Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2019:406 ECLI:NL:RBZWB:2019:406 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2019:406 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2019:406
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2019:406 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Premieplicht 2.11. Vast staat dat belanghebbende in de onderhavige periode in Nederland woonde, de Nederlandse nationaliteit had, in die periode in dienstbetrekking was bij een Luxemburgse werkgever en zijn beroepsarbeid verrichtte aan boord van een schip dat met winstoogmerk in de Rijnvaart is gebruikt en dat was voorzien van een Rijnvaartverklaring. 2.12. Op 11 februari 2011 is door de autoriteiten van België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Duitsland een overeenkomst gesloten krachtens artikel 16, eerste lid, van de Verordening (EG) 883/2004 betreffende de vaststelling van de op Rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004, StCrt. 2011/3397 (de Rijnvarendenovereenkomst).

Keywords

AI generated
special provisions for Luxembourg rules on cover claim for insurance benefits entitlement condition for benefits health insurance exemption foreign insurer

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHARL:2017:6785
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Leeuwarden nummer 13/00694 uitspraakdatum: 15 augustus 2017 Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 mei 2013, nummer AWB LEE 11/2228, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Rotterdam (hierna: de Inspecteur) en de Staat der Nederlanden (Minister van Veiligheid en Justitie; hierna: de Staat) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd.
ECLI:NL:HR:2018:1725
5 oktober 2018 nr. 18/01619 Prejudiciële beslissing in het geding tussen [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) en de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur), waarin het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch (hierna: het Hof) bij uitspraak van 19 april 2018, nr. 10/03797, op de voet van artikel 27ga van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vragen aan de Hoge Raad heeft voorgelegd ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing. De uitspraak van het Hof is aan deze beslissing gehecht. 1De procedure in feitelijke instanties 1.1.
ECLI:NL:HR:2013:CA0827
11 oktober 2013 nr. 12/04012 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 10 juli 2012, nr. BK-11/00544, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Aan belanghebbende is voor het jaar 2007 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. De Rechtbank te ’s-Gravenhage (nr. AWB 10/5062) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:GHSHE:2018:3983
In dit besluit zijn de regels vastgelegd voor de toepassing van een dialoog- en bemiddelingsprocedure, waarvan gebruik kan worden gemaakt in de volgende gevallen: (…) b) gevallen waar een meningsverschil bestaat tussen lidstaten met betrekking tot het vaststellen van de toepasselijke wetgeving.’. 4.14. In de toepassingsverordening is, voor zover te dezen van belang, het volgende opgenomen: ‘(2) Een efficiëntere en nauwere samenwerking tussen de socialezekerheidsorganen is van essentieel belang om ervoor te zorgen dat de onder Verordening (EG) nr. 883/2004 vallende personen zo spoedig mogelijk en onder de meest gunstige voorwaarden hun rechten kunnen gaan uitoefenen. (…) (6) De versterking van sommige procedures moet de gebruikers van Verordening (EG) nr. 883/2004 meer rechtszekerheid en transparantie bieden. (…) (9) Omdat de sociale zekerheid nu eenmaal een complexe materie is, moet van alle organen van de lidstaten een bijzondere inspanning ten behoeve van de verzekerden worden verlangd om de betrokkenen die hun aanvraag of bepaalde informatie aan het bevoegd orgaan niet volgens de voorschriften en procedures van Verordening (EG) nr. 883/2004 of de onderhavige verordening hebben ingediend, niet te benadelen. (10) Voor de vaststelling van het bevoegd orgaan, dat wil zeggen het orgaan waarvan de wetgeving van toepassing is of dat bepaalde uitkeringen verschuldigd is, moet de feitelijke situatie van een verzekerde en van de gezinsleden door de organen van een of meer lidstaten worden onderzocht. (…) (…) (13) Deze verordening voorziet in maatregelen en procedures om de mobiliteit van werknemers en werklozen te bevorderen. (…) (…) HOOFDSTUK II Bepalingen inzake samenwerking en gegevensuitwisseling Artikel 2 Tussen de organen uit te wisselen informatie en wijze waarop deze uitwisseling moet plaatsvinden (…) 2.
ECLI:NL:HR:2016:82
22 januari 2016 nr. 12/03718bis Arrest gewezen op het beroep in cassatie van T.A. van Dijk te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 19 juni 2012, nr. BK-11/00755, na beantwoording van de door de Hoge Raad bij een arrest aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummer BRE 17/4067 uitspraak van 25 januari 2019 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen [belanghebbende] , wonende te [plaats 1] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van de inspecteur van 21 april 2017 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2014 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna:

IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.838 ( [aanslagnummer] .H.46.01). Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2019 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, zijn gemachtigde mr. M.J. van Dam, verbonden aan Van Dam & Kruidenier Advocaten te Capelle aan de IJssel, en namens de inspecteur, [naam] en [naam] . 1Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. 2Gronden 2.1. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en staat in de Basisregistratie personen (BRP) ingeschreven op het [adres] te [plaats 1] . 2.2.

Gedurende de periode 1 januari 2014 tot en met 31 augustus 2014 was belanghebbende werkzaam aan boord van het binnenvaartschip [X] (hierna: het schip) dat eigendom is van [eigenaar] te [plaats 2] (hierna: [eigenaar] ) en [bedrijf X] te [plaats 3] . Belanghebbende was op dat moment in dienstbetrekking bij [Y] gevestigd te [plaats 4] (Luxemburg) (hierna: [Y] ). 2.3. Het voormalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft op 4 september 2009 ten behoeve van het schip een Rijnvaartverklaring als bedoeld in artikel 8.2 van de Binnenvaartwet afgegeven.

De Rijnvaartverklaring vermeldt [eigenaar] als eigenaar van het schip en [bedrijf X] , gevestigd in Nederland (hierna: [bedrijf X] ), als mede-eigenaar en exploitant van het schip. 2.4. Het schip was in de in geschil zijnde periode voorzien van het certificaat als bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte en werd met winstoogmerk in de Rijnvaart gebruikt. 2.5. De Luxemburgse autoriteiten hebben aan belanghebbende met dagtekening 22 februari 2006 een E101-verklaring afgegeven. Deze verklaring geldt met ingang van 1 januari 2004 voor onbepaalde tijd.

Tot de stukken van het geding behoort voorts een verklaring van de Luxemburgse autoriteiten van 26 augustus 2016 aan de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) dat de aan belanghebbende afgegeven E101-verklaring met terugwerkende kracht tot 1 januari 2007 is ingetrokken en vanaf die datum geen rechtskracht meer heeft. 2.6. Aan belanghebbende is geen A1-verklaring afgegeven ten aanzien van de werkzaamheden op het schip. 2.7. Belanghebbende is vanaf 1 september 2014 in dienst getreden bij [bedrijf Z] te Liechtenstein. De Liechtensteinse autoriteiten hebben een A1-verklaring afgegeven, waarin is vermeld dat de Liechtensteinse sociale wetgeving van toepassing is.

Over de periode 1 september 2014 tot en met 31 december 2014 heeft de inspecteur een vrijstelling verleend voor de heffing van premies volksverzekeringen. 2.8. Op 15 augustus 2017 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (het Hof) uitspraak gedaan (ECLI:NL:GHARL:2017:6785, hierna: de uitspraak) in een met het onderhavige beroep vergelijkbare zaak (met dien verstande dat de uitspraak betrekking heeft op het aanslagjaar 2006). De rechtbank zal hieronder, mede onder verwijzing naar de uitspraak van het Hof, het geschil beoordelen. Geschil 2.9. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende in de periode 1 januari 2014 tot en met 31 augustus 2014 in Nederland premieplichtig was voor de volksverzekeringen.

Bevoegdheid 2.10. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 57 en 58 van de Wet financiering sociale verzekeringen en artikel 11, eerste lid, van de AWR, heffingsbevoegdheid heeft. Anders dan belanghebbende heeft aangevoerd, is de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ter zake van de premievaststelling niet het bevoegde orgaan om de toepasselijke wetgeving te bepalen. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen het Hof in de uitspraak in rechtsoverweging 4.1 heeft overwogen. De rechtbank maakt die overweging tot de hare.

Premieplicht 2.11. Vast staat dat belanghebbende in de onderhavige periode in Nederland woonde, de Nederlandse nationaliteit had, in die periode in dienstbetrekking was bij een Luxemburgse werkgever en zijn beroepsarbeid verrichtte aan boord van een schip dat met winstoogmerk in de Rijnvaart is gebruikt en dat was voorzien van een Rijnvaartverklaring. 2.12. Op 11 februari 2011 is door de autoriteiten van België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Duitsland een overeenkomst gesloten krachtens artikel 16, eerste lid, van de Verordening (EG) 883/2004 betreffende de vaststelling van de op Rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004, StCrt. 2011/3397 (de Rijnvarendenovereenkomst).

De Rijnvarendenovereenkomst geldt met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2010. 2.13. Gegeven de onder 2.1. tot en met 2.4. vermelde feiten en omstandigheden is belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als een Rijnvarende in de zin van de Rijnvarendenovereenkomst. Dit betekent dat de sociale verzekeringsplicht van belanghebbende met inachtneming van artikel 16 van Verordening (EG) 883/2004 op grond van de Rijnvarendenovereenkomst moet worden vastgesteld. 2.14. Op grond van artikel 1, onderdeel c, en artikel 4 van de Rijnvarendenovereenkomst is belanghebbende premieplichtig in het land waar de zetel van de exploitant van het schip is gevestigd.

Als exploitant in de zin van artikel 1, onderdeel c, van de Rijnvarendenovereenkomst, geldt de onderneming die het schip daadwerkelijk exploiteert en die beslissingsbevoegd is voor het economische en commerciële management van het schip. Voor de vaststelling van de exploitant is in beginsel de Rijnvarendenverklaring maatgevend. 2.15. Nu niet in geschil is dat het schip waarop belanghebbende werkzaam was werd geëxploiteerd door een in Nederland gevestigde onderneming, is in beginsel de Nederlandse wetgeving van toepassing. Volgens de Nederlandse wetgeving is belanghebbende in Nederland verzekerings- en premieplichtig nu hij in Nederland woont (ingezetene is) en nog niet de pensioengerechtigde leeftijd bereikt heeft (zie artikel 2 en 6, eerste lid, letter a, van de Algemene Ouderdomswet en gelijkluidende bepalingen in de overige volksverzekeringswetten).

E101-verklaring, vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel 2.16. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij in de periode 1 januari 2014 tot en met 31 augustus 2014 niet in Nederland maar in Luxemburg verzekerd en premieplichtig is voor de volksverzekeringen. Belanghebbende stelt in dat kader dat aan hem een E101‑verklaring is afgegeven waarin staat dat hij sociaal verzekerd is in Luxemburg en dat op grond van het arrest van het Hof van Justitie van 10 februari 2000, C-202/79 (Fitzwilliam Executive Search) en het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1725) een lidstaat de juistheid van deze verklaring niet in twijfel mag trekken.

De inspecteur dient deze E101-verklaring dan ook te volgen. Belanghebbende verwijst dienaangaande tevens naar het door de E101-verklaring opgewekte vertrouwen. 2.17. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aan hem afgegeven E101-verklaring is verstrekt in het kader van het Rijnvarendenverdrag. Dat betekent dat de E101-verklaring voor belanghebbende toepassing mist (zie Hoge Raad 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0827). De Hoge Raad heeft zijn beslissing in het arrest van 11 oktober 2013 gebaseerd op artikel 7, lid 2, aanhef en letter a van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van 14 juni 1971.

De omstandigheid dat per 1 mei 2010 die bepaling niet meer geldt (zie Hof ‘s-Hertogenbosch 27 september 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:3983) leidt de rechtbank in het onderhavige geval niet tot een ander oordeel. Naar het oordeel van de rechtbank kan een E101-verklaring die een aantal jaren (vóór 2010) geen gelding had in latere jaren geen gelding meer krijgen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende zich in het kader van de E101-verklaring niet kan beroepen op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen het Hof in de uitspraak in rechtsoverweging 4.10 heeft overwogen.

De rechtbank maakt die overweging tot de hare. De rechtbank is van oordeel dat ook genoemd arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2018 niet met zich brengt dat de afgegeven E101-verklaring alsnog dient te worden gevolgd. In dat geval ging het, voor zover hier van belang, om een in 2018 door de SVB afgegeven A1-verklaring. Het wezenlijke verschil met de E101-verklaring in de onderhavige procedure is dat de A1-verklaring dateert van ná 1 mei 2010 en bovendien een door een Nederlandse instantie (de SVB) afgegeven verklaring betreft. Daaraan is de Belastingdienst, in tegenstelling tot door buitenlandse instanties vóór 1 mei 2010 afgegeven E101-verklaringen, wel gebonden.

Aangezien de rechtbank reeds van oordeel is dat de E101‑verklaring niet bindend is voor de inspecteur, behoeft de vraag of de E101‑verklaring (rechtsgeldig) is ingetrokken geen beantwoording meer. Doeltreffendheidsbeginsel 2.18. Belanghebbende stelt onder verwijzing naar onder meer het arrest van het Hof van Justitie van 15 april 2008, C-268/06, ECLI:EU:C:2008:223 (Impact) dat een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming met zich brengt dat de belastingrechter in dit geval volledig dient te toetsen aan het Unierecht. Dit brengt, aldus belanghebbende, onder meer met zich dat de rechtbank dient te toetsen of bij de vaststelling van het toepasselijk sociaal verzekeringsrecht de procedure van artikel 16 van Verordening (EG) 987/2009 is gevolgd, zijnde de procedure betreffende loyale samenwerking.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat niet aan het beginsel van loyale samenwerking is voldaan nu door Nederland ter zake van de verzekeringsplicht geen afstemming heeft plaatsgevonden met Luxemburg. 2.19. Belanghebbende is Rijnvarende. Zoals hiervoor overwogen betekent dat in dit geval dat Nederland niet gebonden is aan de door Luxemburg afgegeven E101-verklaring. Het gevolg hiervan is dat Nederland zelfstandig, zonder betekenis te hechten aan de E101-verklaring, kan beslissen over de verzekerings- en premieplicht van belanghebbende. Overleg daarover met Luxemburg is, ook Unierechtelijk, niet nodig.

De rechtbank concludeert hieruit dat in dat geval het beginsel van loyale samenwerking niet geschonden is (zie Hoge Raad 22 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:82, r.o. 3.1). Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de inspecteur ter zitting naar voren heeft gebracht dat als belanghebbende zich tijdig had gemeld bij de SVB, zoals hij verplicht is, de problemen zich niet hadden voorgedaan. Zorgvuldigheidsbeginsel 2.20. Belanghebbende beroept zich voorts op het zorgvuldigheidsbeginsel. Samengevat komt dit beroep erop neer dat een zorgvuldige voorbereiding van het besluit van de inspecteur om premie volksverzekeringen te heffen had meegebracht dat de inspecteur – teneinde dubbele heffing te voorkomen – (i) contact met de Luxemburgse autoriteiten zou hebben opgenomen of (ii) met de SVB, die de mogelijkheid heeft op grond van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag in overleg te treden met de Luxemburgse autoriteiten, en (iii) bovendien op de voet van artikel 72 van het Rijnvarendenverdrag een interpretatieve vraag aan het Administratief Centrum zou hebben voorgelegd.

De inspecteur bestrijdt de stellingen van belanghebbende gemotiveerd. 2.21. De rechtbank is van oordeel dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet is geschonden. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen het Hof in de uitspraak in de rechtsoverweging 4.15 heeft overwogen en maakt deze overweging tot de hare. 2.22. De stelling van belanghebbende dat door de inspecteur onvoldoende rekening is gehouden met zijn belang, door tot heffing over te gaan zonder de E101-verklaring te respecteren en zonder voorafgaande vaststelling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving – zo nodig met toepassing van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag – door de bevoegde autoriteit, stuit reeds af op hetgeen hiervoor onder respectievelijk 2.10 en 2.17 is overwogen.

Slotsom 2.23. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat op belanghebbende in het onderhavige jaar de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is. Bij de aanslag IB/PVV 2014 zijn derhalve terecht premies volksverzekeringen geheven. 2.24. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard. Omdat geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente zijn aangevoerd, is het beroep inzake de beschikking belastingrente ongegrond verklaard. 2.25. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 25 januari 2019 door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, griffier. De griffier, De rechter, De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.