Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2018:6873 ECLI:NL:RBZWB:2018:6873 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2018:6873 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2018:6873
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 17/6716 PW uitspraak van 4 december 2018 van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres, gemachtigde: mr. S. Gomez Espinosa, en het dagelijks bestuur van Werkplein Hart van West-Brabant (Werkplein), verweerder. Procesverloop Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 5 september 2017 (bestreden besluit) van Werkplein over, voor zover thans van belang, haar recht op een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 16 november 2018.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2018:6873 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Wettelijk kader In artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Participatiewet kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

Keywords

AI generated
rent arrears pension overpayment setoff accounting provision untimely restitution petition late objection to debt enforcement action for rescission

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2015:3082
14/1 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 november 2013, 13/4907 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. D. Matadien, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2015. Namens appellant is verschenen mr. Matadien. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.
ECLI:NL:CRVB:2008:BH0415
07/3951 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 2 juli 2007, 07/1164 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem (hierna: College). Datum uitspraak: 23 december 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A.E.L.T. Balkema, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend.
ECLI:NL:CRVB:2016:4024
16/1740 PW Datum uitspraak: 25 oktober 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 februari 2016, 15/6006 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Almere (college) PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het college heeft desgevraagd een nader stuk ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2016.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 17/6716 PW uitspraak van 4 december 2018 van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres, gemachtigde: mr. S. Gomez Espinosa, en het dagelijks bestuur van Werkplein Hart van West-Brabant (Werkplein), verweerder. Procesverloop Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 5 september 2017 (bestreden besluit) van Werkplein over, voor zover thans van belang, haar recht op een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 16 november 2018.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en Werkplein door [naam vertegenwoordiger] . Overwegingen 1. Feiten Eiseres heeft zich op 5 april 2017 bij Werkplein gemeld voor een uitkering op grond van de Participatiewet. Vervolgens heeft zij op 18 april 2017 een aanvraag voor die uitkering naar de norm van een alleenstaande ingediend met ingangsdatum 8 maart 2017 . Bij besluit van 4 mei 2017 (primair besluit) heeft Werkplein, voor zover thans van belang, eiseres een bijstandsuitkering toegekend met ingang van 5 april 2017. Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft Werkplein het bezwaar van eiseres met betrekking tot de ingangsdatum van de uitkering ongegrond verklaard.

2. Standpunt eiseres Eiseres stelt zich op het standpunt dat Werkplein haar een uitkering per 8 maart 2017 had moeten toekennen omdat sprake is van bijzondere omstandigheden. Eiseres wijst erop dat haar man op 7 maart 2017 onverwachts is overleden en dat zij direct naar het land van herkomst is gegaan om hem te begraven en alles daarvoor te regelen. Op 28 maart 2017 heeft zij een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) aangevraagd bij de Sociale verzekeringsbank (Svb). Eiseres verkeerde in de veronderstelling dat zij van de Svb die nabestaandenuitkering zou gaan ontvangen, omdat haar man een AOW-uitkering ontving. Bij besluit van 3 april 2017 heeft de Svb de aanvraag afgewezen. Daarna heeft eiseres tijdig een aanvraag om een bijstandsuitkering ingediend. Eiseres voert ten slotte aan dat Werkplein ten onrechte stelt dat zij eerst met de Svb contact had moeten opnemen nu de Svb pas een besluit kan nemen nadat een aanvraag is ingediend.

3. Wettelijk kader In artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Participatiewet kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

4. Oordeel van de rechtbank 4.1 De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiseres slechts is gericht tegen de ingangsdatum van de uitkering. 4.2 Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiseres niet eerder recht op bijstand heeft dan met ingang van 5 april 2017 omdat zij zich op die dag heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zie onder andere de uitspraak van 8 september 2015, (ECLI:NL:CRVB:2015:3082), wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend.

Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. De rechtbank volgt Werkplein in het standpunt dat de inschatting dat recht bestaat op een andere uitkering (voorliggende voorziening) voor rekening en risico van de belanghebbende blijft. Dat eiseres in de veronderstelling verkeerde dat zij recht zou hebben op een nabestaandenuitkering van de Svb, kan er niet toe leiden dat wordt afgeweken van de hoofdregel. Eiseres had dit risico kunnen beperken door eerst bij de Svb te (laten) informeren of zij voor een nabestaandenuitkering in aanmerking zou komen.

Eiseres heeft erkend dat zij dat heeft nagelaten. Eiseres heeft voorts de mogelijkheid gehad om naast het indienen van een aanvraag op grond van de Anw ook een bijstandsaanvraag in te dienen. Dat zij, in de veronderstelling dat zij recht had op een nabestaandenuitkering, er van af heeft gezien zo’n aanvraag in te dienen, komt eveneens voor haar rekening en risico. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de CRvB van 23 december 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BH0415). De door eiseres genoemde omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen bijzondere omstandigheden die maken dat de bijstand met terugwerkende kracht tot 8 maart 2017 had moeten worden verleend. 4.3 Op de zitting heeft eiseres gesteld dat zij ook een beroep doet op het bestaan van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Participatiewet.

Voor het kunnen aannemen van zeer dringende redenen moet vast staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Zoals blijkt uit vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 25 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4024) kan slechts van een acute noodsituatie worden gesproken indien een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben.

Gesteld noch gebleken is dat in de periode van 8 maart 2017 tot en met 4 april 2017 bij eiseres sprake is geweest van een dergelijke situatie.

5. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, voorzitter, en mr. P.H.J.G. Römers en mr. S.A.M.L. van de Sande, leden, in aanwezigheid van mr. T.B. Both, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 december 2018. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.