Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2018:191 ECLI:NL:RBZWB:2018:191 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2018:191 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2018:191
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; een dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; e gronden van het hoger beroep. Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht. Sprongcassatie Tegen deze uitspraak kan belanghebbende onder de voorwaarde van schriftelijke instemming van de staatssecretaris van Financiën binnen zes weken na de verzenddatum beroep in sprongcassatie (ingevolge artikel 28, derde lid, van de AWR) instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij dient het volgende in acht te worden genomen:

Legislator headnote

AI generated

artikel 14 van het EVRM, artikel 14 EVRM; ECLI:NL:RBZWB:2018:191 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Daarbij verdient opmerking dat het alternatief van een stapsgewijze verlaging onder ogen is gezien, maar daarvoor niet gekozen is op grond van redenen die niet van redelijke grond zijn ontbloot. Dat de overgangsregeling ruw kan uitpakken in concrete situaties, is evenmin aanleiding voor een ander oordeel. Derhalve faalt het beroep van belanghebbende op schending van het discriminatieverbod. In het midden kan daarom blijven of de bestreden onderscheidingsgrond überhaupt wel onder het toepassingsbereik van artikel 26 IVBPR valt (vgl. VN-Mensenrechtencomité 25 juli 2005, nr. 1192/2003 (De Vos), BNB 2005/349).

Keywords

AI generated
fair market value effective price motor vehicle expenses insurance premium tier weekly commuter allowance contract for vehicle sale

Cited Legislation

AI generated
artikel 14 van het EVRM
In geschil is of het hanteren van een bijtellingspercentage van 25%: in strijd is met het gelijkheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM.
artikel 14 EVRM
Artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM 4.2.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2013:1206
22 november 2013 nr. 13/01154 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 29 januari 2013, nr. AWB 12/5955, betreffende een aanslag in de erfbelasting. Aan belanghebbende is ter zake van de verkrijging uit de nalatenschap van [A], overleden in 2011, een aanslag in de erfbelasting opgelegd. Met toepassing van artikel 7:1a Awb is door belanghebbende beroep tegen deze aanslag ingesteld. De Rechtbank heeft het tegen die aanslag ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:RBDHA:2017:10573
Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 17/2642 uitspraak van de meervoudige kamer van 5 september 2017 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:HR:2017:964
Hoge Raad der Nederlanden Derde Kamer Nr.
ECLI:NL:GHSHE:2017:2511
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 15/01363 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 6 november 2015, nummer BRE 15/2914, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de Inspecteur, betreffende na te vermelden aanslag. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2013 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.887 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 43.646, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 122. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 18 november 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , echtgenoot en gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer [B] . 1.5. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota met twee bijlagen toegezonden aan het Hof en door tussenkomst van de griffier aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. 1.6. De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. 1.7. Vervolgens heeft het Hof het onderzoek gesloten. 1.8. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden. 2Feiten Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan: 2.1. Belanghebbende heeft in 2013 tot een bedrag van € 25.887 loon genoten, waarop een bedrag van € 5.043 aan loonheffing is ingehouden. Tevens heeft zij per saldo een bedrag van nihil aan inkomsten uit eigen woning genoten. Het belastbaar inkomen uit werk en woning over het jaar 2013 bedraagt aldus € 25.887. De belasting en premie volksverzekeringen op het belastbare inkomen uit werk en woning bedraagt € 9.889. 2.2. Op 1 januari 2013 is het vermogen van belanghebbende als volgt samengesteld: ABN AMRO Vermogensspaarrekening € 200.000 ABN AMRO Bonus Speciaal Spaarrekening 34 ING Betaalrekening 16.020 ING Profijtrekening 354.104 Internetspaarrekening 10 Regiobank Groeirente 200.000 WUE Spaaronline rekening 200.152 Rekening Centraal Beheer 159.224 -------------- + € 1.129.544 Overige vorderingen en contant geld 3.891 -------------- + Totaal € 1.133.435 De grondslag sparen en beleggen voor het jaar 2013 bedraagt € 1.133.435 verminderd met het heffingsvrije vermogen van € 42.278 = € 1.091.157. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen bedraagt 4% van deze grondslag, dat is € 43.646. De belasting over het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen bedraagt € 13.093 (vermogensrendementsheffing). 3Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de vermogensrendementsheffing in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. 3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal. 3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.887 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4Gronden Ten aanzien van het geschil 4.1. Belanghebbende stelt dat onomstotelijk vaststaat dat over een reeks van jaren bezien een rendement van 4% voor een particuliere belegger niet haalbaar is. Nu de wetgever, ondanks toezeggingen daaromtrent, heeft nagelaten het vorenbedoelde percentage van 4 aan te passen aan de renteontwikkelingen dan wel een tegenbewijsregeling op te nemen, is volgens belanghebbende de vermogensrendementsheffing in strijd met het eigendomsrecht van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Een vermogensrendementsheffing die het werkelijk behaalde rendement te boven gaat, is bovendien buitensporig. De Inspecteur stelt dat, afhankelijk van de looptijd van de gekozen spaarvorm, de belastingdruk op spaargeld volgens de vermogensrendementsheffing over de periode 2010 tot en met 2015 fluctueert van 30% tot 85%. Voor de beoordeling van de verenigbaarheid van de vermogensrendementsheffing met het eigendomsrecht is volgens de Inspecteur niet alleen het rendement op spaargeld van belang, maar moet in algemene zin rekening worden gehouden met de gemiddelde rendementen op alle bezittingen die tot de rendementsgrondslag behoren. Tegen die achtergrond volgt, aldus de Inspecteur, uit het arrest HR 10 juli 2016, nr. 14/05020, ECLI:NL:HR:2016:1129, dat de vermogensrendementsheffing geen ongerechtvaardigde inbreuk op het eigendomsrecht maakt. De waarschuwing die de Hoge Raad in dit arrest aan de wetgever geeft, heeft overigens alleen betekenis voor de toekomst en dus niet voor het jaar 2013. Van een buitensporige last is in de situatie van belanghebbende geen sprake nu de verschuldigde vermogensrendementsheffing ongeveer 50% van het werkelijk behaalde rendement bedraagt. Het Hof overweegt het volgende. 4.2. In zijn arrest van 10 juli 2016, nr. 14/05020, ECLI:NL:HR:2016:1129, heeft de Hoge Raad met betrekking tot de vermogensrendementsheffing voor het jaar 2011 het volgende beslist: “2.4.1.1. Bij de totstandkoming van box 3 met ingang van 2001 heeft de wetgever het forfaitaire rendement bepaald op vier percent. Dit percentage is niet afhankelijk gesteld van het werkelijke rendement van de bezittingen gedurende het jaar. De wetgever achtte dat gerechtvaardigd omdat: ‘daarmee op een globale maar aanvaardbare wijze zou kunnen worden aangesloten bij de rendementen die belastingplichtigen in de praktijk, indien dit over een langere periode wordt bezien, gemiddeld zouden moeten kunnen behalen zonder dat zij daar (veel) risico voor hoeven te nemen. In zoverre kan derhalve niet worden gesteld dat in het concept van de forfaitaire rendementsheffing geen rekening wordt gehouden met de omvang van de werkelijk genoten inkomsten uit vermogen.’ (Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, blz. 263). 2.4.1.2. Van de wetgever mag worden verlangd dat een forfaitair stelsel, waaraan een zekere ruwheid inherent is, zodanig wordt vormgegeven dat daarmee wordt beoogd de werkelijkheid te benaderen (vgl. HR 12 mei 1999, nr. 33320, ECLI:NL:HR:AA2756, BNB 1999/271). Bij de vaststelling van het forfaitaire rendementspercentage op vier percent heeft de wetgever dan ook terecht aansluiting gezocht “bij de rendementen die belastingplichtigen in de praktijk, indien dit over een langere periode wordt bezien, gemiddeld zouden moeten kunnen behalen zonder dat zij daar (veel) risico voor hoeven te nemen”. 2.4.1.3. Voor het forfaitaire stelsel van box 3 kan, gelet op voormelde uitgangspunten, niet worden gezegd dat het elke redelijke grond ontbeert. Gelet op de ruime beoordelingsmarge die de wetgever op het terrein van het belastingrecht toekomt, is dit stelsel niet in strijd met artikel 1 EP. Dit stelsel zou slechts dan in strijd komen met artikel 1 EP indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last (zie HR 3 april 2015, nr. 13/04247, ECLI:NL:HR:2015:812, BNB 2015/174). Indien deze onhaalbaarheid duidelijk zou worden en de wetgever ervoor kiest uit te blijven gaan van een forfaitair rendement, mag van hem worden verlangd dat hij de regeling aanpast teneinde de beoogde benadering van de werkelijkheid te herstellen. 2.5.1. De onderhavige procedure betreft de forfaitaire rendementsheffing voor het jaar 2011. In het zojuist genoemde arrest BNB 2015/174 inzake de heffing van inkomstenbelasting voor het jaar 2010 was niet komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers toen niet meer haalbaar was. Er is geen grond om daarover anders te oordelen voor het onderhavige jaar 2011, ten aanzien van welk jaar in deze procedure niet is komen vast te staan dat de gemiddelde opbrengsten uit sparen en beleggen lager waren dan in 2010. 2.5.2. Anders dan het middel betoogt is voor het aannemen van een inbreuk op artikel 1 EP niet voldoende dat het rendement van een bepaalde bezitting (…) structureel blijft beneden de vier percent van het daarin geïnvesteerde vermogen. (…).” 4.3. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van haar stelling dat onomstotelijk vaststaat dat over een reeks van jaren bezien een rendement van 4% voor een particuliere belegger niet haalbaar is, de volgende gegevens overgelegd: - een door Ortec Finance Research Center (2013) op basis van CBS data opgesteld overzicht “prijsinflatie en spaarrendement”, waaruit volgt dat het spaarrendement in de periode 2003 tot en met 2012 tussen de 1,5 en 2 percent bedraagt, - een door de VEB opgesteld overzicht van een onderzoek (“in een notendop”) naar rendementen voor drie, uit een mix van aandelen, obligaties en spaargeld bestaande, beleggingsprofielen (defensief, neutraal en offensief), in de periode 2001 tot en met 2014. Uit dit overzicht volgt dat in die periode het nominaal rendement bij deze profielen 2,37% (defensief beleggingsprofiel), 2,26% (neutraal beleggingsprofiel) en 2,14% (offensief beleggingsprofiel) bedraagt. Worden deze rendementen gecorrigeerd voor een inflatie van 1,9% en een vermogensrendementsheffing van 1,2% dan bedragen deze percentages achtereenvolgens – 0,8, – 0,9 en – 1,0, - een krantenartikel van 29 april 2015 waarin staat vermeld dat de Nederlandse Staat obligaties met een looptijd van dertig jaar heeft uitgegeven en dat het rendement daarop 0,746% bedraagt, - een door spaarrente.nl opgesteld overzicht van de op 5 november 2016 geldende spaarrentes, en - een overzicht van de historische en gemiddelde inflatie in Nederland over de periode 2006 tot en met 2015. 4.4. Het Hof stelt voorop dat de wetgever met het gekozen forfaitaire rendement van 4% voor ogen had dat een particuliere belegger over een langere periode bezien een dergelijk rendement gemiddeld zou moeten kunnen behalen zonder dat hij daar (veel) risico voor hoeft te nemen. Voor de vraag of de wetgever genoodzaakt was om in te grijpen, wordt naar het oordeel van het Hof dan ook niet bepaald door het gemiddelde rendement van alle beleggingen in box 3 en ook niet door het rendement op spaarrekeningen sec, maar door het gemiddelde rendement over een langere periode van beleggingen waarbij de belastingplichtige niet (veel) risico hoeft te nemen. Naar het oordeel van het Hof zou daarom moeten worden gekeken naar het gemiddelde rendement over een langere periode ten aanzien van een mix van spaarrekeningen, termijndeposito’s en staatsobligaties. 4.5. Indien wordt vastgesteld dat over een langere periode het hiervoor bedoelde rendement niet meer haalbaar is, mag van de wetgever worden verlangd dat hij ingrijpt, in die zin dat de regeling wordt aangepast teneinde de beoogde benadering van de werkelijkheid te herstellen. Doet de wetgever dat niet, dan kan de vermogensrendementsheffing in strijd komen met het eigendomsrecht van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. De niet-haalbaarheid van een rendement van 4% kan pas worden vastgesteld, indien over een reeks van jaren belastingplichtigen niet meer in staat zijn om voormeld gemiddelde rendement te behalen. Het Hof is daarbij van oordeel dat de wetgever enige tijd moet worden gegund om de wettelijke regeling aan te passen, mede in het licht van de maatschappelijke en politieke discussie over de gewenste aanpassing in het wettelijke systeem. 4.6. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende met vorenbedoelde overzichten aannemelijk heeft gemaakt dat een particuliere belegger over een reeks van jaren bezien op spaargeld geen rendement van 4% heeft kunnen behalen. Zoals hiervoor is aangegeven is het rendement op spaargeld sec, niet de juiste beoordelingsmaatstaf voor de beantwoording van de vraag of de vermogensrendementsheffing in strijd met het eigendomsrecht van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM komt. Een deel van de door belanghebbende overgelegde cijfers heeft betrekking op de jaren na 2013. Onvoldoende gegevens zijn voorhanden omtrent de ontwikkeling van het rendement op termijndeposito’s en staatsobligaties gedurende een reeks van jaren. Wel kan uit de parlementaire stukken van de Wet van 23 december 2015 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2016), Stb. 2015, 538), worden afgeleid dat rendement op 10-jarige staatsobligaties na 2008 daalde beneden de 4%, naar 1,45% in 2014, maar dat het CBS op langere termijn een terugkeer naar 4% voorspelde. Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat in 2013 een particuliere belegger over een reeks van jaren bezien geen gemiddeld rendement van 4%, bij een niet al te groot risicoprofiel, heeft kunnen behalen. De omstandigheid dat de wetgever per 1 januari 2017 in artikel 5.2 van de Wet IB 2001 zogenoemde rendementsklassen heeft ingevoerd (Wet van 23 december 2015 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2016), Stb. 2015, 538), met welke klassen tot op zekere hoogte een onderscheid wordt gemaakt tussen rendement op spaargeld en rendement op overige bezittingen, geeft geen aanleiding dit onderscheid, in afwijking van het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2016, al voor het jaar 2013 te maken. Voorts doet aan het vorenstaande niet af dat in de vermogensrendementsheffing geen tegenbewijsregeling is opgenomen. Gelet op dit alles heeft het Hof geen reden om voor het onderhavige jaar 2013 anders te oordelen dan de Hoge Raad voor het jaar 2011 heeft gedaan in zijn arrest van 10 juni 2016. Van strijdigheid van de vermogensrendementsheffing met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM is geen sprake. 4.7. Ten overvloede merkt het Hof nog op dat in de situatie van belanghebbende in ieder geval geen sprake is van een buitensporig zware last. Zoals belanghebbende in haar beroepschrift heeft opgemerkt, heeft zij een werkelijk rendement behaald van € 26.626, terwijl de verschuldigde inkomstenbelasting terzake € 13.093 bedraagt. Slotsom 4.8. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd. Ten aanzien van het griffierecht 4.9. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt. Ten aanzien van de proceskosten 4.10. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. 5Beslissing Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond, en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank Aldus gedaan op 2 juni 2017 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, P.A.G.M. Cools en A.O. Lubbers, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden. Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; een dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Let op: de Hoge Raad beoordeelt alleen of rechtsregels goed zijn uitgelegd en toegepast en of procedurevoorschriften zijn nageleefd. De Hoge Raad gaat uit van de feiten zoals die door de eerdere rechter zijn vastgesteld; hij stelt deze dus niet opnieuw vast. Wanneer een zaak zich niet leent voor cassatie kan de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaren of verwerpen zonder die beslissing te motiveren. Nadere informatie over het beroep in cassatie vindt u op de website van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, meervoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummers BRE 17/4811, 17/4812 en 17/4814 uitspraak van 10 januari 2018 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] , wonende te [plaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de inhouding van loonheffing over zijn genoten loon in de maanden januari 2017, februari 2017 en maart 2017. 1.2.

De inspecteur heeft bij, in verschillende geschriften opgenomen, uitspraken op bezwaar van 31 mei 2017 de bezwaren van belanghebbende afgewezen. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 28 juni 2017, ontvangen bij de rechtbank op 30 juni 2017, beroep ingesteld. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende eenmaal griffierecht geheven van € 46. 1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft vóór de zitting een pleitnota ingediend en de inspecteur een nader stuk. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2017 te Breda.

Voor de aldaar verschenen personen en het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting waarvan een afschrift gelijktijdig met het afschrift van deze uitspraak aan partijen zal worden toegezonden. 2Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast: 2.1. Belanghebbende is in dienstbetrekking werkzaam bij [de werkgever] (hierna: de werkgever). De werkgever heeft vanaf juli 2016 aan belanghebbende een personenauto met een (catalogus)waarde van € 28.524 (hierna: de auto) ter beschikking gesteld. 2.2.

Belanghebbende heeft in onderhavige tijdvakken de auto voor privédoeleinden ter beschikking gehad. De werkgever heeft ter zake hiervan bij de inhouding van loonheffing, per tijdvak, het voordeel gesteld op één twaalfde deel van 25% van de waarde van de auto. 3Geschil 3.1. In geschil is of het hanteren van een bijtellingspercentage van 25%: in strijd is met het gelijkheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM. inbreuk maakt op het ongestoord genot van eigendom als bedoeld in artikel 1, van het Eerste Protocol, bij het EVRM.

Belanghebbende beantwoordt beide vragen bevestigend, de inspecteur ontkennend. Niet in geschil is dat het in aanmerking genomen voordeel ter zake van het privégebruik van de auto in overeenstemming is met de wetgeving. 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting. 3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de over ieder tijdvak ingehouden loonheffing met € 29.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4Beoordeling van het geschil

Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) 4.1. Met ingang van 1 januari 2017 wordt op grond van artikel 13bis, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet LB indien ook voor privédoeleinden een auto ter beschikking is gesteld het voordeel op kalenderjaarbasis gesteld op ten minste 22% van de waarde van de auto indien de auto niet meer dan 15 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen. Voor het jaar 2016 was voormeld percentage gesteld op 25%. Tegelijk is op 1 januari 2017 een overgangsregeling in werking getreden die meebrengt dat, in afwijking van voormelde regel, voor een auto met een datum van eerste toelating (hierna:

DET) van uiterlijk 31 december 2016 als voordeel op kalenderjaarbasis ten minste 25% van de waarde van de auto in aanmerking wordt genomen (artikel 36c, eerste lid, van de Wet LB) (hierna: de overgangsregeling). Artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM 4.2. Belanghebbende heeft – kort zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd voor zijn standpunt dat de overgangsregeling in strijd is met het discriminatieverbod. Een werknemer aan wie een auto met een DET in 2017 voor privédoeleinden ter beschikking wordt gesteld, betaalt minder belasting dan hij.

Bij de invoering van de overgangsregeling lijkt de wetgever ervan uit te gaan dat aan het algemene forfait een milieudoelstelling ten grondslag is gelegen en dat de overgangsregeling kennelijk is ingevoerd om een complexe overgangsregeling, die benodigd zou zijn geweest bij een geleidelijke aanpassing van algemene bijtellingspercentage, te vermijden. Een onderscheid in het algemene percentage moet haar rechtvaardiging vinden in een criterium dat relevant is voor het privégebruik. Zowel de milieuoverwegingen als het vermijden van een complexe overgangsregeling zijn dat niet en leveren daarom geen rechtvaardigingsgrond op voor (het onderscheid dat wordt veroorzaakt door) de overgangsregeling.

Daarmee is sprake van verboden ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om prejudiciële vragen stellen aan de Hoge Raad. 4.3. De rechtbank stelt voorop dat artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM, alsmede artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM, niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling ontbreekt. Daarbij verdient opmerking dat op fiscaal gebied aan de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van de bedoelde verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen.

Indien het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij het van redelijke grond ontbloot is. Dit laatste kan niet snel worden aangenomen. Het onderscheid moet van dien aard zijn dat de keuze van de wetgever evident van redelijke grond ontbloot is (vgl. Hoge Raad 22 november 2013, nr. 13/01154, ECLI:NL:HR:2013:1206). 4.4. De in 4.1 vermelde verlaging van het algemene bijtellingspercentage voor het autokostenforfait van 25 naar 22 percent en de overgangsregeling zijn neergelegd in Wet uitwerking Autobrief II (Stb. 2016, 275).

In de memorie van toelichting op het wetsvoorstel dat tot deze wet heeft geleid (Kamerstukken II 2015/2016, 34 391, nr. 3, p. 18-19), is ter zake het volgende opgemerkt: “5. Maatregelen bijtelling loon- en inkomstenbelasting (…) Algemeen bijtellingspercentage Het algemene bijtellingspercentage is het resultaat van een benadering van de gemiddelde waarde van het voordeel van het privégebruik voor de volledige populatie zakelijke auto’s. Door de toepassing van het forfaitaire en daardoor grofmazige bijtellingspercentage op iedere auto uit die populatie bestaat een relatief eenvoudig en uitvoerbaar systeem om de waarde van het voordeel van het privégebruik van de auto van de zaak vast te stellen.

Inherent aan de keuze voor dit grofmazige systeem is dat op individueel niveau de berekende waarde van het voordeel van het privégebruik vaak niet gelijk zal zijn aan de werkelijke waarde daarvan. Diverse factoren aangaande het privégebruik en de kosten van auto’s van de zaak zijn van invloed op de benadering van de gemiddelde waarde van het voordeel van het privégebruik. Het voordeel wordt op forfaitaire wijze benaderd met het algemene bijtellingspercentage. De afgelopen jaren hebben zich bij een aantal van deze factoren ontwikkelingen voorgedaan die aanleiding zijn om dit bijtellingspercentage bij te stellen.

De meest in het oog springende ontwikkeling is dat het brandstofgebruik van nieuwe auto’s ten opzichte van oudere jaargangen flink daalt, hetgeen uiteraard gevolgen heeft voor de kosten. Daarnaast worden in toenemende mate beperkingen gesteld aan het privégebruik van de auto van de zaak, bijvoorbeeld voor vakanties in het buitenland. Gelet op deze significante (meer structurele) trends ligt het in de rede om hier vanaf enig moment consequenties aan te verbinden voor het bijtellingspercentage. Het jaar 2017 is in het kader van de herziening van de wetgeving naar aanleiding van Autobrief II daarvoor een logisch aangrijpingspunt.

Het algemene bijtellingspercentage van 25 wordt met ingang van 1 januari 2017 voor nieuwe auto’s verlaagd tot 22. Een nieuwe auto wordt wetstechnisch gedefinieerd als een auto met een DET van na 31 december 2016. Hiermee wordt voorkomen dat een auto die al vóór 2017 in het buitenland in gebruik is genomen, wel zou kwalificeren voor de 22%-bijtelling en een auto die al vóór 2017 te naam is gesteld in het (Nederlandse) kentekenregister niet. Voor auto’s van vóór 2017 blijft op grond van dit wetsvoorstel een bijtellingspercentage van 25 gelden.

Gelet op de genoemde (geleidelijke) trends had ook gekozen kunnen worden voor een geleidelijke aanpassing van het algemene bijtellingspercentage. Dit zou de regeling echter aanzienlijk complexer maken, met grotere uitvoeringslasten, administratieve lasten en kans op fouten tot gevolg. Bovendien zijn de gebruikers van auto’s van vóór 2017 er bij de keuze voor de auto ook van uitgegaan dat gedurende de gehele gebruiksduur een percentage van 25 zou gelden. Voor deze automobilist wordt geen wijziging gebracht in de hoogte van de bijtelling.” 4.5.

Met betrekking tot de verlaging van het algemene bijtellingspercentage en de overgangsregeling is in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2015/2016, 34 391, nr. 7 p. 34-36) het volgende voor zover van belang opgemerkt: “5. Maatregelen bijtelling loon- en inkomstenbelasting (…) De leden van de fractie van de SP vragen waarom het algemene bijtellingspercentage wordt verlaagd naar 22%. De leden van de fractie van de ChristenUnie geven aan niet te begrijpen waarom het kabinet kiest om het algemene bijtellingspercentage in 2017 te verlagen van 25% naar 22%.

De verlaging is, omdat het forfait een redelijke benadering moet zijn van het genoten voordeel van het voor privégebruik ter beschikking hebben van de auto van de zaak, een reactie op geconstateerde meer structurele ontwikkelingen en trends die leiden tot een daling van de kosten. Het gaat dan met name om het dalende brandstofverbruik van nieuwe auto’s ten opzichte van oudere jaargangen en om het in toenemende mate stellen van beperkingen aan het privégebruik van de auto van de zaak. Daarnaast voeren werkgevers meer dan voorheen beleid op grond waarvan werknemers alleen nog uit zuinige leaseauto’s mogen kiezen, hetgeen de samenstelling van de populatie zakelijke leaseauto’s beïnvloedt. (…) De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de uitvoerbaarheid en rechtvaardigheid van het overgangsrecht in de bijtelling LB/IB.

Tussen beide doelen bestaat enige spanning. Vanuit de uitvoerbaarheid bezien is het wenselijk dat overgangsrecht tot een minimum wordt beperkt. Het overgangsrecht in de bijtelling LB/IB is bovendien complex en kan daardoor tot fouten leiden. Zoals in de uitvoeringstoets van de Belastingdienst is weergegeven, zal de Belastingdienst daarom onderzoeken hoe door het verstrekken van gegevens met betrekking tot het voertuig aan ondernemers, resultaatgenieters en werkgevers de kans op fouten kan worden verkleind. Omdat de bijtelling via de aangifte loon- en inkomstenbelasting verloopt, leidt het overgangsrecht met name tot uitvoeringsproblemen bij de controle en handhaving en niet zozeer in de systemen van de Belastingdienst.

In het onderhavige wetsvoorstel wordt het overgangsrecht op de korte termijn complexer, omdat het overgangsrecht voor oude gevallen wordt aangepast (ingeperkt) en het voordeel voor zeer zuinige auto’s geleidelijk wordt afgebouwd. Hierdoor neemt het aantal verschillende bijtellingspercentages (als gevolg van de toepassing van de milieugerelateerde kortingen) dat in de praktijk voorkomt en daarmee de complexiteit de komende jaren toe. Door het op termijn beperken van het aantal verschillende bijtellingspercentages tot twee en het per 2017 beperken van het overgangsrecht tot één periode van 60 maanden, wordt het overgangsrecht en daarmee de uitvoerbaarheid op de lange termijn echter veel eenvoudiger.” 4.6.1.

De rechtbank stelt het volgende voorop. Anders dan waarvan belanghebbende, maar ook de inspecteur, uitgaat, is de verlaging van het algemene bijtellingspercentage niet gegrond op milieudoelstellingen als zodanig. Dit betekent ook dat – anders dan waarvan belanghebbende uitgaat – het door de overgangsregeling veroorzaakte bestreden onderscheid niet terug te voeren is op milieudoelstellingen als zodanig. De rechtbank motiveert dit als volgt. Uit de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis blijkt het volgende. Het algemene bijtellingspercentage is een grofmazige manier om op forfaitaire wijze het voordeel te bepalen dat een werknemer heeft van het ook voor privédoeleinden ter beschikking gesteld krijgen door de werkgever van een auto.

De wetgever heeft bij een aantal factoren die relevant zijn voor de bepaling van het algemene bijtellingspercentage ontwikkelingen gezien die aanleiding zijn om het algemene bijtellingspercentage te verlagen. Daarbij zijn de volgende ontwikkelingen genoemd: (i) het brandstofverbruik van nieuwe auto’s ten opzichte van oudere jaargangen daalt flink; (ii) werkgevers stellen in toenemende mate beperkingen aan het privégebruik van de auto van de zaak; (iii) werkgevers voeren meer dan voorheen beleid op grond waarvan werknemers alleen nog uit zuinige auto’s mogen kiezen, hetgeen de samenstelling van de populatie zakelijke leaseauto’s beïnvloedt.

Al deze ontwikkelingen zijn weliswaar milieugerelateerd, maar de wetgever heeft dát als zodanig niet aangevoerd voor de verlaging. De wetgever heeft juist een koppeling gelegd met het voordeel van werknemers (dat door middel van het bijtellingspercentage wordt gepoogd grofmazig te worden benaderd). De wetgever heeft er immers op gewezen dat het lagere brandstofverbruik leidt tot een daling van de kosten. Indien de kosten dalen, is het (kosten)voordeel ook lager, zo begrijpt de rechtbank. En als een werkgever beperkingen stelt aan het privégebruik, is het voordeel van het ter beschikking hebben van een auto voor privégebruik ook lager dan zonder beperking, zo begrijpt de rechtbank. 4.6.2.

De hiervoor genoemde ontwikkelingen zijn voor de wetgever de aanleiding geweest om het algemene bijtellingspercentage naar beneden bij te stellen. Volgens de wetgever was het jaar 2017 een logisch aangrijpingspunt in het kader van de herziening van de wetgeving naar aanleiding van Autobrief II. Daarom is besloten om met ingang van 1 januari 2017 het algemene bijtellingspercentage naar 22 te verlagen. De wetgever heeft ervoor gekozen om dat lagere bijtellingspercentage alleen van toepassing te laten zijn voor kort gezegd “nieuwe auto’s”. Ter afbakening hiervan heeft de wetgever gekozen voor auto’s met een DET van na 31 december 2016.

Al deze door de wetgever gemaakte keuzes vallen naar het oordeel van de rechtbank binnen de voor de wetgever geldende ruime beoordelingsvrijheid (in gelijke zin o.a. rechtbank Den Haag 5 september 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:10573). Gegeven de redengeving voor de verlaging van het algemene bijtellingspercentage, kan niet geoordeeld worden dat de keuzes evident van redelijke grond ontbloot zijn of dat de veronderstellingen waarop de wetgever zijn keuzes heeft gebaseerd, evident onredelijk zijn. Dat de wetgever ook een andere keuze had kunnen maken, doet daaraan niet af.

Daarbij verdient opmerking dat het alternatief van een stapsgewijze verlaging onder ogen is gezien, maar daarvoor niet gekozen is op grond van redenen die niet van redelijke grond zijn ontbloot. Dat de overgangsregeling ruw kan uitpakken in concrete situaties, is evenmin aanleiding voor een ander oordeel. Derhalve faalt het beroep van belanghebbende op schending van het discriminatieverbod. In het midden kan daarom blijven of de bestreden onderscheidingsgrond überhaupt wel onder het toepassingsbereik van artikel 26 IVBPR valt (vgl. VN-Mensenrechtencomité 25 juli 2005, nr. 1192/2003 (De Vos), BNB 2005/349).

Artikel 1 EP 4.7.1. Middels het bijtellingspercentage wordt het autokostenforfait bepaald. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2 juni 2017, nr. 16/04765, ECLI:NL:HR:2017:964, BNB 2017/187, onder meer geoordeeld dat gelet op de ruime beoordelingsmarge die de wetgever op het terrein van het belastingrecht toekomt, het autokostenforfait op het niveau van de regelgeving niet in strijd met artikel 1 EP. De stelling van belanghebbende dat heffing op basis van de overgangsregeling naar een bijtellingspercentage van 25% in plaats van 22% geen legitiem doel dient, althans op wetgevingsniveau disproportioneel is, is in de kern gestoeld op argumenten die hij ook heeft aangevoerd voor zijn stelling dat het discriminatieverbod is geschonden.

Deze argumenten zijn hiervoor (zie 4.6) al verworpen. 4.7.2. Verder heeft belanghebbende aangevoerd dat in zijn geval sprake is van een individuele en buitensporige last. Van een individuele en buitensporige last kan alleen sprake zijn indien en voor zover de last zich in belanghebbendes geval sterker laat voelen dan in het algemeen. Dat kan zich in een geval als dat van belanghebbende alleen voordoen als bijzondere, niet voor alle met de overgangsregeling geconfronteerde belastingplichtigen geldende, feiten en omstandigheden een buitensporige last voor hem teweegbrengen (vgl. gerechtshof ’s-Hertogenbosch 2 juli 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:2511 en HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:964, BNB 2017/187).

Bij de beoordeling zijn alle relevante feiten en omstandigheden van belang. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende niet in de bewijslast geslaagd. Het door belanghebbende gestelde dat hij door de overgangsregeling meer belasting betaalt ten opzichte van andere belastingplichtigen met een auto waarvan de DET in 2017 is, geldt evenzeer voor andere belastingplichtigen met een auto waarvan de DET vóór 1 januari 2017 is. Ook de hoogte van de betrokken bedragen kan op zichzelf gezien en gelet op het voorgaande niet tot de conclusie leiden dat sprake is van een individuele en buitensporige last. 4.7.3.

De rechtbank verwerpt daarom ook de stelling dat het eigendomsrecht is geschonden. 4.8. Gelet op het vorenstaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard. Prejudiciële vragen 4.9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is er naar het oordeel van de rechtbank geen onduidelijkheid die reden geeft tot het stellen van prejudiciële vragen. 5Proceskosten De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. 6Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 10 januari 2018 door mr. W.A.P. van Roij, voorzitter, mr.

C.A.F.M. Stassen en mr. M.R.T. Pauwels, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier. De griffier, De voorzitter, Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Hoger beroep Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; een dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; e gronden van het hoger beroep. Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht. Sprongcassatie Tegen deze uitspraak kan belanghebbende onder de voorwaarde van schriftelijke instemming van de staatssecretaris van Financiën binnen zes weken na de verzenddatum beroep in sprongcassatie (ingevolge artikel 28, derde lid, van de AWR) instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; een dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in sprongcassatie is ingesteld; e gronden van het beroep in sprongcassatie. Ook voor het instellen van beroep in sprongcassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in sprongcassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het sprongcassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Let op: de Hoge Raad beoordeelt alleen of rechtsregels goed zijn uitgelegd en toegepast en of procedurevoorschriften zijn nageleefd. De Hoge Raad gaat uit van de feiten zoals die door de eerdere rechter zijn vastgesteld; hij stelt deze dus niet opnieuw vast. Wanneer een zaak zich niet leent voor cassatie kan de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaren of verwerpen zonder die beslissing te motiveren. Nadere informatie over het beroep in cassatie vindt u op de website van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.