Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2019:4258 ECLI:NL:RBZWB:2019:4258 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2019:4258 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2019:4258
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht. Vgl. HR 11 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1368, BNB 2004/293, HR 18 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AM3206, rov. 3.3, en HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3465.

Legislator headnote

AI generated

artikel 7:1 van de Awb; ECLI:NL:RBZWB:2019:4258 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Uit wat partijen aanvoeren begrijpt de rechtbank dat partijen willen dat de rechtbank ook een oordeel geeft over die beslissing (rechtstreeks beroep). Verzoek om teruggaaf als bedoeld in artikel 31 van de Wet OB 2.6.1. Artikel 31, eerste lid, van de Wet OB bepaalt dat een verzoek om teruggaaf van belasting moet gebeuren bij de aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan. Het in 2.4 vermelde arrest van de Hoge Raad komt er – heel kort door de bocht en wat onzuiver gezegd – op neer dat voor “een particulier” met zonnepanelen geen termijn is gaan lopen om de teruggaaf van omzetbelasting te krijgen.

Keywords

AI generated
tax deferral untimely tax return tax authorities concept of double taxation subsequent input tax deduction intermediate tax assessment

Cited Legislation

AI generated
artikel 7:1 van de Awb
Gelet op het zogenoemde gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat dan geen beroep open (artikel 26 van de AWR) en daarmee ook geen bezwaar (artikel 7:1 van de Awb).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2017:3127
15 december 2017 nr. 15/05937 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 24 november 2015, nr. 15/00094, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 14/2121) betreffende het verzoek van belanghebbende om teruggaaf van omzetbelasting over het tijdvak 1 september 2012 tot en met 31 december 2012. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2004:AP1368
Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Z voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 vastgesteld op ƒ 206.000. Belanghebbende heeft bij brief van 15 november 2000 de gemeente verzocht op grond van artikel 19, lid 1, letter c, Wet waardering onroerende zaken (tekst tot en met 31 december 1998; hierna: Wet WOZ) een nieuwe beschikking af te geven. Bij uitspraak van 4 december 2000 heeft het Hoofd Afdeling heffing en invordering van de gemeente Zaanstad (hierna: het Hoofd) het verzoek afgewezen. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van het Hoofd vernietigd en de waarde nader vastgesteld op ƒ 191.000 (€ 86.672). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2005:AM3206
Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof Het verzoek van belanghebbenden om teruggaaf van omzetbelasting over het tijdvak 1 juli 1997 tot en met 30 september 1997 tot een bedrag van ƒ 486 is door de Inspecteur bij beschikking van 14 januari 1998 ingewilligd tot een bedrag van ƒ 422, welke beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbenden zijn tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, belanghebbenden niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaar en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbenden tot een bedrag van ƒ 443,75. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2015:3465
Hoge Raad der Nederlanden Derde Kamer Nr.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummer BRE 19/509 uitspraak van 2 oktober 2019 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] , wonende te [woonplaats], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. De bestreden beslissingen De beslissingen in de brief van de inspecteur van 1 november 2018 naar aanleiding van het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting in het tijdvak 1 juli 2012 tot en met 30 september 2012.

Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2019 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn echtgenote, [A], en namens de inspecteur, [verweerder]. 1Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond voor zover het betrekking heeft op de afwijzing van het teruggaafverzoek en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar; - verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep betrekking heeft op de beslissing om geen ambtshalve teruggaaf te verlenen. 2Gronden 2.1. Belanghebbende is in gemeenschap van goederen gehuwd.

Belanghebbende heeft een administratiekantoor en is daarvoor sinds 2005 ondernemer voor de omzetbelasting. In 2012 heeft hij op zijn privé-woning zonnepanelen laten plaatsen. Daarvoor zijn hem in het derde kwartaal van 2012 rekeningen gestuurd. De daarbij in rekening gebrachte omzetbelasting heeft belanghebbende in 2012 niet in zijn aangifte omzetbelasting als voorbelasting in aftrek gebracht. Ten tijde van de aanschaf van de zonnepanelen staat de overeenkomst met de energieleverancier op naam van belanghebbende. 2.2. Bij brief van 16 juli 2018 heeft belanghebbende een verzoek gedaan voor teruggaaf van de omzetbelasting ter zake van de zonnepanelen van € 970. 2.3.

Bij brief van 1 november 2018 heeft de inspecteur het verzoek aangemerkt als een bezwaar tegen de voldoening van € 316 op aangifte voor het derde kwartaal van 2012. Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschift niet tijdig is ingediend. Het bezwaar is in behandeling genomen als een verzoek om ambtshalve vermindering. Dit verzoek is afgewezen omdat het niet is ingediend binnen vijf jaar na het einde van het belastingjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft. 2.4. Belanghebbende is het er niet mee eens dat hij geen teruggaaf van omzetbelasting krijgt.

Hij heeft aangevoerd dat hij niet lang voor het indienen van het bezwaarschrift is geattendeerd op het bericht van de Staatssecretaris van Financiën over de gevolgen van de uitspraak van de Hoge Raad van 15 december 2017 (ECLI:NL:HR:2017:3127) betreffende de teruggave van omzetbelasting op aangeschafte zonnepanelen. Volgens belanghebbende kunnen particulieren die in 2013 of eerder zonnepanelen hebben aangeschaft alsnog de omzetbelasting hierover terugvragen. Belanghebbende is het er niet mee eens dat teruggaaf wordt geweigerd met het argument dat hij te laat is omdat hij al ondernemer was.

De aanschaf van de zonnepanelen is een privé-investering en is niet gedaan in het kader van zijn administratiekantoor. De achterburen van belanghebbende hebben wel BTW terug ontvangen en hij niet. Dit wordt als rechtsongelijkheid ervaren. 2.5. Een verzoek zoals belanghebbende heeft gedaan, kan – voor zover hier van belang – juridisch op drie manieren worden opgevat:

i) als een verzoek om teruggaaf als bedoeld in artikel 31 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB); (ii) als een bezwaar tegen de voldoening op aangifte over het derde kwartaal van 2012; (iii) als een verzoek om ambtshalve teruggaaf als bedoeld in artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De rechtbank zal hierna op al deze varianten ingaan. Het verdient daarbij opmerking dat in de brief van 1 november 2018 expliciet beslissingen zijn genomen over varianten (ii) en (iii), maar niet over variant (i). In de brief ligt echter (impliciet) besloten dat de inspecteur van oordeel is dat ook op basis van variant (i) geen recht op teruggaaf bestaat.

Uit wat partijen aanvoeren begrijpt de rechtbank dat partijen willen dat de rechtbank ook een oordeel geeft over die beslissing (rechtstreeks beroep). Verzoek om teruggaaf als bedoeld in artikel 31 van de Wet OB 2.6.1. Artikel 31, eerste lid, van de Wet OB bepaalt dat een verzoek om teruggaaf van belasting moet gebeuren bij de aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan. Het in 2.4 vermelde arrest van de Hoge Raad komt er – heel kort door de bocht en wat onzuiver gezegd – op neer dat voor “een particulier” met zonnepanelen geen termijn is gaan lopen om de teruggaaf van omzetbelasting te krijgen.

Dat komt omdat de termijn waarbinnen het verzoek moet worden gedaan, gekoppeld is aan de aangifte, en dat bij zo’n particulier normaal gesproken eerder geen termijn is gaan lopen voor het doen van aangifte (ervan uitgaande dat de particulier eerder niet is uitgenodigd tot het doen van aangifte). Dat zal de reden zijn dat de achterburen van belanghebbende wél de verzochte teruggaaf hebben gekregen. 2.6.2. De situatie van belanghebbende is anders: belanghebbende had als ondernemer al aangifte gedaan voor het derde kwartaal van 2012. Achteraf gezien had belanghebbende in die aangifte ook de voorbelasting ter zake van de zonnepanelen in aftrek kunnen brengen.

Die aangifte zou dan een verzoek om teruggaaf hebben ingehouden van (€ 316 minus € 970 is) € 654. Nu belanghebbende destijds geen verzoek om teruggaaf bij de aangifte heeft gedaan, kan belanghebbende niet alsnog met succes op grond van artikel 31, eerste lid, van de Wet OB om teruggaaf verzoeken. 2.6.3. Belanghebbendes betoog dat de zonnepanelen in privé zijn aangekocht en niet in het kader van het administratiekantoor, kan daaraan niet afdoen. Allereerst verdient opmerking dat, mogelijk anders dan waarvan belanghebbende uitgaat, de ondernemers/ondernemingsbegrippen voor de inkomstenbelasting en omzetbelasting niet gelijk zijn.

Dat de kosten voor zonnepanelen voor de inkomstenbelasting niet als zakelijke kosten van zijn administratiekantoor zouden zijn geaccepteerd, zoals belanghebbende aanvoert, is daarom niet direct van belang. Voor de omzetbelasting is de aankoop door belanghebbende van zonnepanelen niet een ‘privé-aankoop’. Als dat wel zo zou zijn, dan zou sowieso geen recht op teruggaaf van omzetbelasting bestaan. Voor de omzetbelasting gebeurt de aankoop door belanghebbende van de zonnepanelen als ondernemer in verband met de teruglevering van energie aan de energieleverancier.

Die energielevering is een ondernemersactiviteit. Belanghebbende heeft daarnaast ook een andere ondernemersactiviteit, namelijk het administratiekantoor. Belanghebbendes betoog kan zo begrepen worden dat het inhoudt dat de aangifte die is gedaan voor het derde kwartaal van 2012 zag op het administratiekantoor, dat die aangifte niet geldt voor de energieleveringsactiviteiten en dat dus alsnog een verzoek om teruggaaf kan worden gedaan voor dat kwartaal in verband met de zonnepanelen. Dit betoog kan belanghebbende niet helpen. Voor de omzetbelasting is hier namelijk sprake van één ondernemer met twee verschillende ondernemingsactiviteiten en een aangifte moet worden gedaan (en wordt geacht te zijn gedaan) door een ondernemer voor al zijn activiteiten.

Aangezien eerder aangifte is gedaan voor het derde kwartaal van 2012, kan dus (zie 2.6.2) niet alsnog op grond van artikel 31, eerste lid, van de Wet OB teruggaaf worden verleend. 2.6.4. Belanghebbende voert in de kern ook aan dat hij in zijn aangifte voor het derde kwartaal van 2012 geen aftrek van omzetbelasting ter zake van zonnepanelen had kúnnen claimen, omdat hij toen nog geen ondernemer was in verband met de zonnepanelen aangezien dat pas later bleek. De rechtbank begrijpt goed dat belanghebbende het als onrechtvaardig ervaart dat hem wordt tegengeworpen de aftrek niet eerder geclaimd te hebben in die aangifte, terwijl hij niet wist van die mogelijkheid.

Juridisch is het echter zo dat het niet zo is dat de mogelijkheid van aftrek pas is ontstaan door het arrest Fuchs van het Hof van Justitie (of de daaropvolgende reactie(s) van de Staatssecretaris). Het Hof van Justitie legt namelijk het Unierecht ‘slechts’ uit. Met andere woorden, wat in het arrest Fuchs is geoordeeld wordt geacht ook al in het verleden zo te zijn geweest. Met de kennis achteraf had belanghebbende dus destijds – in de aangifte voor het derde kwartaal van 2012 – de aftrek wel al mogen claimen. Dat belanghebbende dat niet gedaan heeft, is begrijpelijk omdat hij het niet wist.

Maar dat kan nog niet meebrengen dat aan de eis in artikel 31, eerste lid, van de Wet OB wordt voorbijgegaan dat een verzoek om teruggaaf bij de aangifte voor het desbetreffende tijdvak wordt gedaan. Zogenoemde ‘vervaltermijnen’ dienen namelijk de rechtszekerheid. 2.6.5. De rechtbank is dus van oordeel dat de inspecteur terecht teruggaaf op grond van artikel 31, eerste lid, van de Wet OB heeft geweigerd. 2.6.6. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan dit niet anders maken. De rechtbank begrijpt dat belanghebbende zijn situatie als gelijk zal zien aan die van zijn achterburen, maar juridisch is geen sprake van gelijke gevallen.

Een juridisch relevant verschil (zie 2.6.1 en 2.6.2) is namelijk dat belanghebbende reeds aangifte deed als ondernemer (in verband met zijn administratiekantoor) en zijn achterburen – naar de rechtbank begrijpt – eerder niet. Bezwaar tegen de voldoening 2.7.1. De wettelijke termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Deze termijn eindigde op 7 december 2012. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ook is het bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Het bezwaarschrift is op 17 juli 2018 door de inspecteur ontvangen. Het bezwaarschrift is daarom niet-tijdig ingediend. 2.7.2. De bezwaartermijn is van openbare orde. Dit betekent dat bij een termijnoverschrijding een niet-ontvankelijkverklaring moet volgen. Dat is alleen anders indien “redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest”, oftewel indien de termijnoverschrijding ‘verschoonbaar’ is. 2.7.3. Belanghebbende heeft in de kern als belangrijkste reden voor de overschrijding van de bezwaartermijn aangevoerd dat hij tijdens de bezwaartermijn niet wist dat hij omzetbelasting in verband met de zonnepanelen in aftrek kon brengen.

De rechtbank begrijpt de frustratie van belanghebbende op dit punt (vgl. ook 2.6.4), maar de aangevoerde omstandigheid maakt de overschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar. Die omstandigheid doet er immers niet aan af dat belanghebbende wel in staat was bezwaar te maken. Dat belanghebbende eerder daartoe geen reden zag (omdat hij pas later op de hoogte kwam van de gevolgen van het Fuchs-arrest), maakt dat niet anders. De rechtbank beseft dat dit nu vervelend uitpakt voor belanghebbende. Een gedachte achter een bezwaartermijn is echter dat er, mede in verband met de rechtszekerheid, een termijn moet zijn waarbinnen belastingheffing kan worden bestreden en dat daarna de belastingheffing als uitgangspunt definitief vaststaat. 2.7.4.

Het bezwaar is dus door de inspecteur terecht niet-ontvankelijk verklaard. Ambtshalve teruggaaf 2.8. Een beslissing op een verzoek om ambtshalve teruggaaf op grond van artikel 65 van de AWR is niet aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking. Gelet op het zogenoemde gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat dan geen beroep open (artikel 26 van de AWR) en daarmee ook geen bezwaar (artikel 7:1 van de Awb). Dit betekent dat de rechtbank niet bevoegd is een inhoudelijk oordeel te geven over de ambtshalve beslissing op grond van artikel 65 van de AWR.

De civiele rechter is als restrechter bevoegd. Proceskostenveroordeling 2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu het beroep ongegrond is. Belanghebbende heeft overigens ná (het sluiten van het onderzoek tijdens) de zitting een formulier proceskosten afgegeven bij de centrale balie van de rechtbank. Dit formulier zal in het dossier worden gevoegd, en een kopie ervan zal aan de inspecteur worden gezonden zodat deze over het formulier beschikt. Deze uitspraak is gedaan op 2 oktober 2019 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in tegenwoordigheid van P. van der Hoeven, griffier, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De rechter, Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht. Vgl. HR 11 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1368, BNB 2004/293, HR 18 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AM3206, rov. 3.3, en HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3465.