Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2018:6530 ECLI:NL:RBZWB:2018:6530 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2018:6530 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2018:6530
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:7 van de Awb, artikel 6:9 van de Awb, artikel 6:11 van de Awb; ECLI:NL:RBZWB:2018:6530 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Deze termijn vangt aan op de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of van het afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking (artikel 22j van de AWR). Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen (artikel 6:9 van de Awb). Bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift blijft een niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (artikel 6:11 van de Awb). 2.4.

Keywords

AI generated
taxpayer burden of proof prosecution witness meeting the threshold extortion of excessive official fees suspension of tax recovery insufficiency of evidence

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:7 van de Awb
De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken (artikel 6:7 van de Awb).
artikel 6:9 van de Awb
Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen (artikel 6:9 van de Awb).
artikel 6:11 van de Awb
Bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift blijft een niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (artikel 6:11 van de Awb).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2016:3374
GERECHTSHOF AMSTERDAM Kenmerk 15/00849 11 augustus 2016 uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , wonende te [Z] , belanghebbende, tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 15/1603 van de rechtbank Noord- Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, (V.D.R.M. van Schijndel en mr. J.H. van Wier). 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 29 april 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB) voor het jaar 2012 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.137 opgelegd. 1.2. Bij uitspraak van 11 maart 2015 heeft de inspecteur het bezwaar hiertegen afgewezen. 1.3. Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld. Bij uitspraak van 4 november 2015 heeft de rechtbank als volgt op het beroep beslist (in deze uitspraak is belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’): “De rechtbank: - verklaart het beroep gericht tegen de uitspraak op bezwaar van 11 maart 2015 gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - verklaart het bezwaar tegen de aanslag niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering ongegrond; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan eiser te vergoeden.” 1.4. Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 11 december 2015. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2016. Belanghebbende is verschenen en namens de inspecteur, Van Schijndel en Van Wier voornoemd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Nu de uitspraak van de rechtbank geen afzonderlijke vaststelling van de feiten bevat, stelt het Hof de feiten als volgt vast: 2.2. Belanghebbende is sinds 1 november 2004 in dienst bij de Stichting [Y] . In het jaar 2012 geniet belanghebbende uit deze dienstbetrekking een loon ten bedrage van € 20.137. 2.3. In zijn aangifte IB 2012 heeft belanghebbende een post ‘aftrek scholingsuitgaven’ opgevoerd ten bedrage van € 3.000. Deze post is door belanghebbende als volgt cijfermatig onderbouwd: Volkskrant € 281,90 NRC € 326,00 Financieel Dagblad € 300,00 Weekbladen € 300,00 Boeken € 1200,00 Tijdschrift voor arbeidsvraagstukken € 110,00 Tijdschrift voor arbeid en participatie/zeggenschap € 36,00 Facta sociaal wetenschappelijk magazine € 200,00 Magazines politieke partijen € 80,00 Deviant € 22,65 Beroepsmatige kosten telefoon € 300,00 -------------------- Totaal € 2989,90 2.4. De inspecteur heeft de aftrek ter zake scholingsuitgaven afgewezen en de aanslag IB 2012 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.137. 3Geschil in hoger beroep 3.1. Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of belanghebbende in aanmerking komt voor aftrek ter zake (gestelde) scholingsuitgaven in de zin van artikel 6.27 Wet IB 2001. 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting van het Hof hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal. 4Het oordeel van de rechtbank 4.1. De rechtbank heeft - voor zover in hoger beroep relevant - het volgende overwogen: “12. Partijen zijn eensluidend van oordeel dat in het bezwaarschrift mede een verzoek om ambtshalve vermindering besloten ligt, welk verzoek moet worden geacht te zijn afgewezen in de uitspraak van 11 maart 2015. Tegen deze afwijzing stond bezwaar open op de voet van artikel 9.6, derde lid, van de Wet IB 2001. Eiser heeft in plaats van bezwaar evenwel (tijdig) beroep ingesteld op 8 april 2015. Op verzoek van eiser ter zitting en met instemming van verweerder zal de rechtbank evenwel – met toepassing van artikel 7:1a van de Awb – het beroep in behandeling nemen, waarbij de bezwaarfase wordt overgeslagen. 13. Ingevolge artikel 9.6, eerste lid, van de Wet IB 2001 in samenhang gelezen met artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, vermindert de inspecteur een onjuiste belastingaanslag ambtshalve zodra hem is gebleken dat de belastingaanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Dit houdt in dat de belastingplichtige moet doen blijken – dat wil zeggen overtuigend aantonen – dat de belastingaanslag op een te hoog bedrag is vastgesteld. In het geval van eiser betekent dit dat hij overtuigend moet aantonen dat hij in het onderhavige jaar recht had op scholingsaftrek. 14. In artikel 6.27, eerste lid van de Wet IB 2001 is het volgende bepaald: “Scholingsuitgaven zijn uitgaven voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning.” 15. Eiser heeft over de door hem geclaimde scholingsaftrek aangevoerd dat hij in het kader van de WSW een leertraject volgt waarbij hij onder begeleiding en toezicht aanvullende werkervaring opdoet bij Stichting [Y] . Zijn werkzaamheden waren (mede) gericht op een duurzame herintreding op de arbeidsmarkt, waarbij hij zijn eigen werkplek heeft gecreëerd. Werken in het kader van de WSW is werken onder toezicht / begeleiding van een jobcoach/werkbegeleider. Er is sprake van een leertraject, namelijk het opdoen van werkervaring en het onder toezicht kennis verwerven. Het is hierbij noodzakelijk om de ontwikkelingen op zijn werkterrein door middel van aanvullende studie te volgen. In dit kader maakt hij scholingskosten, welke hij in aftrek op zijn inkomen wenst te brengen, aldus nog steeds eiser. Eiser baseert zijn standpunt in het bijzonder nog op de bijlage bij het aangiftebiljet ib/pvv 2012. 16. Met hetgeen eiser heeft aangevoerd, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt, laat staan doen blijken dat in deze zaak sprake is van aftrekbare scholingsuitgaven. Eiser volgt in het onderhavige jaar geen concrete studie of opleiding voor een beroep. De werkzaamheden binnen dienstverband voor de Stichting [Y] zelf zijn niet als zodanig aan te merken. De omstandigheid dat eiser voor zijn werk voor de Stichting [Y] beroepsmatig ontwikkelingen op zijn werkterrein bijhoudt, is niet aan te merken als het volgen van een opleiding of studie in de zin van artikel 6.27, eerste lid van de Wet IB 2001. Bij het volgen van een opleiding of studie in de zin van genoemd artikel is in ieder geval nodig dat het verwerven van de kennis onder enige begeleiding of toezicht van een derde plaatsvindt. In dit kader is zelfstudie en het bijhouden van vakliteratuur onvoldoende (vgl. HR 25 januari 2008, nr. 41927, ECLI:NL:HR:2008:BC2601). De door eiser opgevoerde kosten kunnen dan ook niet worden aangemerkt als aftrekbare scholingsuitgaven. Verweerder heeft deze kosten derhalve terecht niet in aftrek toegelaten. 17. Gelet op hetgeen onder 11 is overwogen, zal het beroep voor zover gericht tegen de uitspraak op bezwaar gegrond worden verklaard. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten gesteld. Voor zover het beroep gericht is tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering, is het ongegrond.” 5Beoordeling van het geschil Opmerking vooraf 5.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 29 april 2014 een (definitieve) aanslag IB 2012 opgelegd, waarna belanghebbende bij brief van 1 december 2014, gelijktijdig met zijn bezwaar hiertegen, heeft verzocht om ambtshalve vermindering van die aanslag. Dit verzoek is voorts door de inspecteur afgewezen bij beslissing van 11 maart 2015. Het Hof begrijpt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aan het oordeel van het Hof onderworpen, aldus dat deze uitspraak met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ziet op het rechtstreeks beroep van belanghebbende tegen de afwijzende beslissing op zijn verzoek tot ambtshalve vermindering van de aanslag IB 2012. De rechtbank heeft het beroep, aldus verstaan, terecht als een ontvankelijk beroep in behandeling genomen. Bewijslastverdeling bij ambtshalve vermindering van aanslag IB 5.2. Op grond van artikel 9.6, eerste en tweede lid, van de Wet IB 2001 kan een onjuiste belastingaanslag door de inspecteur ambtshalve worden verminderd. Die vermindering geschiedt, volgens de letter van artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling van de Wet IB 2001 (hierna: de Uitvoeringsregeling), zodra de inspecteur is gebleken (cursivering: Hof) dat de belastingaanslag op een te hoog bedrag is vastgesteld en mits geen van de uitzonderingen genoemd in onderdeel a tot en met e van voormeld artikel 45aa zich voordoet. Artikel 45aa is met ingang van 2010 in de Uitvoeringsregeling opgenomen (Regeling van 17 december 2009, nr. DB2009/735M, Stcrt. 2009, 20549, laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 23 december 2010, nr. DB2010/281M, Stcrt. 2010, 21111). De zinsnede ‘zodra de inspecteur is gebleken’ zoals opgenomen in de aanhef van artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling wordt in de toelichting op het wijzigingsbesluit van 23 december 2010 als volgt toegelicht: “(…) Voor de goede orde wordt opgemerkt dat met de toegevoegde zinsnede ‘zodra de inspecteur is gebleken’ zowel wordt gedoeld op de situatie dat belastingplichtige informatie heeft aangedragen als op de situatie dat de Belastingdienst zelf op welke manier dan ook een onjuistheid op het spoor is gekomen. (…)” (zie de toelichting op het Besluit van 23 december 2010, nr. DB2010/281M, Stcrt. 2010, nr. 21111, blz. 41-42). 5.3. Het Hof overweegt dat uit de tekst van artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling, in samenhang met het hiervoor opgenomen citaat uit de toelichting op die bepaling, niet (zoals de rechtbank wel heeft geoordeeld) volgt dat sprake is een verzwaarde bewijslast voor de belastingplichtige in de zin dat hij overtuigend dient aan te tonen dat de belastingaanslag te hoog is vastgesteld. Het Hof kent, zo er al onduidelijkheid is ter zake van de interpretatie van voormelde bepaling (in het bijzonder van de bedoelde zinsnede van voormeld artikel 45aa), waarde toe aan de totstandkomingsgeschiedenis omdat hieruit volgt dat de zinsnede ‘zodra de inspecteur is gebleken’ van artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling gaat over de wijze waarop de inspecteur de bewuste informatie (die hem heeft doen besluiten tot het ambtshalve verminderen van de belastingaanslag in kwestie) heeft bereikt. Dit kan zijn op aandragen van de belastingplichtige of door een eigen onderzoek van de inspecteur c.q. de Belastingdienst, aldus de toelichting. Aan de term ‘gebleken’ dient dan ook niet de door de rechtbank voorgestane bewijslastverdeling te worden gekoppeld. Het Hof zal bij de navolgende beoordeling de ‘normale’ bewijslastverdeling als uitgangspunt nemen. Dit betekent dat gelet op het feit dat belanghebbende zich op een aftrekpost beroept en de inspecteur die post heeft betwist, belanghebbende feiten en omstandigheden aannemelijk moet maken op grond waarvan hij recht heeft op aftrek van scholingsuitgaven. Recht op aftrek van scholingsuitgaven? 5.4. Op grond van artikel 6.27 van de Wet IB 2001 worden als scholingsuitgaven aangemerkt de uitgaven voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning. Tijdens de parlementaire behandeling (Memorie van Toelichting) van de totstandkoming van deze bepaling zijn doel en strekking als volgt toegelicht (TK 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 260-261): "Met de term ‘met het oog op het verwerven van inkomen uit arbeid en woning’ wordt beoogd aan te geven dat het doel van de opleiding bepalend is voor de aftrekbaarheid van de scholingsuitgaven. Het geobjectiveerde doel van het volgen van de opleiding of studie moet zijn hetzij het verbeteren van de financieel-economische positie van de belastingplichtige, hetzij het op peil houden of verbeteren van kennis en vaardigheden die de belastingplichtige nodig heeft voor het verwerven of behouden van inkomen uit tegenwoordige arbeid. Uitgaven voor een opleiding of studie die wordt gevolgd als hobby of uit persoonlijke interesse, kunnen dus niet als scholingsuitgaven in aanmerking komen, evenmin als dergelijke uitgaven in een te ver verwijderd verband staan met het verwerven van inkomen uit werk en woning." Per 1 januari 2013 is artikel 6.27 van de Wet IB 2001 gewijzigd. Uit de parlementaire behandeling (Memorie van Toelichting) van de wijzigingsbepaling blijkt dat die wijziging enkel tot doel heeft het type uitgaven te limiteren (TK 2012/13, 33 402, nr. 3, blz. 24). De doelstelling van de regeling is daarbij ongewijzigd gebleven. 5.5. Gelet op deze wetsgeschiedenis staat de wetgever (bij de invoering van artikel 6.27 van de Wet IB 2001) een ruimere aftrekmogelijkheid voor dan volgt uit de (beperkte) uitleg die de Hoge Raad destijds heeft gegeven aan artikel 46, lid 1, letter c, van de Wet IB 1964, te weten het door de belastingplichtige op grond van opleiding of studie verwerven van vakkennis welke hij nog niet bezat, teneinde vakbekwaamheid te verkrijgen of zijn vakbekwaamheid uit te breiden, zulks met het oogmerk en in de redelijke verwachting na voltooiing van de opleiding of studie de verworven kennis in het economische verkeer productief te maken (zie Hoge Raad 7 november 2003, nr. 37862, BNB 2004/179). In de Memorie van Toelichting bij artikel 6.27 van de Wet IB 2001 is namelijk (zoals opgenomen in rechtsoverweging 5.4.) vermeld dat eveneens als scholingsuitgaven zijn aan te merken opleidings- of studiekosten die zijn gemaakt met als doelstelling het (louter) op peil houden van kennis en vaardigheden die de belastingplichtige nodig heeft voor het verwerven hetzij behouden van inkomen uit tegenwoordige arbeid en/of het verbeteren van de financieel economische positie. Dergelijke uitgaven vallen derhalve eveneens onder de reikwijdte van artikel 6.27 van de Wet IB 2001. 5.6. Met hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van de door hem genoemde uitgaven (zie onder 2.3.) sprake is scholingsuitgaven met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning in voornoemde (onder 5.4. en 5.5. opgenomen) zin. Niet aannemelijk is geworden dat sprake is van opleidings- of studiekosten ter verwerving of uitbreiding van de eigen vakbekwaamheid dan wel van kosten voor het op peil houden van belanghebbendes kennis en vaardigheden. Belanghebbende heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de door hem opgevoerde uitgaven van (ongeveer) € 3.000, vallen onder de reikwijdte van 6.27 van de Wet IB 2001. De inspecteur heeft aldus terecht de aftrek van de door belanghebbende genoemde uitgaven (zie onder 2.3.) voor 2012 geweigerd. 5.7. Voor zover belanghebbende heeft beoogd te betogen dat met het in voorgaande jaren in aftrek toelaten van de in zijn aangiften IB opgevoerde scholingsuitgaven jegens hem het vertrouwen zou zijn gewekt dat in het jaar 2012 deze scholingsuitgaven eveneens zouden worden geaccepteerd, leidt dit betoog niet tot een andere uitkomst. Het Hof overweegt dat voor een zodanig beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat, afgezien van het volgen van de aangiften IB gedurende een aantal jaren, belanghebbende anderszins de indruk heeft kunnen krijgen dat sprake is van een weloverwogen standpuntbepaling door de inspecteur. Feiten en omstandigheden die zulks aannemelijk maken zijn niet gesteld en/of gebleken. 5.8. Ook de informatie opgenomen in punt 42 van de toelichting bij de aangifte IB voor 2012, geeft geen aanleiding tot het alsnog in aftrek toelaten van de opgevoerde uitgaven. Nog daargelaten of de door belanghebbende voorgestane lezing van dit gedeelte van de toelichting op de aangifte juist is (de inspecteur betwist dat belanghebbendes lezing juist is), gaat het om een voor algemeen gebruik opgesteld formulier waarin voorlichting wordt gegeven in verband met de invulling van de aangifte. Met het oog op het belang dat de fiscus zijn voorlichtende taak onbelemmerd kan vervullen, moet worden aanvaard dat een mogelijke onjuiste voorlichting door de fiscus in de regel niet voor diens rekening komt. De inspecteur is in de regel niet gebonden aan de door dergelijke voorlichting gewekte verwachtingen, vergelijk de arresten van de Hoge Raad van 26 september 1979, nr. 19250, BNB 1979/311 en van 9 maart 1988, nr. 24199, BNB 1988/148. Hierbij overweegt het Hof dat de uitspraak van de rechtbank en de gedingstukken geen aanwijzingen bevatten dat in dit geval sprake is van schade ten gevolge van het voortbouwen op gerechtvaardigd vertrouwen als in die arresten bedoeld, op grond waarvan een uitzondering op de genoemde regel aangenomen zou kunnen worden. Slotsom 5.9. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd. 6Kosten Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten in verband met de behandeling van het hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet. 7Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door mrs. N. Djebali, voorzitter, F.J.P.M. Haas en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 11 augustus 2016 in het openbaar uitgesproken. griffier voorzitter In afschrift aan partijen verzonden op: Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummers BRE 18/2192 en 18/7428 uitspraak van 21 november 2018 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in de gedingen tussen [belanghebbende] , wonende te [woonplaats ] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. De bestreden beslissingen De beslissingen in de brief van 30 maart 2018 naar aanleiding van de bezwaren tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna:

IB/PVV), en de bij beschikking opgelegde boete alsmede de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2015 (hierna: Zvw) ( aanslagnummers [aanslagnummer].H.56.01 en [aanslagnummer].W.56.01.4 ). Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2018 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [naam A] en [naam B] . Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 14 september 2018 aan belanghebbende op het adres [adres ] te [woonplaats ] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen.

Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 15 september 2018 aan belanghebbende op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden. Het feit dat ter zitting is gebleken dat belanghebbende met ingang van [datum] 2018 staat ingeschreven op het adres van de penitentiaire inrichting Dordrecht, maakt niet dat de uitnodiging niet op de juiste wijze is aangeboden.

Dat feit is daarnaast geen aanleiding geweest om het onderzoek ter zitting aan te houden. Een verzoek daartoe is namelijk niet binnengekomen. 1Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen ongegrond voor zover ze zijn gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaren; - verklaart de beroepen gegrond voor zover ze zijn gericht tegen de afwijzing van de verzoeken om ambtshalve vermindering; - vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover die zien op die verzoeken; - vermindert de aanslag IB/PVV tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.000 en vermindert de belastingrente dienovereenkomstig; - vernietigt de verzuimboete; - vermindert de aanslag Zvw tot een aanslag berekend naar een bijdrage-inkomen van € 12.000 en vermindert de belastingrente dienovereenkomstig; - gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan deze vergoedt. 2Gronden Vooraf 2.1.

Ter zitting is gebleken dat de uitspraak op bezwaar van 30 maart 2018 ook ziet op de aanslag Zvw over het jaar 2015. De rechtbank gaat ervan uit dat het beroepschrift daarom ook op die aanslag betrekking heeft. De rechtbank heeft aan het beroep betreffende die aanslag het procedurenummer BRE 18/7428 toegekend. Over de niet-ontvankelijkheid van de bezwaren 2.2. Bij de uitspraken op bezwaar van 30 maart 2018 heeft de inspecteur de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. 2.3. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken (artikel 6:7 van de Awb).

Deze termijn vangt aan op de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of van het afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking (artikel 22j van de AWR). Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen (artikel 6:9 van de Awb). Bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift blijft een niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (artikel 6:11 van de Awb). 2.4.

De dagtekening van de aanslagen is 18 oktober 2017. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de aanslagen na die datum zijn verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is geëindigd op woensdag 29 november 2017. Het bezwaarschrift van belanghebbende is gedagtekend 15 januari 2018 en op diezelfde dag door de inspecteur ontvangen. Het bezwaarschrift is gelet op artikel 6:9 van de Awb niet tijdig ingediend. 2.5. De bezwaartermijn is een fatale wettelijke termijn waarvan niet kan worden afgeweken. Alleen als de termijnoverschrijding verschoonbaar is in verband met zeer bijzondere omstandigheden waardoor de termijnoverschrijding gerechtvaardigd wordt, kan niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijven. 2.6.

Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd op basis waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 van de Awb. De inspecteur heeft het bezwaar dan terecht niet-ontvankelijk verklaard. 2.7. De beroepen zijn daarom ongegrond verklaard voor zover ze zijn gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren. Over de ambtshalve beslissingen 2.8. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift van 10 juli 2018 geconcludeerd dat er sprake is van een ontvankelijk beroep met betrekking tot (de uitspraken op bezwaar tegen) de beslissingen tot afwijzing van de verzoeken om ambtshalve vermindering (op grond van artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 49, derde lid, van de Zorgverzekeringswet) (hierna: de ambtshalve beslissingen).

De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen enerzijds dat het beroepschrift kon worden opgevat als (een verzoek voor instemming met een) rechtstreeks beroep tegen de ambtshalve beslissingen en anderzijds dat de rechtbank het met de inspecteur eens is dat ten onrechte uitspraak op bezwaar tegen die ambtshalve beslissing(en) is gedaan aangezien geen bezwaar was gemaakt. 2.9. Ter zitting heeft de inspecteur uit eigen beweging geconcludeerd tot vernietiging van de opgelegde verzuimboete ad € 369 en tot vermindering van het belastbaar inkomen uit werk en woning tot een bedrag van € 12.000.

Reden is dat de uitnodiging tot het doen van aangifte naar een verkeerd adres is gestuurd waardoor geen sprake kan zijn van omkering van de bewijslast wegens het niet-doen van de vereiste aangifte, aldus de inspecteur. 2.10. De inspecteur heeft ter onderbouwing van het bedrag van € 12.000 aan inkomsten aangevoerd dat de uitkering van belanghebbende met ingang van 31 augustus 2014 is beëindigd en dat belanghebbende op een andere manier in zijn levensonderhoud heeft moeten voorzien in 2015. De inspecteur acht een schatting van € 12.000 op basis van de bijstandsnorm redelijk.

Belanghebbende heeft in beroep slechts gesteld dat hij in 2015 geen inkomsten heeft gehad waarover hij wel inkomstenbelasting moet betalen en dat hij in dat jaar door zijn vader is onderhouden. De inspecteur heeft erop gewezen dat belanghebbende niet op het adres van zijn vader woonde. De rechtbank overweegt eerst als volgt over de bewijslast. Op grond van artikel 9.6 van de Wet IB 2001 kan een onjuiste belastingaanslag door de inspecteur ambtshalve worden verminderd. Die vermindering geschiedt, volgens artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling van de Wet IB 2001, zodra de inspecteur ‘is gebleken’ dat de belastingaanslag op een te hoog bedrag is vastgesteld.

De term ‘is gebleken’ moet niet zo worden uitgelegd dat sprake is van een zwaardere bewijslast dan ‘aannemelijk zijn’ (vgl. Hof Amsterdam 11 augustus 2018, ECLI:NL:GHAMS:2016:3374). In het geval van de beoordeling of een ambtshalve vermindering dient plaats te vinden, rust – anders dan bij de beoordeling of een aanslag te hoog is – bij een geschil over een positief inkomensbestanddeel de bewijslast niet (volledig) bij de inspecteur. Het gaat er om of aannemelijk is dat de aanslag te hoog is. De rechtbank overweegt dat de onderbouwing van de standpunten van beide partijen mager is.

Dat neemt niet weg dat als vaststaand kan worden aangenomen dat belanghebbende in 2015 ergens van heeft moeten leven. Zonder een andere redelijke verklaring van bron voor de benodigde uitgaven is bij een persoon van belanghebbendes leeftijd (geboortejaar 1985) als uitgangspunt aannemelijk dat die uitgaven zijn gefinancierd met inkomsten uit arbeid. Nu de stellingen van belanghebbende slechts blote stellingen zijn die niet verder zijn onderbouwd, kan niet worden gezegd dat aannemelijk is dat dat er geen inkomsten uit arbeid zijn in dit geval. Met betrekking tot de hoogte van het inkomen merkt de rechtbank op dat de inspecteur geen enkele concrete, op belanghebbendes geval toegespitste onderbouwing voor het bedrag van € 12.000 heeft gegeven (zoals schatting van de woonlasten, geconstateerde uitgaven, geschatte uitgaven op basis van Nibud-normen, etc).

Dat neemt niet weg dat in een geval als hier de rechtbank het hanteren van de bijstandsnorm voor de bepaling van het inkomen als uitgangspunt aanvaardbaar acht. Bij gebrek aan gegevens van de zijde van belanghebbende is de rechtbank daarom, alles afwegende, van oordeel dat niet aannemelijk is dat het inkomen van € 12.000 te hoog is. 2.11. De beroepen zijn dus gegrond verklaard voor zover ze betrekking hebben op de ambtshalve beslissingen. De aanslagen IB/PVV en Zvw zijn verminderd tot aanslagen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning respectievelijk een bijdrage-inkomen van € 12.000. 2.12.

Nu de beroepen in zoverre gegrond zijn verklaard, dient het griffierecht aan belanghebbende te worden vergoed. 2.13. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Uitstel van betaling en invorderingsmaatregelen 2.14. In zijn beroepschrift heeft belanghebbende verzocht om uitstel van betaling en om zelf zijn in beslag genomen auto te mogen verkopen. Deze verzoeken liggen op het terrein van de invordering en moeten worden gedaan aan de ontvanger. De rechtbank is niet bevoegd over dergelijke verzoeken te oordelen. Deze uitspraak is gedaan op 21 november 2018 door mr.

M.R.T. Pauwels, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van D. Alblas, griffier. De griffier, De rechter, Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.