Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2019:511 ECLI:NL:RBZWB:2019:511 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2019:511 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2019:511
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Middelburg zaak/rekestnr: C/02/354050 / FA RK 19-290 beschikking d.d. 8 februari 2019 in de zaak van [verzoekster] (hierna: de vrouw), en [verzoeker] (hierna: de man), beiden wonende te [plaats] , verzoekers, advocaat: mr. C.L. de Koeijer te Terneuzen. 1 1. Het procesverloop De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken: - het op 27 december 2018 ingekomen gemeenschappelijk verzoek tot verzoening, met producties. 2 2. De feiten 2.1. Partijen zijn op 1 maart 2010 te [plaats] in gemeenschap van goederen gehuwd. 2.2.

Legislator headnote

AI generated

artikel 1:176 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 1:116 BW; ECLI:NL:RBZWB:2019:511 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: De rechtbank overweegt als volgt. Het verzoek van partijen is – kennelijk – gebaseerd op artikel 1:176 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin is bepaald dat een scheiding van tafel en bed eindigt door verzoening van de echtgenoten, op het tijdstip dat zij op hun eensluidend verzoek in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 1:116 BW, hebben doen inschrijven dat de scheiding heeft opgehouden te bestaan. De verzoening op zichzelf is ‘vormvrij’; een rechterlijke uitspraak dat de scheiding tussen partijen heeft opgehouden te bestaan, is dus niet nodig.

Keywords

AI generated
splitting of pensions for spouses division of property living separate and apart modification of divorce decree remarriage liquidation of matrimonial property

Cited Legislation

AI generated
artikel 1:176 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek
artikel 1:116 BW
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Middelburg zaak/rekestnr: C/02/354050 / FA RK 19-290 beschikking d.d. 8 februari 2019 in de zaak van [verzoekster] (hierna: de vrouw), en [verzoeker] (hierna: de man), beiden wonende te [plaats] , verzoekers, advocaat: mr. C.L. de Koeijer te Terneuzen. 1 1. Het procesverloop De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken: - het op 27 december 2018 ingekomen gemeenschappelijk verzoek tot verzoening, met producties. 2 2. De feiten 2.1. Partijen zijn op 1 maart 2010 te [plaats] in gemeenschap van goederen gehuwd. 2.2.

Bij beschikking van 6 april 2016 van deze rechtbank – ingeschreven in het huwelijksgoederenregister op 21 oktober 2016 – is de scheiding van tafel en bed in het huwelijk van partijen uitgesproken. 2.3. Partijen hebben zich inmiddels verzoend en zijn thans woonachtig op hetzelfde adres. 3Het verzoek en de beoordeling 3.1. Partijen verzoeken de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. te bepalen dat de scheiding tussen partijen heeft opgehouden te bestaan; II. de verzoening in te schrijven in het huwelijksgoederenregister; 3.2.

De rechtbank overweegt als volgt. Het verzoek van partijen is – kennelijk – gebaseerd op artikel 1:176 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin is bepaald dat een scheiding van tafel en bed eindigt door verzoening van de echtgenoten, op het tijdstip dat zij op hun eensluidend verzoek in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 1:116 BW, hebben doen inschrijven dat de scheiding heeft opgehouden te bestaan. De verzoening op zichzelf is ‘vormvrij’; een rechterlijke uitspraak dat de scheiding tussen partijen heeft opgehouden te bestaan, is dus niet nodig.

Vereist voor de beëindiging van de scheiding van tafel en bed door verzoening is wel de inschrijving daarvan in het huwelijksgoederenregister. Uit artikel 1, lid 3 van het Besluit Huwelijksgoederenregister 1969 volgt dat ter verkrijging van die inschrijving de echtgenoten dienen te verklaren dat de scheiding van tafel en bed door verzoening heeft opgehouden te bestaan en dat de griffier van die verklaring een akte opmaakt, die de echtgenoten in persoon of bij gevolmachtigde ondertekenen. 3.3. De rechtbank ziet aanleiding het verzoek van partijen aldus te begrijpen dat zij daarmee – middels de door hen daartoe gemachtigde advocaat, die het verzoek heeft ondertekend – schriftelijk verklaren dat de scheiding van tafel en bed door verzoening heeft opgehouden te bestaan (waarmee het verzoek is gelijk te stellen met de blijkens artikel 1, lid 3 van het Huwelijksgoederenregister vereiste akte), en voorts eensluidend verzoeken zulks in het huwelijksgoederenregister in te schrijven als bedoeld in artikel 1:176, lid 1 BW.

De rechtbank zal dan ook de griffier gelasten in het huwelijksgoederenregister in te schrijven dat de scheiding van tafel en bed in het huwelijk van partijen heeft opgehouden te bestaan. Hetgeen meer of anders is verzocht, zal worden afgewezen.

4De beslissing

De rechtbank: gelast de griffier in het huwelijksgoederenregister in te schrijven dat de scheiding van tafel en bed in het huwelijk van partijen door verzoening heeft opgehouden te bestaan; wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. S.M.J. van Dijk, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2019 in tegenwoordigheid van mr. S.P. Vliegenthart, griffier. SV