Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2018:4600 ECLI:NL:RBZWB:2018:4600 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2018:4600 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2018:4600
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht. Vgl. HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1797, rov. 4.2.1-4.2.4. Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 13 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2700. Eerder ook bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 28 februari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:1591 en Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2 maart 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:1770.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:71 van de Awb; ECLI:NL:RBZWB:2018:4600 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: De rechtbank stelt voorop dat tegen een ambtshalve beslissing op grond van artikel 65 van de AWR geen bezwaar en beroep openstaat. De belastingrechter is niet bevoegd indien direct beroep wordt ingesteld tegen een ambtshalve beslissing. Rechtsvorderingen kunnen worden ingesteld bij de civiele rechter. De onbevoegdheid van de belastingrechter strekt zich in beginsel ook uit tot nevenbeslissingen die samenhangen met een ambtshalve beslissing. Dit betekent dat zelfs vóór invoering van artikel 28c van de IW de belastingrechter in een procedure zoals hier niet bevoegd zou zijn om op grond van artikel 8:73 (oud) van de Awb een rentevergoeding toe te kennen in aanvulling op – voor zover aan de orde op – de rentevergoeding die uit de AWR voortvloeit.

Keywords

AI generated
pension overpayment setoff refund of withholding tax unpaid remuneration overpaid insurance benefits adjustment of remuneration pensioner

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:71 van de Awb
De rechtbank heeft bij de onbevoegdverklaring ter zake van het verzoek om rentevergoeding niet een verwijzing naar artikel 8:71 van de Awb opgenomen, omdat – zoals uit 2.7 volgt – er wel een rechtsingang bij de belastingrechter is.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2017:341
3 maart 2017 nr. 16/01176 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] v.o.f. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 februari 2016, nr. 15/00023, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 13/4203) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag inzake de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2013:1797
20 december 2013 nr. 12/02872 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 5 juni 2012, nr. BK-11/00462, betreffende een beschikking als bedoeld in artikel 4:18 Awb. Bij beschikking van 18 november 2010 heeft de Inspecteur geweigerd een door belanghebbende gevraagde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 Awb vast te stellen (hierna: de beschikking). De beschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd. De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 11/2814 IB/PVV) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en de Staat gelast aan belanghebbende een bedrag van € 153 aan griffierecht te vergoeden. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:GHARL:2018:2700
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Locatie Arnhem nummer 15/00930 uitspraakdatum: 13 maart 2018 Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland van 16 juni 2015, nummer AWB 12/3299 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur) en de Staat der Nederlanden (de Minister voor Rechtsbescherming; hierna: de Staat) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1 Belanghebbende heeft op 5 augustus 2011 aangifte in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna:
ECLI:NL:GHARL:2017:1591
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Locatie Arnhem nummer 15/00422 uitspraakdatum: 28 februari 2017 Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland van 19 maart 2015, nummer AWB 12/2856 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Roermond (thans Utrecht; hierna: de Inspecteur) en de Staat der Nederlanden (Minister van Veiligheid en Justitie; hierna: de Staat) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1 Belanghebbende heeft op 23 september 2011 aangifte in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna:
ECLI:NL:RBZWB:2018:1770
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummer BRE 16/7213 uitspraak van 2 maart 2018 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. en de Minister voor Rechtsbescherming. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van de inspecteur op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna:
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummers BRE 18/58, 18/59 en 18/60 uitspraak van 26 juli 2018 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in de gedingen tussen [belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats X], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. De bestreden beslissingen De uitspraken van de inspecteur in de brieven van 5 december 2017 op het bezwaar van belanghebbende tegen op aangiften voldane belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) ter zake van drie auto’s, alsmede de in die brieven genomen beslissingen op grond van artikel 65 van de AWR (hierna: de ambtshalve beslissingen).

Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2018 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] en [A], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Westerhoven, en namens de inspecteur, [verweerder]. 1Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar ongegrond; - verklaart zich onbevoegd om uitspraak te doen over de ambtshalve beslissingen en het verzoek om rentevergoeding ter zake van de ambtshalve verleende teruggaaf. 2Gronden Niet-ontvankelijkheid bezwaren 2.1.

In de uitspraken op bezwaar van 5 december 2017 heeft de inspecteur de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijnen. 2.2. Ter zitting is vastgesteld dat niet in geschil is dat de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. 2.3. Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard. Rentevergoeding in verband met de ambtshalve teruggaaf 2.4. In de brieven met de uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur ambtshalve besloten tot teruggaaf van belasting van respectievelijk € 115, € 134, en € 442.

De inspecteur heeft vervolgens bij brieven van 12 januari 2018 onder meer gemeld dat belastingrente van respectievelijk € 4, € 5 en € 15 wordt vergoed ter zake van de onderscheiden teruggaven. Uit de verweerschriften van de inspecteur begrijpt de rechtbank dat deze vergoeding is geschied op grond van artikel 30ha van de AWR. 2.5. Belanghebbende heeft gesteld dat zij op grond van Unierecht recht heeft op een (volledige) rentevergoeding over de teruggaaf, en verzoekt de rechtbank om artikel 28c van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW) onverbindend te verklaren. 2.6.

De rechtbank stelt voorop dat tegen een ambtshalve beslissing op grond van artikel 65 van de AWR geen bezwaar en beroep openstaat. De belastingrechter is niet bevoegd indien direct beroep wordt ingesteld tegen een ambtshalve beslissing. Rechtsvorderingen kunnen worden ingesteld bij de civiele rechter. De onbevoegdheid van de belastingrechter strekt zich in beginsel ook uit tot nevenbeslissingen die samenhangen met een ambtshalve beslissing. Dit betekent dat zelfs vóór invoering van artikel 28c van de IW de belastingrechter in een procedure zoals hier niet bevoegd zou zijn om op grond van artikel 8:73 (oud) van de Awb een rentevergoeding toe te kennen in aanvulling op – voor zover aan de orde op – de rentevergoeding die uit de AWR voortvloeit.

Dit vindt ook steun in artikel 8:73 (oud) van de Awb zelf, dat immers een gegrondverklaring vereist om een schadevergoeding te kunnen toekennen. Het voorgaande betekent ook dat zelfs als artikel 28c van de IW onverbindend zou zijn, de rechtbank in deze procedure niet bevoegd zou zijn om op het onderhavige verzoek om rentevergoeding uitspraak te doen. 2.7. Na invoering van artikel 28c van de IW is bij uitsluiting de ontvanger bevoegd om bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen of en in hoeverre invorderingsrente wordt vergoed in verband met in strijd met het Unierecht geheven belasting.

Pas daarna kan de belastingrechter aan de beoordeling van die beschikking inzake invorderingsrente toekomen. Deze procedure gaat niet over een (uitspraak op bezwaar betreffende een) dergelijke beschikking van de ontvanger. Dit betekent dat de rechtbank in deze procedure niet bevoegd is een uitspraak te doen over de verzochte rentevergoeding. Een en ander volgt uit het arrest HR 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:341. Weliswaar ging het in dat arrest om een teruggaaf als gevolg van een vermindering van een naheffingsaanslag, maar een en ander geldt ook in het geval sprake is van teruggaaf van op aangifte voldane belasting en belanghebbende meent dat hij recht heeft op meer rentevergoeding dan uit de AWR voortvloeit. 2.8.

Anders dan belanghebbende betoogt dwingt het Unierecht niet om af te wijken van de zojuist beschreven nationaalrechtelijke bevoegdheidsverdeling. Een lidstaat mag – met inachtneming van beginselen zoals het gelijkwaardigheidsbeginsel en doeltreffendheidsbeginsel – proceduregels treffen met betrekking tot de wijze waarop aanspraak kan worden gemaakt op een rentevergoeding. Of de procedure van artikel 28c van de IW op alle punten in overeenstemming is met het Unierecht, wat belanghebbende bestrijdt, kan in een eventuele procedure tegen (het achterwege blijven van) een beschikking op grond van artikel 28c van de IW aan de orde worden gesteld.

Al wat belanghebbende heeft aangevoerd, heeft geen aanleiding gegeven voor een ander oordeel. Opmerking verdient daarbij dat de kern van belanghebbendes betoog is dat zij van (Unie)rechtswege recht heeft op volledige rentevergoeding. Het hier door de rechtbank gegeven oordeel houdt echter niet in dat dit betoog onjuist is, maar houdt in dat het niet in strijd is met het Unierecht dat de wetgever heeft bepaald dat de ontvanger degene is die in eerste instantie bevoegd is om vast te stellen of en in hoeverre (invorderings)rente wordt vergoed in verband met in strijd met het Unierecht geheven belasting.

Het voor belanghebbende belangrijke pijnpunt of het effectueren van een recht op (aanvullende) rentevergoeding afhankelijk mag worden gesteld van een (tijdig) verzoek, kan in deze procedure niet aan de orde komen. 2.9. De rechtbank heeft bij de onbevoegdverklaring ter zake van het verzoek om rentevergoeding niet een verwijzing naar artikel 8:71 van de Awb opgenomen, omdat – zoals uit 2.7 volgt – er wel een rechtsingang bij de belastingrechter is. Dit laatste houdt overigens een nuancering in van de opmerking van de rechtbank ter zitting dat, kort gezegd, de civiele rechter bevoegd is ter zake van wat samenhangt met een ambtshalve beslissing op grond van artikel 65 van de AWR.

Proceskosten en (rente over) griffierecht 2.10. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Er is evenmin grond om de inspecteur op te dragen het griffierecht te vergoeden. Aan de kwestie of belanghebbende recht heeft op rentevergoeding ter zake van het griffierecht wordt daarom niet toegekomen. Deze uitspraak is gedaan op 26 juli 2018 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van D. Alblas, griffier. De griffier, De rechter, Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht. Vgl. HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1797, rov. 4.2.1-4.2.4. Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 13 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2700. Eerder ook bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 28 februari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:1591 en Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2 maart 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:1770.