Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2019:4780 ECLI:NL:RBZWB:2019:4780 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2019:4780 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2019:4780
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummer: 02/665963-14 (ontneming) beslissing van de rechtbank d.d. 1 november 2019 in de ontnemingszaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1967 te [geboorteplaats 1] wonende te [adres 1] raadsman mr. P. van Tour, advocaat te Rotterdam 1De procedure Betrokkene is bij vonnis van heden door deze rechtbank veroordeeld voor medeplichtigheid aan hennepteelt tot de in die uitspraak vermelde straf. De officier van justitie heeft ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd.

Legislator headnote

AI generated

artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht; ECLI:NL:RBZWB:2019:4780 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: De verdediging is van mening dat het voordeel € 300,= bedraagt, namelijk het bedrag dat van de verstrekte € 3000,= over is gebleven na aftrek van de betaalde huur. 4Het oordeel van de rechtbank 4.1 Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel Dat betrokkene het bewezenverklaarde heeft begaan en de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel blijkt uit het vonnis van deze rechtbank van heden. De rechtbank ontleent aan de inhoud van de bewijsmiddelen zoals opgenomen in het hiervoor aangehaalde vonnis het oordeel dat betrokkene door middel van het begaan van voormeld feit een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft gehad.

Keywords

AI generated
expropriation costs housing costs restrictions based on price cost-recovery principle deduction for property maintenance costs unnecessary costs

Cited Legislation

AI generated
artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank ontleent aan de inhoud van de bewijsmiddelen zoals opgenomen in het hiervoor aangehaalde vonnis het oordeel dat betrokkene door middel van het begaan van voormeld feit een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft gehad.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummer: 02/665963-14 (ontneming) beslissing van de rechtbank d.d. 1 november 2019 in de ontnemingszaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1967 te [geboorteplaats 1] wonende te [adres 1] raadsman mr. P. van Tour, advocaat te Rotterdam 1De procedure Betrokkene is bij vonnis van heden door deze rechtbank veroordeeld voor medeplichtigheid aan hennepteelt tot de in die uitspraak vermelde straf. De officier van justitie heeft ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd.

De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 oktober 2019, waarbij de officier van justitie, mr. Simpelaar, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Aanvankelijk heeft de officier van justitie gevorderd het wederrechtelijk verkregen voordeel te schatten op € 232.296,=. Ter zitting is gevorderd het voordeel te schatten op € 1.650,=. 2Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid van hennepteelt door het ter beschikking stellen van een ruimte ten behoeve van hennepteelt en daarmee een voordeel heeft behaald ter hoogte van € 1.650,=.

Dit bedrag is gebaseerd op de verklaring van verdachte dat hij een vergoeding zou ontvangen van € 150,= per maand.

3Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat het voordeel € 300,= bedraagt, namelijk het bedrag dat van de verstrekte € 3000,= over is gebleven na aftrek van de betaalde huur. 4Het oordeel van de rechtbank 4.1 Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel Dat betrokkene het bewezenverklaarde heeft begaan en de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel blijkt uit het vonnis van deze rechtbank van heden. De rechtbank ontleent aan de inhoud van de bewijsmiddelen zoals opgenomen in het hiervoor aangehaalde vonnis het oordeel dat betrokkene door middel van het begaan van voormeld feit een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft gehad.

Bij de bepaling van het wederrechtelijk genoten voordeel hanteert de rechtbank de volgende uitgangspunten: - betrokkene heeft erkend dat hij een huurcontract heeft gesloten voor een ruimte in een pand aan de [adres 2] te Oosterhout en dat hij hiervoor € 150,= per maand zou ontvangen; - de huur van die ruimte is ingegaan op 1 oktober 2013; - uit de faktuurhistorie blijkt dat er daarna in totaal tien keer huur is betaald. Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 1.500,=, zijnde 10 maanden à € 150,=. 4.2 Vaststelling ontnemingsbedrag De rechtbank zal het terug te betalen bedrag vaststellen op € 1.500,=.

5De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6De beslissing

De rechtbank: - stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 1.500,=. - legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 1.500,=, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze beslissing is gegeven door mr. Van der Linden, voorzitter, mr. Van Kralingen en mr. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier Van den Goorbergh en is uitgesproken ter openbare zitting op 1 november 2019.