ECLI:NL:RBZWB:2018:4494 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Legislator summary
AI generatedDe procedure. De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken: - de vordering; - het bevel tot bewaring d.d. 06 juli 2018; - het proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer d.d. 17 juli 2018, waaruit blijkt dat de officier van justitie, verdachte en diens raadsman zijn gehoord.
Legislator headnote
AI generatedartikel 67B van het Wetboek van Strafvordering; ECLI:NL:RBZWB:2018:4494 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: De beoordeling. Uit de feiten en omstandigheden blijkt wel van ernstige bezwaren tegen de verdachte voor de feiten genoemd op de vordering alsmede op de nadere vordering ex artikel 67B van het Wetboek van Strafvordering, maar er zijn thans geen wettelijke gronden voor de voorlopige hechtenis. Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er, gelet op de inhoud van de stukken, ernstige bezwaren voor de drie feiten. Het dossier biedt onvoldoende basis voor het oordeel dat het recidivegevaar voldoende concreet en accuut is. Het strafblad is daartoe niet voldoende redengevend en het enkele bezit van een vuurwapen is dat evenmin.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedRelated Decisions
AI generatedFull text
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team strafrecht, locatie Middelburg Parketnummer: 02/700129-18 Afwijzing vordering gevangenhouding Beslissing op de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Zeeland-west-Brabant d.d. 12 juli 2018, strekkende tot het geven van een bevel tot gevangenhouding van: [Verdachte] geboren op [geboortedag] 1969 te [geboorteland] , wonende te [adres] thans gedetineerd.
1. De procedure. De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken: - de vordering; - het bevel tot bewaring d.d. 06 juli 2018; - het proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer d.d. 17 juli 2018, waaruit blijkt dat de officier van justitie, verdachte en diens raadsman zijn gehoord.
2. De beoordeling. Uit de feiten en omstandigheden blijkt wel van ernstige bezwaren tegen de verdachte voor de feiten genoemd op de vordering alsmede op de nadere vordering ex artikel 67B van het Wetboek van Strafvordering, maar er zijn thans geen wettelijke gronden voor de voorlopige hechtenis. Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er, gelet op de inhoud van de stukken, ernstige bezwaren voor de drie feiten. Het dossier biedt onvoldoende basis voor het oordeel dat het recidivegevaar voldoende concreet en accuut is. Het strafblad is daartoe niet voldoende redengevend en het enkele bezit van een vuurwapen is dat evenmin.
De rechtbank acht de verklaring van verdachte over de wijze van verkrijging van het wapen niet overtuigend en dit impliceert dat de gestelde wijze van verkrijging ook geen basis kan zijn voor het aannemen van de recidivegrond. De verdenking van de overtreding van de Opiumwet (feit 2) biedt geen indicatie voor betrokkenheid van verdachte bij handel in softdrugs dus het bezit van het wapen kan ook niet in dat kader worden geplaatst. Het bestaan van de recidivegrond wordt dan ook niet aangenomen en de vordering van de officier van justitie zal bij gebreke van gronden worden afgewezen.
3. De beslissing. De rechtbank - wijst toe de nadere vordering ex artikel 67 B van het Wetboek van Strafvordering; - wijst de vordering van de officier van justitie, strekkende tot gevangenhouding van verdachte af; Deze beslissing is gegeven op 17 juli 2018 door mr G.H. Nomes, voorzitter, en mrs E.J. Zuijdweg en H. Skalonjic, rechters, in tegenwoordigheid van R. de Moor, griffier. De officier van justitie gelast de tenuitvoerlegging van vorenstaande beschikking en brengt deze ter kennis van verdachte. Middelburg, De officier van justitie,