakingsverzoek. 2.2. De rechter berust niet in het verzoek tot wraking. 3Feiten In de hoofdzaak heeft verzoeker, op grond van artikel 8:55 van de Awb, verzet aangetekend tegen de uitspraak van de rechtbank van 10 mei 2019.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:55 van de Awb, artikel 8:15 van de Awb; ECLI:NL:RBZWB:2020:1353 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Beoordelingskader 5.1. Op grond van artikel 8:15 van de Awb kan een partij elk van de rechters die een zaak behandelen wraken op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 5.2. Voorop moet worden gesteld, dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter als uitgangspunt geldt, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

Keywords

AI generated
expiry of statutory deadline statute of limitations bar timeliness of filing untimely restitution petition late submission preclusion late objection to debt enforcement

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Wrakingskamer Locatie: Breda Procedurenummer: 02/369699 HA RK 20-48 Beslissing van 16 maart 2020 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van: [verzoeker] , woonachtig aan de [adres] , verzoeker.
artikel 8:55 van de Awb
3Feiten In de hoofdzaak heeft verzoeker, op grond van artikel 8:55 van de Awb, verzet aangetekend tegen de uitspraak van de rechtbank van 10 mei 2019.
artikel 8:15 van de Awb
Op grond van artikel 8:15 van de Awb kan een partij elk van de rechters die een zaak behandelen wraken op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Wrakingskamer Locatie: Breda Procedurenummer: 02/369699 HA RK 20-48 Beslissing van 16 maart 2020 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van: [verzoeker] , woonachtig aan de [adres] , verzoeker. 1Procesverloop Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit: het wrakingsverzoek, gedateerd 28 februari 2020; het e-mailbericht van verzoeker van 7 maart 2020; de processtukken zoals opgenomen in het dossier van de rechtbank in de hoofdzaak. 2Het verzoek 2.1. Het verzoek strekt tot wraking van mr. Stassen (hierna: de rechter), belast met de behandeling van het door verzoeker ingediende beroep in de zaak met zaaknummer BRE 18/6547 MRB, op de gronden die verzoeker heeft uiteengezet in het wrakingsverzoek. 2.2. De rechter berust niet in het verzoek tot wraking. 3Feiten In de hoofdzaak heeft verzoeker, op grond van artikel 8:55 van de Awb, verzet aangetekend tegen de uitspraak van de rechtbank van 10 mei 2019.

4Het standpunt van verzoeker

Verzoeker heeft aangevoerd, kort weergegeven, dat de rechter de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt doordat: alle (bestuurs)rechters van de “toeslagaffaire” hebben geweten, maar niets tegen dit onrecht hebben gedaan; de rechtbank partijen ongelijk bejegent, zoals het verschil in termijnen. Verzoeker zou 14 dagen krijgen, terwijl de belastingdienst zes weken/twee maanden wordt toegekend. Verder zou verzoeker amper 5 dagen krijgen om te reageren, hetgeen de fiscus nooit zou worden verzocht.

5De beoordeling

Beoordelingskader 5.1. Op grond van artikel 8:15 van de Awb kan een partij elk van de rechters die een zaak behandelen wraken op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 5.2. Voorop moet worden gesteld, dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter als uitgangspunt geldt, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

Ten aanzien van de eerste wrakingsgrond 5.3. De wrakingskamer stelt voorop dat de eerste wrakingsgrond, dat alle (bestuurs)rechters van de “toeslagaffaire” hebben geweten, in wezen is gericht tegen alle (bestuurs)rechters van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Dit kan niet als een feit of omstandigheid worden aangemerkt specifiek betrekking hebbend op de persoon van de rechter. Daarnaast is een verzoek om wraking van een rechterlijk college, of een heel team van een dergelijk college, als zodanig geen wrakingsverzoek waarop de in 5.1 genoemde bepaling doelt.

Een dergelijk wrakingsverzoek is dan ook niet mogelijk. 5.4. Dit betekent dat het wrakingsverzoek, voor zover het is gericht tegen alle (bestuurs)rechters kennelijk niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard. Ten aanzien van de tweede wrakingsgrond 5.5. Naar het oordeel van de wrakingskamer kan uit de tweede aangevoerde wrakingsgrond geen zwaarwegende omstandigheid als bedoeld in 5.2 worden afgeleid. 5.6. De wrakingskamer stelt voorop dat de door het team bestuursrecht van de rechtbank Zeeland-West-Brabant gehanteerde termijnen zijn gebaseerd op het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken (niet-KEI-zaken) 2017 (hierna: het Procesreglement).

De ten aanzien van verzoeker en de belastingdienst gehanteerde termijnen kunnen dus niet specifiek aan de rechter worden toegerekend. 5.7. Voorts is aan de inspecteur van de belastingdienst, bij brief van 25 oktober 2018, een termijn van vier weken gesteld om de stukken in te dienen die betrekking hebben op de zaak. Deze termijn is gelijk aan de termijn die aan de indiener van het beroepschrift wordt geboden voor herstel van een verzuim, zoals de (nadere) motivering van het beroepschrift (artikel 2.4 van het Procesreglement). Nadat de hiervoor bedoelde termijn van vier weken was verstreken, heeft de rechtbank de inspecteur van de belastingdienst gerappelleerd en nogmaals een termijn van vier weken geboden.

Ook deze termijn is gelijk aan de termijn die aan de indiener van het beroepschrift wordt geboden bij rappel voor herstel van een verzuim.In het vervolg is telkens een termijn van twee weken geboden aan verzoeker en aan de inspecteur van de belastingdienst (zoals in de brief van de rechtbank van 26 maart 2019). Uit het voorgaande kan dus worden afgeleid dat de stelling dat verschillende termijnen worden gehanteerd feitelijke grondslag mist. 5.8. De door verzoeker genoemde termijn van vijf dagen heeft betrekking op de brief van de wrakingskamer van 5 maart 2020, waarin een termijn van één week wordt geboden.

Een door de wrakingskamer gestelde termijn, die dus bovendien is gesteld na het verzoek om wraking, kan niet aan de rechter worden toegerekend. 5.9. Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de wrakingskamer niet gebleken dat de bij verzoeker bestaande vrees dat de rechter ten aanzien van verzoeker vooringenomenheid koestert objectief gerechtvaardigd is. 5.10. Dit alles leidt ertoe dat het wrakingsverzoek voor het overige moet worden afgewezen. 6Beslissing De rechtbank: verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk voor zover het berust op de grond dat alle (bestuurs)rechters hebben geweten van de toeslagaffaire; wijst het verzoek tot wraking voor het overige af; bepaalt dat de behandeling van de zaak met zaaknummer:

BRE 18/6547 MRB zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van dit verzoek. Deze beslissing is gegeven op 16 maart 2020, door mr. Peters, voorzitter, mr. Van der Ploeg-Hogervorst en mr. Pellikaan, leden van de wrakingskamer, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Van Wijk, griffier. De griffier, De voorzitter, De voorzitter is buiten staat de beslissing te ondertekenen. Daarom is de beslissing alleen door de griffier ondertekend. Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.