Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2019:4541 ECLI:NL:RBZWB:2019:4541 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2019:4541 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2019:4541
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummer BRE 19/2386 uitspraak van 18 oktober 2019 Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] (België), belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1Motivering Inleiding 1.1. Bij uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur de bezwaren van belanghebbende tegen de inhouding van loonheffing over de tijdvakken november 2018 en december 2018 ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:54 Awb, artikel 8:55 Awb; ECLI:NL:RBZWB:2019:4541 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: In de tweede uitspraak heeft het Gerechtshof wel inhoudelijk aan artikel 110 VWEU getoetst maar geoordeeld dat het beroep op dat artikel niet slaagt. 1.4. De Hoge Raad heeft de tegen die uitspraken ingestelde cassatieberoepen op 13 september 2019 ongegrond verklaard met toepassing van artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie (ECLI:NL:HR:2019:1321 en ECLI:NL:HR:2019:1320). 1.5. De rechtbank heeft belanghebbende vervolgens bij brief verzocht de rechtbank te informeren of de arresten van de Hoge Raad voor belanghebbende aanleiding zijn om het beroep in te trekken, dan wel indien dat niet het geval is eventueel een nadere motivering te geven.

Keywords

AI generated
motor vehicle expenses voluntary restraint excessive price notional interest deduction vehicle tax right to higher insurance cover

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
artikel 8:54 Awb
In gevallen waarin tussen partijen een geschil bestaat, kan de rechter de zaak afdoen met toepassing van artikel 8:54 Awb indien hij van oordeel is dat over de uitkomst van dat geschil in redelijkheid geen twijfel mogelijk is.
artikel 8:55 Awb
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHSHE:2018:5410
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerken: 18/00380 tot en met 18/00391 Uitspraak op de hoger beroepen van [belanghebbende] , wonende te [plaats 1] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 8 juni 2018, nummer BRE 17/4270, 17/7531 tot en met 17/7534, 17/7536 tot en met 17/7540, 17/7542 en 17/7543, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de Inspecteur, betreffende de hierna vermelde afdrachten op aangifte. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1.
ECLI:NL:GHSHE:2018:5411
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerken: 18/00370 tot en met 18/00378 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonende te [plaats 1] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 8 juni 2018, nummer BRE 17/7620, 17/7722 tot en met 17/7729 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de Inspecteur, betreffende de hierna vermelde afdrachten op aangifte. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1.
ECLI:NL:HR:2019:1321
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 19/00208 Datum 13 september 2019 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 december 2018, nrs. 18/00380 tot en met 18/00391, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 17/4270, 17/7531 tot en met 17/7534, 17/7536 t/m 17/7540, 17/7542 en 17/7543 betreffende de van belanghebbende ingehouden bedragen aan loonheffing over de tijdvakken september 2016 tot en met augustus 2017.
ECLI:NL:HR:2019:1320
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 19/00206 Datum 13 september 2019 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 december 2018, nrs. 18/00370 tot en met 18/00378, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 17/7620 en 17/7722 tot en met 17/7729) betreffende de van belanghebbende ingehouden bedragen aan loonheffing over de tijdvakken 1 januari 2017 tot en met 29 januari 2017, 30 januari 2017 tot en met 26 februari 2017, 27 februari 2017 tot en met 26 maart 2017, 27 maart 2017 tot en met 23 april 2017, 24 april 2017 tot en met 21 mei 2017, 22 mei 2017 tot en met 18 juni 2017, 19 juni 2017 tot en met 16 juli 2017, 17 juli 2017 tot en met 13 augustus 2017 en 14 augustus 2017 tot en met 10 september 2017.
ECLI:NL:HR:2019:787
24 mei 2019 Nr. 18/02346 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 16 april 2018, nr. AWB 17/4261, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende een met toepassing van artikel 8:75a Awb gegeven beslissing op het verzoek van belanghebbende om vergoeding van proceskosten. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummer BRE 19/2386 uitspraak van 18 oktober 2019 Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] (België), belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1Motivering Inleiding 1.1. Bij uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur de bezwaren van belanghebbende tegen de inhouding van loonheffing over de tijdvakken november 2018 en december 2018 ongegrond verklaard.

Hiertegen heeft belanghebbende tijdig beroep ingesteld. 1.2. Het beroep heeft betrekking op de loonheffing die is ingehouden ter zake van de zogenoemde bijtelling voor privégebruik auto (autokostenforfait) op grond van artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB). Niet in geschil is dat die inhouding in overeenstemming is met de Wet LB. Belanghebbende betoogt echter, in de kern, dat de omstandigheid dat voor de toepassing van de bijtelling de waarde van de desbetreffende auto wordt gesteld op de catalogusprijs, in strijd is met artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna:

VWEU). Belanghebbende voert aan dat aangezien geen onderscheid wordt gemaakt tussen nieuwe auto’s en gebruikte auto’s, de regeling de import van gebruikte auto’s uit andere lidstaten belemmert. 1.3. Dit betoog is ook aan de orde geweest in de uitspraken van het Gerechtshof te ’s‑Hertogenbosch van 20 december 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:5410 en ECLI:NL:GHSHE:2018:5411. In de eerste uitspraak heeft het Gerechtshof geoordeeld dat het beroep op artikel 110 VWEU faalt omdat sprake was van een zuiver binnenlandse situatie, waarop artikel 110 VWEU niet van toepassing is.

In de tweede uitspraak heeft het Gerechtshof wel inhoudelijk aan artikel 110 VWEU getoetst maar geoordeeld dat het beroep op dat artikel niet slaagt. 1.4. De Hoge Raad heeft de tegen die uitspraken ingestelde cassatieberoepen op 13 september 2019 ongegrond verklaard met toepassing van artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie (ECLI:NL:HR:2019:1321 en ECLI:NL:HR:2019:1320). 1.5. De rechtbank heeft belanghebbende vervolgens bij brief verzocht de rechtbank te informeren of de arresten van de Hoge Raad voor belanghebbende aanleiding zijn om het beroep in te trekken, dan wel indien dat niet het geval is eventueel een nadere motivering te geven.

Belanghebbende heeft daarop schriftelijk laten weten dat het beroep niet wordt ingetrokken. Belanghebbende heeft daarbij gesteld, in de kern, dat de verschillende rechterlijke instanties in de procedures die hebben geleid tot de arresten van de Hoge Raad, “kennelijk onbevoegdelijk uitlegging [hebben] gegeven over bepalingen van het Unierecht”, dat ten onrechte geen prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie en dat de rechtbank daarom gehouden is vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie. Beoordeling 1.6. In gevallen waarin tussen partijen een geschil bestaat, kan de rechter de zaak afdoen met toepassing van artikel 8:54 Awb indien hij van oordeel is dat over de uitkomst van dat geschil in redelijkheid geen twijfel mogelijk is.

In deze zaak doet zo’n situatie zich naar het oordeel van de rechtbank voor, niettegenstaande dat over het algemeen terughoudendheid op haar plaats is om ter zake van een materieel geschil te oordelen dat een beroep kennelijk ongegrond is. 1.7. De rechtbank onderkent dat voorzichtigheid moet worden betracht met het trekken van conclusies uit arresten die zijn gewezen met toepassing van artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie. De rechtbank is niettemin hier van oordeel dat, gelet op de in 1.3 bedoelde uitspraken van het Gerechtshof en in aanmerking genomen dat de Hoge Raad de cassatieberoepen daartegen ongegrond heeft verklaard, in redelijkheid geen twijfel mogelijk is dat in deze procedure tevergeefs wordt betoogd dat artikel 110 VWEU wordt geschonden.

Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat belanghebbende geen wezenlijk andere argumenten of andere relevante feiten of omstandigheden heeft aangevoerd dan die welke in de beoordeling zijn betrokken in de uitspraken van het Gerechtshof. Belanghebbende heeft ook niet anderszins gesteld, ook niet in de 1.5 vermelde reactie. Belanghebbende is het, gelet op die reactie, alleen niet eens met de uitspraken van het Gerechtshof en de arresten van de Hoge Raad waaronder begrepen het niet-stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

Belanghebbende heeft verder geen andere of nadere beroepsgronden tegen de loonheffing aangevoerd. Onder al deze omstandigheden acht de rechtbank voortzetting van het onderzoek niet nodig, omdat het beroep kennelijk ongegrond is. 1.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 2Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 18 oktober 2019 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken. De griffier, De rechter, Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. Bijv. HR 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:787.