Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2018:1329 ECLI:NL:RBZWB:2018:1329 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2018:1329 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2018:1329
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, meervoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummers BRE 16/4945 tot en met 16/4948 uitspraak van 22 februari 2018 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [A] en [B], wonende te [woonplaats] , belanghebbenden, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbenden over de jaren 2012 en 2013 de volgende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna:

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:51a van de Awb, artikel 8:42 van de Awb, artikel 7:4 van de Awb, artikel 6:22 van de Awb, art. 8:55d van de Awb; ECLI:NL:RBZWB:2018:1329 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Schending van artikel 8:42 van de Awb? 4.1. Ter zitting heeft [B] verklaard dat de rechtbank, indien de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van de navorderingsaanslagen toekomt, kan beslissen op grond van de aan de rechtbank overgelegde stukken. De rechtbank begrijpt hieruit dat de eerder ingenomen stelling met betrekking tot artikel 8:42 van de Awb geen behandeling behoeft. Schending van artikel 7:4 van de Awb? 4.2. Met betrekking tot het beroep op schending van artikel 7:4 van de Awb heeft [B] ter zitting verklaard dat belanghebbenden daarover enkel een beslissing van de rechtbank willen ontvangen, indien vernietiging van de uitspraken op bezwaar op die grond zou betekenen dat zij de in 1.5 genoemde dwangsommen verbeuren. 4.3.

Keywords

AI generated
corporate profit tax trade tax adjustment adjustment of deductions corporate taxation in double taxation corporate restructuring for tax purposes transfer pricing adjustment

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:51a van de Awb
De rechtbank heeft vervolgens de zogenoemde bestuurlijke lus in de zin van artikel 8:51a van de Awb toegepast.
artikel 8:42 van de Awb
Schending van artikel 8:42 van de Awb? 4.1.
artikel 7:4 van de Awb
Schending van artikel 7:4 van de Awb? 4.2.
artikel 6:22 van de Awb
In de tussenuitspraken van 20 september 2017 is geoordeeld dat sprake is van schending van de hoorplicht en de motiveringsplicht en dat daaraan niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt voorbijgegaan.
art. 8:55d van de Awb
De rechtbank heeft evenwel als bestuursrechter geen bevoegdheid om een partij - in dit geval de inspecteur - te veroordelen tot betaling van door de rechtbank aan haar uitspraken verbonden nadere dwangsommen als bedoeld in art. 8:55d van de Awb.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHDHA:2017:3662
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-17/00484 Uitspraak van 12 december 2017 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst Rijnmond, kantoor Rotterdam, de Inspecteur, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 20 maart 2017, nummer SGR 16/8447, betreffende na te vermelden aanslag. Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg 1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 7 juni 2016 een aanslag erfbelasting opgelegd. 1.2.
ECLI:NL:HR:2015:3467
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat het door de douaneautoriteiten op basis van de nationale procesregels geleverde bewijs van de oorsprong van ingevoerde goederen berust op de resultaten van onderzoek door een derde waarover die derde geen opening van zaken wil geven, noch aan de douaneautoriteiten noch aan de aangever, waardoor de verificatie of de weerlegging van de juistheid van de gebruikte conclusie wordt bemoeilijkt of onmogelijk wordt gemaakt, mits het doeltreffendheidsbeginsel en het gelijkwaardigheidsbeginsel worden geëerbiedigd. Het staat aan de nationale rechterlijke instantie om te onderzoeken of dit in het hoofdgeding het geval is geweest.
ECLI:NL:HR:1992:ZC5146
Een schending van dat beginsel kan echter enkel leiden tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en niet tot vernietiging van de navorderingsaanslagen (zie voor dit laatste HR 28 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5146, BNB 1993/36).
ECLI:NL:HR:1983:AW8960
9 maart 1983.nr. 21.163DG. De Hoge Raad der Nederlanden, Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 31 augustus 1981 betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het het jaar 1974;Gezien de conclusie van de Advocaat-Generaal Van Soest van 19 oktober 1982 strekkende tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van het geding naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing;Gezien de stukken; Overwegende dat belanghebbende, aan wie voor het jaar 1974 een aanslag in de inkomstenbelasting is opgelegd welke aanslag op een daartegen gemaakt bezwaarschrift bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 239.962,--, van die uitspraak in beroep is gekomen bij het Hof; Overwegende dat het Hof als vaststaande heeft aangemerkt: "Belanghebbende, die is geboren in 1933, oefent te [Z] het vrij beroep van oogarts uit. Te zijnen laste kwamen in het jaar 1974 twee kinderen, welke in dat jaar achtereenvolgens 13 en 12 jaar oud waren. Belanghebbende rekende blijkens zijn aangifte voor de inkomstenbelasting over het jaar 1974, per 31 december 1974 tot zijn bedrijfsvermogen een vliegtuig (een Cessna F 177 RC), (hierna te noemen: het vliegtuig), waarvan de aanschaffingsprijs in oktober 1974 bedroeg ƒ 130.000,--. Voordien bezat hij een tot zijn privé-vermogen behorend vliegtuig, dat hij in oktober 1974 heeft vervreemd. De uit het bezit en het gebruik van deze vliegtuigen voortvloeiende kosten beliepen in 1974 een bedrag van ƒ 17.094,97, waarvan een bedrag van ƒ 8.625,-- betrekking heeft op afschrijvingskosten. Belanghebbende heeft van het hiervoor genoemde bedrag van ƒ 17.094,97 een gedeelte ten bedrage van ƒ 12.619,73 als beroepskosten ten laste van zijn winst over 1974 gebracht. Belanghebbende heeft in het jaar 1974 met de achtereenvolgens in zijn bezit zijnde vliegtuigen de volgende vluchten gemaakt: 12 januari local flight Training 13 januari Maastricht Zuidelijk oogheelkundig gezelschap 28 januari Seppe Proefvlucht 10 februari Leliestad Proefvlucht 16 februari Middenzeeland Gastmedicus uit India 24 februari Hilversum Proefvlucht 2 maart Bremen Universiteit 9 maart Bremen Universiteit 23 maart local flight Proefvlucht 24 maart Bremen Universiteit 30 maart Ashford Bespreking contactlenzen 20 april Luxemburg Belgisch oogheelkundig gezelschap 25 april Maastricht Oogheelkundige bespreking 28 april Kopenhagen Oogheelkundigebijeenkomst 19 mei Borkum Proefvlucht 23 mei local flight 25 mei Luxemburg Belgisch oogheelkundig gezelschap 8 juni Bremen Universiteit 5 oktober local flight Instructie en check out 6 oktober local flight Instructie en check out 12 oktober Antwerpen Belgisch oogheelkundig gezelschap 19 oktober Münster Universiteit 26 oktober local flight Training 30 oktober Londen Congres 24 november Antwerpen Universiteit 21 december Bremen Universiteit. De met deze vluchten gemaakte vlieguren kunnen als volgt worden samengevat: Oogheelkundige bijeenkomsten in Maastricht, Luxemburg, Kopenhagen en Antwerpen 17.30 uren Proefvluchten en training 10.25 uren Vluchten met collega's 2.05 uren Congres Londen 4.20 uren Universiteit Bremen, bijwonen operaties (studie) 11.20 uren Besprekingen contactlenzen Ashford 3.30 uren Bezoek universiteit Antwerpen en Münster 2.40 uren -------------- Totaal gevlogen uren in 1974 51.50 uren. Op verzoek van belanghebbende heeft Air Service Holland B.V. op 14 mei 1980 de volgende inlichtingen gegeven: ""In aansluiting op ons gesprek doen wij u onze documentatie toekomen. Zoals in onze documentatie omschreven moet een huurder minimaal 3 uur per dag afnemen. In principe verhuren wij geen vliegtuig, dat meerdere dagen op een vreemd vliegveld blijft staan. De inzetbaarheid van een commerciële vlieger is maar beperkt mogelijk, omdat er maar een beperkt aantal vliegers zijn met de benodigde type aantekeningen op hun vliegbrevet. Vertrouwende u met deze gegevens van dienst te zijn geweest, verblijven wij met vriendelijke groeten,""· Van het hiervoor genoemde bedrag van ƒ 12.619,73 heeft de inspecteur bij de voormelde uitspraak een gedeelte groot ƒ 6.306,-- niet als beroepskosten aanvaard en met dit bedrag de aangegeven winst en het aangegeven inkomen verhoogd. De inspecteur heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat belanghebbende het vliegtuig niet tot zijn bedrijfsvermogen mocht rekenen en dat de vervoerskosten naar de hiervoor genoemde plaatsen waarheen belanghebbende zich per eigen vliegtuig had begeven, aftrekbaar waren op basis van de kosten van openbaar vervoer (lijnvluchten)."; Overwegende dat het Hof het geschil als volgt heeft omschreven: "dat het geschil de volgende vragen betreft: a. heeft belanghebbende het vliegtuig terecht tot zijn bedrijfsvermogen gerekend en dienden in verband hiermee de kosten voortvloeiend uit bezit en zakelijk gebruik van het vliegtuig tot zijn beroepskosten gerekend te worden en bestond voorts voor hem - belanghebbende - recht op investeringsaftrek ter zake van de aanschaf van het vliegtuig in 1974; b. hoeveel bedroegen, ingeval het vliegtuig niet tot belanghebbendes beroepsvermogen behoorde, de op het beroepsresultaat drukkende kosten, voortvloeiend uit de door belanghebbende hierboven genoemde reizen, niet zijnde proef- en trainingsvluchten en vluchten met collega's;"; Overwegende dat het Hof de standpunten van partijen als volgt heeft weergegeven: "dat belanghebbende de eerste vraag bevestigend beantwoordt en het in de tweede vraag bedoelde bedrag berekent op ƒ 35.795,62, daartoe het volgende aanvoerend: ad a. Primair. Het vliegtuig van belanghebbende moet tot diens beroepsvermogen gerekend worden omdat er een rechtstreeks verband bestaat tussen het vliegtuig en het beroep van belanghebbende. Alle met het vliegtuig verband houdende kosten – waaronder afschrijvingen - moeten ten laste van de winst uit het zelfstandig uitgeoefende beroep van belanghebbende komen. De door belanghebbende aan het vliegtuig gegeven bestemming en het gebruik dat hij daarvan maakt, brengen met zich dat het vliegtuig niet anders dan als deel van het beroepsvermogen van belanghebbende kan worden aangemerkt. Belanghebbende heeft het vliegtuig aangeschaft ten einde daardoor beter in staat te zijn congressen en symposia bij te wonen en te kunnen assisteren bij operaties waarbij geavanceerde technieken worden toegepast. Aan de hand van het logboek kan vastgesteld worden dat het vliegtuig vrijwel uitsluitend hiervoor wordt gebruikt. Hieruit vloeit voort dat al deze met de beroepsuitoefening van belanghebbende verband houdende kosten van het vliegtuig - waaronder afschrijvingen - ten laste van de winst uit het zelfstandig uitgeoefende beroep van belanghebbende moeten komen; het komt de inspecteur niet toe in bepaalde gevallen hiervoor fictieve kosten in de plaats te stellen en in andere gevallen kosten buiten aanmerking te laten. Belanghebbende kan het vliegtuig in redelijkheid tot zijn beroepsvermogen rekenen. Alle met het vliegtuig verband houdende kosten – waaronder afschrijvingen - moeten ten laste van de winst uit het zelfstandig uitgeoefende beroep van belanghebbende komen. Het komt de inspecteur niet toe te treden in de beoordeling van het beleid van belanghebbende als beroepsbeoefenaar.Het al of niet behoren van het vliegtuig tot het beroepsvermogen van belanghebbende is afhankelijk van diens wil zoals deze uit zijn gedragslijn in zijn verhouding tot de fiscus tot uitdrukking komt, indien althans belanghebbende daarbij blijft binnen de grenzen der redelijkheid. Belanghebbende heeft altijd tegenover de fiscus duidelijk tot uitdrukking gebracht dat hij het vliegtuig tot zijn beroepsvermogen rekent. Indien een rechtstreekse band tussen het vliegtuig en de beroepsuitoefening van belanghebbende zou ontbreken hangt het van de omstandigheden af of het vliegtuig al of niet tot het beroepsvermogen van belanghebbende gerekend kan worden. Hierbij is van belang of het vliegtuig op enigerlei wijze dienstbaar is aan de beroepsuitoefening van belanghebbende dan wel of het vliegtuig tot deze dienstbaarheid bestemd is. Belanghebbende oefent een oogartsenpraktijk uit met patiënten uit binnen- en buitenland. Zijn bruto-honorarium per jaar is tweemaal zo hoog als het landelijk gemiddelde, dankzij zijn optimale organisatie en zeer intensieve persoonlijke inzet. Hij behoort tot de groep oogartsen in Nederland (ongeveer 50% van het totaal) die zelf opereert. Ingevolge de voor het [A] - en het [B] te [Z] geldende specialistenregeling is hij verplicht te allen tijde beschikbaar te zijn dan wel - zo hij niet zelf beschikbaar kan zijn - te zorgen voor een waarnemer. Het vinden van een waarnemer, die eveneens specialist moet zijn, is een vrijwel onmogelijke opgave. Deze beschikbaarheid is in het bijzonder vereist waar het betreft operatiepatiënten; er kunnen zich complicaties voordoen die het ingrijpen van de behandelende oogarts-chirurg vereisen. Overigens is belanghebbende van mening dat de relatie arts-patiënt zelf reeds medebrengt dat hij voortdurend voor zijn patiënten beschikbaar is. Er is sprake van voldoende beschikbaarheid wanneer belanghebbende binnen 24 uren na het constateren van de complicatie of anderszins ter plaatse kan zijn om zonodig handelend op te treden. Een jaar tevoren geeft belanghebbende aan het ziekenhuis op in welke perioden hij dat jaar niet beschikbaar zal zijn (bij voorbeeld in verband met vakanties etcetera). Enige tijd voor deze perioden worden door belanghebbende geen operaties meer verricht, dit om het optreden van complicaties tijdens afwezigheid tot een minimum te beperken. Op grond van de door belanghebbende met het ziekenhuis gesloten overeenkomst is het hem toegestaan 15 dagen (inclusief zaterdagen en zondagen) per jaar uit te trekken voor het bijwonen van congressen en dergelijke. Daar belanghebbende van een eigen vliegtuig gebruik maakt en daardoor in staat is steeds binnen 24 uren beschikbaar te zijn, heeft het bestuur van het [A] / [B] belanghebbende toegestaan op een groter aantal dagen dan de overeengekomen 15 dagen congressen en dergelijke bij te wonen. Belanghebbende is zich in 1970 bewust geworden van de mogelijkheden welke een klein vliegtuig ook hem kon bieden. Wat met andere vervoersmogelijkheden niet mogelijk zou zijn dan wel slechts mogelijk zou zijn tegen het brengen van het offer van veel tijdsverlies en daardoor derving van honorarium, is thans voor belanghebbende wel mogelijk en wel in meerdere mate dan de in het verleden met het ziekenhuis gesloten overeenkomst toeliet. Belanghebbende wenst zijn beroepsuitoefening op een vaktechnisch en wetenschappelijk zo hoog mogelijk niveau uit te oefenen. Daarvoor is optimale informatie nodig. Behalve de patiënten zijn met dit streven van belanghebbende ook de co-assistenten gebaat welke door belanghebbende in het ziekenhuis worden opgeleid. Bovendien geldt voor oogartsen nog, dat sinds enige jaren ook opticiëns brilleglazen mogen opmeten, zodat er van deze zijde veel aan gedaan wordt deze werkzaamheden naar zich toe te trekken. Oogartsen kunnen echter - en dit in tegenstelling tot opticiëns - naast het opmeten van de sterkte van brilleglazen ook nog de gezondheid van het oog nazien. Eerst sedert enige jaren is bekend dat het oog belangrijk is voor het ontdekken van andere ziekten en wel al op een moment dat de ziekte zich nog niet heeft geopenbaard aan de patiënt. Te denken valt hierbij aan hart- en vaatziekten, suikerziekte en kanker. Over deze medische doeleinden van de oogheelkunde worden jaarlijks dan ook veel congressen en symposia gehouden. Belanghebbende woont zoveel mogelijk deze congressen en symposia bij omdat hij van zich zelf eist zijn praktijk als oogarts optimaal uit te oefenen; hiervoor is een optimale informatie vereist. Op deze congressen en symposia tracht belanghebbende contacten te leggen met collegae en professoren die bekend zijn om het toepassen van nieuwe technieken ofwel die nieuwe technieken hebben gelanceerd. Middels deze contacten tracht belanghebbende zijn kennis te verrijken en wat nog belangrijker is, hoopt hij uitgenodigd te worden ter assistentie bij operaties. Juist de toepassing van nieuwe operatietechnieken is niet uit de literatuur eigen te maken, maar moet worden meegemaakt om alle details te kunnen waarnemen, welke voor de toepassing van vitaal belang zijn. In publicaties blijven deze details veelal onvermeld. Ten slotte moet men voor een operatie zeker zijn van zich zelf en behoort experimenteren niet tot de mogelijkheden. Dit alles bespaart belanghebbende bijzonder veel tijd bij het doornemen van de literatuur, omdat deze nu globaler kan worden doorgenomen. De bezoeken aan collegae en professoren zijn geheel wederzijds, dat wil zeggen, dat ook door belanghebbende uitnodigingen worden gedaan voor het bijwonen en assisteren bij zijn operaties. Uiteraard zijn dit niet de normale veel voorkomende ingrepen, maar juist die ingewikkelde en geavanceerde operaties, welke zonder steun niet zouden kunnen worden uitgevoerd. Belanghebbende is via het lidmaatschap van het Zwitsers Oogheelkundig Gezelschap door introductie van prof. Huber uit Zürich in aanraking gekomen met prof. Dräger uit Bremen, een van de grootste autoriteiten op oogheelkundig gebied. Hij heeft een aantal nieuwe instrumenten ontwikkeld, bijvoorbeeld een speciale microscoop, een keratoon etcetera. Deze door prof. Dräger ontwikkelde microscoop wordt thans ook in het ziekenhuis in [Z] gebruikt. In Bremen worden voor oogartsen belangrijke bijeenkomsten georganiseerd, welke veelal op zaterdagochtend 9.15 uur aanvangen. Somtijds evenwel is het aanvangstijdstip later bij voorbeeld 11.15 uur. Zo worden er vaste cursusdagen en oogheelkundige nascholingscursussen gehouden en vinden er bijzondere operaties plaats. Deze bijeenkomsten duren meestal enkele uren. Daar bij belanghebbende praktijkuitoefening en wetenschappelijke belangstelling hand in hand gaan, vindt hij het van belang - indien zijn kennis en vaardigheid erdoor kunnen toenemen - deze bijeenkomsten bij te wonen. Indien belanghebbende slechts de beschikking zou hebben over een auto als vervoermiddel zou hij deze zaterdagbijeenkomsten niet hebben kunnen bijwonen. Bedacht dient te worden dat belanghebbende normaliter tot vrijdagavond 20.00 uur praktijk uitoefent. Zoals reeds eerder is betoogd, is het maken van vluchten met lijnvluchten alsmede het reizen per trein voor belanghebbende geen in aanmerking komend alternatief. Zoals uit de in 1974 gemaakte vluchten valt af te leiden, hebben de door belanghebbende in het buitenland bijgewoonde congressen etcetera vrijwel uitsluitend op zaterdagen en zondagen plaatsgevonden. Deze bijeenkomsten vinden normaliter in de weekenden plaats om de praktijkuitoefening van de deelnemers zo ongehinderd mogelijk te kunnen doen zijn. In 1974 is belanghebbende op een uitzondering na op dezelfde dag heen- en teruggereisd. Deze uitzondering heeft betrekking op het door belanghebbende in 1974 in Londen bijgewoonde congres, dat drie dagen duurde. De situatie thans verschilt niet wezenlijk van die in 1974; belanghebbende gebruikt het vliegtuig nog steeds frequent om congressen etcetera te bezoeken. Om een meer optimale beroepsuitoefening mogelijk te maken heeft belanghebbende in 1972 een comfortabele en snelle auto aangeschaft; belanghebbende hoopte dat hierdoor ook de grotere afstanden makkelijker binnen zijn bereik zouden komen. Toch waren aan het gebruik van dit vervoermiddel bezwaren verbonden: - vermoeidheid leidde er toe dat belanghebbende zich dikwijls niet optimaal kon concentreren; - veel tijdsverlies, waardoor geregeld op bepaalde dagen geen praktijk kon worden uitgeoefend, nog toegenomen door de invoering van snelheidsbeperkende maatregelen in 1974; - de mogelijkheid om waarnemers te krijgen, die gedurende twee à drie dagen als stand-by wilden fungeren voor spoedgevallen en ziekenhuispatiënten. Deze problemen konden door belanghebbende goeddeels worden opgelost door gebruik te maken van een klein vliegtuig. De aanschaf van het vliegtuig leidde er onder meer toe dat vrijwel geen spreekuren meer opgeofferd behoefden te worden en ook een beroep op extra-waarnemers buiten het normaal gereglementeerde waarnemingssysteem niet langer noodzakelijk was. Het vliegen biedt belanghebbende dermate grote voordelen dat een andere wijze van vervoer zakelijk gezien minder verantwoord zou zijn. Een andere wijze van vervoer zou immers leiden tot verloop van een deel van de oogartsenpraktijk als gevolg van afwezigheid veroorzaakt door het volgen van een aantal congressen en symposia en het bijwonen van operaties in verband met het streven naar een vaktechnisch optimale beroepsuitoefening; het niet-volgen van deze congressen en symposia en het niet-assisteren bij deze operaties zou op de duur leiden tot een beroepsuitoefening op middelmatig niveau waarmee vooral patiënten niet gediend zijn. Bij het besluit van belanghebbende om een eigen vliegtuig aan te schaffen is mede van belang geweest de mededeling van de K.L.M. dat veel plaatsen niet bereikbaar casu quo niet elke dag bereikbaar zijn, alsmede het feit dat het toen uitsluitend voor de bestemming Londen mogelijk was om 's ochtens vanaf Schiphol te vertrekken en dan toch om ongeveer 09.00 uur in Londen te zijn. De door belanghebbende bijgewoonde operaties zijn dan ook uitsluitend mogelijk geweest dankzij het eigen vliegtuig. Zo ontving belanghebbende op vrijdagavond de mededeling dat hij op zaterdag een zeer geavanceerde operatie kon bijwonen in Bremen; een reis met een lijntoestel zou het bijwonen van deze operatie niet meer mogelijk gemaakt hebben. Het betrof hier een hoornvliestransplantatie. Een dergelijke operatie dient binnen vierentwintig uur te geschieden. Dat het bijwonen van deze operatie vruchten afgeworpen heeft, moge blijken uit het feit dat belanghebbende thans ook in Nederland dezelfde geavanceerde techniek toepast. Ook is het voorgekomen dat belanghebbende 's middags het bericht ontving dat hij de volgende dag een operatie kon bijwonen. Een lijnvlucht zou in dit geval wel mogelijk geweest zijn, maar dit zou tot afzegging van een groot aantal patiënten hebben moeten leiden, die voor de rest van die dag reeds waren afgesproken. Tijdens deze bezoeken aan buitenlandse klinieken heeft belanghebbende zich geheel nieuwe technieken bij glaucoomoperaties eigen gemaakt, welke technieken thans door hem succesvol in Nederland worden toegepast. Uit al deze feiten moge volgen dat de keuze van het vliegtuig als vervoermiddel niet zo evident door persoonlijke motieven bepaald is, dat de zakelijke motieven in het niet verzinken. Tussen de beroepsuitoefening van belanghebbende en het vliegtuig bestaat een voldoende verband op grond waarvan belanghebbende in redelijkheid het vliegtuig tot zijn beroepsvermogen kan rekenen. Alle met het vliegtuig verband houdende kosten – waaronder afschrijvingen - moeten ten bate van de winst uit het zelfstandig uitgeoefende beroep van belanghebbende komen. Het vliegtuig is dan ook een zaak welke voor de optimale vervulling van belanghebbendes oogartsenpraktijk bij hem in gebruik is. Het vliegtuig - in oktober 1974 aangeschaft - moet daarom als bedrijfsmiddel worden aangemerkt. Het is bestemd om hoofdzakelijk voor internationale vluchten te worden gebruikt. Derhalve bestaat voor belanghebbende een recht op investeringsaftrek in 1974 van ƒ 10.400,-- (8% van ƒ 130.000,--), waarvan belanghebbende gebruik wenst te maken. Ad b. Ook indien echter het vliegtuig niet als bedrijfsmiddel aangemerkt zou kunnen worden dan nog dienen alle kosten (inclusief afschrijvingen) ten laste van het resultaat van belanghebbendes beroepsuitoefening te komen. Het stond belanghebbende vrij van deze wijze van vervoer gebruik te maken. De inspecteur vermag niet te treden in een beoordeling van het beleid van belanghebbende als beroepsbeoefenaar, hetgeen de inspecteur doet door fictieve kosten in de plaats te stellen van de werkelijk gemaakte kosten. Alle kosten verband houdende met deze wijze van vervoer dienen in mindering van de winst te komen. Behalve de door de inspecteur als zakelijk erkende vluchten naar het buitenland heeft belanghebbende in 1974 nog een tweetal vluchten gemaakt naar Maastricht ten einde daar bijeenkomsten van het Zuidelijk Oogheelkundig Gezelschap bij te wonen. Voorts heeft belanghebbende dat jaar nog een vlucht met een gastmedicus uit India gemaakt. Belanghebbende is van mening dat de kosten van deze vluchten eveneens ten laste van het resultaat dienen te worden gebracht; de inspecteur houdt met de kosten van deze vluchten geen rekening. Voorts zijn met het vliegtuig in 1974 nog een aantal proef- en trainingsvluchten gemaakt. Aanvankelijk heeft belanghebbende in de veronderstelling verkeerd dat de kosten van deze vluchten niet in mindering op de winst zouden kunnen komen. Deze vluchten echter zijn noodzakelijk om corrosie op delen van de motor en het vliegtuig tegen te gaan. Belanghebbende is daarom thans van mening dat de kosten van deze vluchten ad ƒ 2.705,24 eveneens in mindering op de jaarwinst 1974 dienen te worden gebracht. Een aantal bijeenkomsten zou (althans indien en voor zover de beschikbaarheidseis in de met het [A] / [B] gesloten overeenkomst dit belanghebbende niet reeds zou hebben verhinderd) belanghebbende eveneens hebben kunnen bijwonen wanneer hij met zijn eigen auto zou hebben gereisd. Dan echter zou belanghebbende genoodzaakt zijn reeds in de loop van een normale werkdag (vrijdag) af te reizen om tijdig bij deze bijeenkomsten etcetera aanwezig te kunnen zijn. Dit zou voor belanghebbende leiden tot een belangrijke honorariumderving. Ook de terugreis zou door belanghebbende in een aantal gevallen niet dezelfde dag meer kunnen worden gemaakt, hetgeen tot extra kosten van overnachtingen zou hebben geleid. Rekening houdend met een gemiddelde omzet per gewerkte dag in 1974 berekent hij - belanghebbende - de reiskosten, de extra verblijfkosten en de derving van honorarium op een bedrag van ƒ 35.795,62, als volgt: 1974 Reiskosten Verblijfkosten Honorariaderving Totaal 1 x Maastricht ƒ 94,-- ƒ -,-- ƒ -,-- ƒ 94,-- 5 x Bremen ƒ 3.420,-- ƒ 2.500,-- ƒ 8 .328,70 ƒ 14.278,70 1 x Ashford U.K. ƒ 1.035,-- ƒ 320,-- ƒ 1.671,74 ƒ 3.026,74 2 x Luxemburg ƒ 1.308,-- ƒ 500,-- ƒ 6.686,96 ƒ 8.494,96 1 x Kopenhagen ƒ 1.289,-- ƒ -,-- ƒ -,-- ƒ 1.289,-- 2 x Antwerpen ƒ 946, -- ƒ 500,-- ƒ 3.343,48 ƒ 4.789,48 1 x München ƒ 1.066,-- ƒ 250,-- ƒ 1.671,74 ƒ 2.987,74 1 x Londen ƒ 835 , - - ƒ -,-- ƒ -,-- ƒ 835,-- ----------- ------------- ----------------- ---------------- ƒ 9.993,-- + ƒ 4.080,-- + ƒ 21.732,62 = ƒ 35.795,62 Hij - belanghebbende - wijst erop dat hij in het verleden heeft gekozen voor een eigen vliegtuig en niet voor het huren van een vliegtuig, al dan niet met piloot. Men dient in dat laatste geval een huursom te betalen in de regel gelijk aan de prijs van zeven vlieguren per dag. Uit de door hem overgelegde brief van Air Service Holland B.V. van 14 mei 1980 blijkt dat de inzetbaarheid van vliegtuigen beperkt is, zodat hij zonder eigen vliegtuig er niet altijd zeker van kon zijn zijn bestemming tijdig te bereiken. Hij wijst erop dat wanneer hij de hiervoor genoemde buitenlandse reizen én die naar Maastricht met een gehuurd vliegtuig zou hebben gemaakt, dat een uitgave zou hebben betekend van ƒ 30.800,-- zonder piloot en van ƒ 38.080,-- indien hij een vliegtuig met piloot zou hebben gehuurd; dat de inspecteur de eerste vraag ontkennend beantwoordt en het in de tweede vraag bedoelde bedrag berekent op ƒ 6.104,- zulks in afwijking van de uitspraak, daartoe zakelijk weergegeven, het volgende aanvoerend: Ad a. In de wet worden bedrijfsmiddelen omschreven als zaken, welke voor het drijven van een onderneming worden gebruikt. De vraag, die in het onderhavige geschil beantwoord moet worden, is dus deze: wordt het vliegtuig gebruikt voor het drijven van belanghebbendes onderneming. Voor een bevestigend antwoord op deze vraag zal nodig zijn te onderzoeken of en in hoeverre er een relatie bestaat tussen het vliegtuig en de oogartsenpraktijk. Naar zijn mening bestaat er tussen die twee (vliegtuig en oogartsenpraktijk) geen directe relatie. Weliswaar zal de oogarts, om aan congressen en dergelijke deel te nemen, gebruik (en in casu zelfs veelvuldig gebruik) maken van een vliegtuig. Maar dat brengt die directe relatie nog niet mee. Evenmin als er een direct verband bestaat tussen een trein en een oogartsenpraktijk of tussen een boot en een oogartsenpraktijk.Zijn, des inspecteurs, mening is dat het belanghebbende niet in redelijkheid vrijstond om de beslissing te nemen het vliegtuig tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen, laat staan, dat hij daartoe verplicht was, zoals belanghebbendes primaire stelling luidt. Naar zijn mening overschrijdt belanghebbende de grenzen der redelijkheid door het vliegtuig als een bedrijfsmiddel aan te merken. De vaste en variabele kosten van het vliegtuig kunnen naar zijn - des inspecteurs - mening noch geheel noch ten dele worden aangemerkt als kosten voortvloeiend uit belanghebbendes beroepsuitoefening. Voor het verlenen van investeringsaftrek is onder deze omstandigheid geen reden. Overigens betreft het hier niet een vliegtuig dat hoofdzakelijk bestemd is voor internationale vluchten, zodat belanghebbende - indien het vliegtuig als bedrijfsmiddel zou moeten worden beschouwd - slechts aanspraak zou kunnen maken op een investeringsaftrek van 4% van ƒ 130.000,-- in de jaren 1974 en 1975. Hij - inspecteur - is van mening dat belanghebbende – als enthousiast vlieger - het vliegtuig in de eerste plaats houdt uit hoofde van persoonlijke behoefte-bevrediging. Hij is van mening dat de door belanghebbende in zijn berekeningen ingevoerde schattingen niet in overeenstemming zijn met de werkelijkheid en in het voordeel van belanghebbende zijn gedaan. De door belanghebbende berekende met het reizen per vliegtuig behaalde tijdwinst is in aanzienlijke mate te hoog gesteld. Naar zijn mening zou op de binnenlandse vluchten naar Maastricht in het geheel geen sprake geweest kunnen zijn van tijdwinst in vergelijking met het afleggen van de route [Z] - Maastricht vice versa per auto. Ad b. Hij is van oordeel dat belanghebbende voor de reizen naar de onder de feiten genoemde bestemmingen slechts de kosten van openbaar vervoer, waaronder hij voor de buitenlandse bestemmingen begrijpt het vervoer per K.L.M. eerste klasse, kan opvoeren, welke kosten hij als volgt berekent: Luxemburg (2x) ƒ 656,-- Kopenhagen ƒ 786,-- Antwerpen 2x ƒ 440,-- Londen ƒ 500,-- Bremen (5x) ƒ 1.690,-- Ashford (Londen) ƒ 500,-- Münster ƒ 632,-- ------------ ƒ 5.204,-- , welk bedrag naar zijn mening verhoogd kan worden met ƒ 900,-- tot ƒ 6.104,-- wegens door hem geschatte kosten aan uitgaven voor taxi's en verblijfkosten."; Overwegende dat het Hof omtrent het geschil heeft overwogen: "In het algemeen komen alle kosten welke in rechtstreeks verband met de uitoefening van een onderneming zijn gemaakt, ten laste van de winst; de vraag of die uitgaven doelmatig waren komt daarbij niet aan de orde. Zulks strekt echter niet zover dat een ondernemer indien hij, zij het binnen de sfeer van zijn onderneming, op grond van persoonlijke overwegingen kosten maakt van een zodanige omvang, dat het bedrag daarvan in generlei redelijke verhouding staat tot het nut dat daaruit voor de onderneming kan voortvloeien, deze kosten ten volle ten laste van de winst zou kunnen brengen. In een zodanig geval kunnen slechts die kosten ten laste van de winst worden gebracht welke ook ten laste van de winst zouden zijn gemaakt indien de ondernemer een op zakelijke gronden berustend beleid had gevoerd en dienen de betrokken kosten voor het overige te worden aangemerkt als een besteding van gelden voor persoonlijke doeleinden welke de winst niet vermag te beïnvloeden. Het gebruik, dat belanghebbende maakt van het hem toebehorende vliegtuig ten behoeve van zijn praktijk levert naar het oordeel van het Hof, anders dan belanghebbende stelt, slechts beperkte voordelen op. In de berekening van de tijdsduur van de met gebruik van het vliegtuig gemaakte reizen houdt belanghebbende geen rekening met enig oponthoud, bij voorbeeld ten gevolge van de normale verkeersdrukte gedurende de reis [Z] - Teuge; deze tijdsduur is derhalve zeer gunstig berekend. Bij de door belanghebbende opgegeven reistijden ingeval de reis geheel per auto wordt gemaakt is daarentegen met het oponthoud in het verkeer, blijkens de verschillende verwijzingen naar het gebruik van secundaire wegen en de daaruit afgeleide gemiddelde reissnelheid ruimschoots rekening gehouden. Voor vier van de vijftien in 1974 gemaakte vliegreizen naar verschillende steden in Europa, te weten twee reizen naar Maastricht en twee reizen naar Antwerpen is de tijdsbesparing reeds volgens belanghebbendes eigen opgave voor de heen- en terugreis afzonderlijk minder dan een uur. Het Hof is van oordeel, dat ook met betrekking tot de reis naar Münster een grotere tijdsbesparing in werkelijkheid niet mogelijk zal zijn. De reis van [Z] naar Bremen vergt per trein, naar het Hof uit eigen wetenschap bekend is, ongeveer vier uren; zij kan verschillende malen per dag en ook in de loop van de avond worden gemaakt. Dit houdt in dat belanghebbende, mits hij zich in een enkel geval een overnachting te Bremen zou getroosten, met een beperkt verlies van voor de praktijkuitoefening te besteden tijd in staat zou zijn geweest zonder van het eigen vliegtuig gebruik te maken de vijf reizen naar Bremen te maken, ook in de gevallen waarin de wenselijkheid daartoe zich onverwacht voordeed. Voor de reizen naar Londen en Kopenhagen heeft belanghebbende gesteld, dat het reizen per lijnvliegtuig tot veel tijdverlies zou leiden, zonder dit nader toe te lichten. Het Hof is van oordeel dat bij deze wijze van reizen het tijdverlies beperkt zou zijn geweest. Weliswaar zou belanghebbende zich in dat geval per auto in plaats van naar Teuge naar Schiphol hebben moeten begeven, hetgeen enig tijdverlies zou hebben opgeleverd, doch dit zou althans gedeeltelijk worden gecompenseerd door de snellere vlucht van het lijnvliegtuig, dat naar van algemene bekendheid is met een aanzienlijk hogere snelheid vliegt dan 245 km per uur, naar uit de stukken blijkt de kruissnelheid van belanghebbendes vliegtuig.Ook de omstandigheid dat belanghebbende bij het gebruik van een lijnvliegtuig aan vaste vertrektijden zou zijn gebonden zou enig tijdverlies kunnen geven, doch daar, naar het Hof uit eigen wetenschap bekend is, vanaf Schiphol dagelijks verschillende vluchten naar Londen en Kopenhagen worden gemaakt, is niet aannemelijk dat dit tijdverlies aanzienlijk zou zijn. Met betrekking tot de twee reizen naar Luxemburg – met welke stad minder frekwente verbindingen bestaan - en de reis naar Ashford is aannemelijk, dat het gebruik van het eigen vliegtuig een zekere tijdsbesparing heeft opgeleverd, zij het dat ook deze besparing gedeeltelijk betrekking zal hebben op niet voor de praktijkuitoefening bestemde tijd en ten aanzien van de reizen naar Luxemburg bij gebruik van een geschikte reisgelegenheid per lijnvliegtuig naar moet worden aangenomen geringer zou zijn geweest dan belanghebbende heeft berekend. Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt voorts dat belanghebbende ook indien hij niet per eigen vliegtuig zou hebben gereisd ruimschoots zou hebben kunnen voldoen aan de eis binnen 24 uur ter plaatse te zijn indien in verband met een spoedgeval zijn aanwezigheid in [Z] zou zijn vereist. Ten slotte is de door belanghebbende berekende honorariumderving, welke hij zou hebben geleden indien hij niet per eigen vliegtuig zou hebben gereisd, naar het oordeel van het Hof aanzienlijk te hoog gesteld. Immers zullen de extra reisuren voor een belangrijk deel buiten de normaliter voor de praktijkuitoefening bestemde uren vallen en voorts zullen deze extra uren voor een deel door enige verschuiving van de werktijd kunnen worden gecompenseerd. Met een honorariumderving van enige betekenis behoeft dan ook naar het oordeel van het Hof geen rekening te worden gehouden. Uit het vorenoverwogene volgt naar het oordeel van het Hof, dat het gebruik van het vliegtuig belanghebbende wel enig nut voor zijn praktijk heeft opgeleverd, doch dat dit nut niet in enige redelijke verhouding stond tot de kosten welke voor belanghebbende waren verbonden aan het bezit en het gebruik van een eigen vliegtuig, welke kosten in 1974 ƒ 17.094,97 bedroegen en na de aanschaffing van een ander vliegtuig in oktober 1974 zoveel hoger werden, dat zij in 1974 ƒ 45.850,04 hebben bedragen. Het Hof acht daarom aannemelijk de stelling van de inspecteur dat belanghebbende niet op grond van zakelijke overwegingen doch ter voldoening van een persoonlijke voorkeur een vliegtuig gebruikt voor in het kader van zijn praktijkuitoefening te maken reizen. Een en ander brengt mee, dat de kosten welke voor belanghebbende waren verbonden aan het gebruik van een eigen vliegtuig slechts ten laste van de winst komen tot het bedrag, dat belanghebbende zou hebben moeten besteden indien hij op andere wijze had gereisd. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat laatstbedoeld bedrag hoger is dan het door de inspecteur te dier zake in aanmerking genomen bedrag van ƒ 6.312,--. Uit het vorenoverwogene vloeit voort, dat het gebruik door belanghebbende van zijn eigen vliegtuig voor de uitoefening van zijn onderneming niet van betekenis is. Dit brengt mee, dat het vliegtuig noch krachtens verplichting noch krachtens keuze tot belanghebbendes ondernemingsvermogen kan behoren. Het is derhalve niet als bedrijfsmiddel aan te merken, zodat de inspecteur ter zake van de verplichtingen welke voor de verwerving van het vliegtuig zijn aangegaan terecht geen investeringsaftrek heeft verleend. Het beroep is derhalve niet gegrond. Op grond van het vorenstaande dient de uitspraak van de inspecteur te worden bevestigd.";Overwegende dat het Hof op die gronden de uitspraak, waarvan beroep, heeft bevestigd; Overwegende dat belanghebbende 's Hofs uitspraak bestrijdt met het volgende middel van cassatie toegelicht gelijk daarna vermeld: "Schending van het recht en/of verzuim van vormen met name van de artikelen 7, 9, 10 en 11 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals deze luidden in 1974 en artikel 17 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken doordat het Hof de stelling van de inspecteur aannemelijk acht dat belanghebbende niet op grond van zakelijke overwegingen doch ter voldoening van een persoonlijke voorkeur een vliegtuig gebruikt voor in het kader van zijn praktijkuitoefening te maken reizen en een en ander volgens het Hof meebrengt dat de kosten welke voor belanghebbende waren verbonden aan het gebruik van een eigen vliegtuig slechts ten laste van de winst komen tot het bedrag, dat belanghebbende zou hebben moeten besteden indien hij op andere wijze had gereisd, waarbij het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat laatstbedoeld bedrag hoger is dan het door de inspecteur te dier zake in aanmerking genomen bedrag van ƒ 6.312,-- en tevens doordat het Hof heeft overwogen dat het gebruik door belanghebbende van zijn eigen vliegtuig voor de uitoefening van zijn onderneming niet van betekenis is en dat dit meebrengt dat het vliegtuig noch krachtens verplichting noch krachtens keuze tot belanghebbendes ondernemingsvermogen kan behoren en dat derhalve het vliegtuig niet als bedrijfsmiddel is aan te merken zodat de inspecteur ter zake van de verplichtingen welke voor de verwerving van het vliegtuig zijn aangegaan terecht geen investeringsaftrek heeft verleend, zulks ten onrechte, aangezien een vliegtuig dat, naar in de procedure vaststaat, (nagenoeg) uitsluitend is gebruikt voor reizen in de uitoefening van belanghebbendes onderneming, hetzij krachtens verplichting, hetzij krachtens keuze tot belanghebbendes bedrijfsvermogen behoort en derhalve als bedrijfsmiddel moet worden aangemerkt en het Hof uitgaande van de in de procedure vaststaande feiten niet tot de conclusie had kunnen komen dat de kosten met betrekking tot het gebruik van het vliegtuig zijn gemaakt op grond van persoonlijke overwegingen tot een zodanige omvang dat het bedrag daarvan in generlei redelijke verhouding staat tot het nut dat daaruit voor de onderneming kan voortvloeien, aangezien immers evenzeer in de procedure is komen vast te staan dat belanghebbende de door hem in de uitoefening van zijn onderneming nodig of nuttig geoordeelde reizen op de daarvoor vereiste tijdstippen slechts heeft kunnen maken juist door gebruik te maken van een eigen vliegtuig en voorts aangezien aan het reizen met het eigen vliegtuig boven het veronderstelde reizen per andere vervoermiddelen naar vast is komen te staan slechts een bedrag van ƒ 10.990,-- (ƒ 17.094,-- - ƒ 6.104,--) aan meerkosten was verbonden, van welk bedrag mede gezien de bruto-inkomsten van belanghebbendes praktijk volgens diens aangifte van ƒ 548.249,50 en van diens overige beroepskosten van ƒ 229.503,19 niet gezegd kan worden dat het in generlei redelijke verhouding staat tot het nut dat daaruit voor de onderneming kan voortvloeien, nog afgezien van de honorariumderving - daargelaten de omvang daarvan – welke ook het Hof erkent, indien op andere wijzen dan per eigen vliegtuig zou zijn gereisd en verder aangezien de constatering van het Hof dat de aan het gebruik van het eigen vliegtuig in 1975 verbonden kosten ƒ 45.850,04 hebben bedragen (N.B. Het Hof spreekt op bladzijde 17, 3e alinea van 1974, terwijl kennelijk bedoeld is 1975) op zich zelf niet relevant is, daar niet tevens bekend en vastgesteld is, welke reizen in 1975 zijn gemaakt, welke kosten aan deze reizen verbonden zouden zijn geweest indien zij op andere wijze dan per eigen vliegtuig zouden zijn gemaakt en welke honorariumderving zou zijn opgetreden. Ter toelichting diene het volgende: 1. Uit de stukken van het geding volgt, hetgeen door de inspecteur niet weersproken is, dat belanghebbende zijn beroep op een vaktechnisch en wetenschappelijk zo hoog mogelijk niveau wenst uit te oefenen. Voorts is gesteld en niet weersproken dat onder andere in Bremen voor oogartsen belangrijke bijeenkomsten worden georganiseerd, welke veelal op zaterdagochtend 9.15 uur aanvangen, somtijds evenwel later waarbij het aanvangstijdstip 11.15 uur bedraagt. Gesteld en niet gemotiveerd weersproken is, dat slechts het gebruik door belanghebbende van een eigen vliegtuig het hem mogelijk heeft gemaakt onder andere deze bijeenkomsten in Bremen bij te wonen, zonder dat zulks leidde tot honorariumderving. Gesteld en niet weersproken is dat belanghebbende normaliter tot vrijdagavond 20.00 uur praktijk uitoefent. Onjuist is de mening van het Hof dat reizen per trein naar Bremen voor belanghebbende een in aanmerking komend alternatief zou zijn geweest. Immers, anders dan het Hof uit eigen wetenschap veronderstelt, kan niet in zijn algemeenheid worden gesteld, dat de reis van [Z] naar Bremen per trein ongeveer 4 uren vergt. Behalve het feit dat meestal 2 à 3 keer overgestapt dient te worden, waarbij de overstapplaatsen niet dezelfde behoeven te zijn, hetgeen tot minder aangenaam reizen leidt, had het Hof toch zeker op grond van de feiten tot de conclusie dienen te komen, dat ten hoogste slechts een bepaalde treinreis voor belanghebbende een eventueel in aanmerking komend alternatief zou zijn geweest. Daar de eerste reismogelijkheid van [Z] naar Bremen op zaterdagen belanghebbende eerst in staat zou stellen om op zijn vroegst ná 11.30 uur bij deze bijeenkomsten aanwezig te zijn, is reizen op zaterdag voor belanghebbende in ieder geval geen in aanmerking komend alternatief. Aangezien belanghebbende doorgaans tot vrijdagavond 20.00 uur praktijk uitoefent, is de overweging van het Hof dat reizen per trein vanuit [Z] naar Bremen verschillende malen per dag mogelijk is, welke overweging op zich juist is, in deze zaak echter niet relevant. Het Hof had op grond van de vastgestelde feiten tot geen andere conclusie kunnen komen dan dat slechts de mogelijkheid van reizen ná vrijdagavond 20.00 uur een eventueel in aanmerking komende andere wijze van reizen voor belanghebbende zou zijn geweest daar slechts dan geen sprake van honorariumderving zou zijn geweest. Het Hof had - evenals belanghebbende heeft gedaan - behoren te onderzoeken of er voor belanghebbende nog een geschikte mogelijkheid tot reizen naar Bremen was ná 20.00 uur. Na onderzoek had de conclusie van het Hof moeten zijn dat belanghebbende alsdan op zijn vroegst om ongeveer 02.10 uur in Bremen op zaterdagochtend zou zijn gearriveerd, wanneer belanghebbende de trein van 20.25 uur vanuit [Z] zou hebben genomen. Behalve voor de reizen naar Bremen geldt ook voor andere reizen dat deze reizen slechts gemaakt hadden kunnen worden - voor zover zulks überhaupt al mogelijk zou zijn geweest - wanneer belanghebbende zijn praktijkuitoefening zou hebben beperkt, hetgeen tot aanzienlijke honorariumderving zou hebben geleid. Door het Hof is dit onvoldoende gemotiveerd weerlegd. 2. Het Hof kent ten onrechte geen betekenis toe aan de omstandigheid dat dankzij het eigen vliegtuig van belanghebbende het belanghebbende is toegestaan op een groter aantal dagen dan de overeengekomen 15 dagen congressen en dergelijke bij te wonen, waardoor belanghebbende zijn beroepsuitoefening meer dan anders in staat is optimaal uit te oefenen. 3. Onbegrijpelijk is 's Hofs oordeel in het licht van de gestelde en niet gemotiveerd weersproken feiten dat door belanghebbende kosten zijn gemaakt op grond van persoonlijke overwegingen. Belanghebbende is immers na uitvoerig onderzoek naar andere reismogelijkheden, tot de aanschaf van het vliegtuig overgegaan. Slechts op deze wijze kon hij zijn beroep op het door hem gewenste niveau uitoefenen, zonder dat zulks tot een aanzienlijke honorariumderving zou leiden. De vergelijking van kosten door inspecteur en Hof houdt ten onrechte geen rekening met deze honorariumderving en nagenoeg geen rekening met extra reis- en verblijfkosten. Onjuist is in het licht van de niet gemotiveerd weersproken feiten dat sprake is van een bijzonder groot verschil in de omvang van reiskosten tussen het reizen per eigen vliegtuig en andere reiswijzen. De aan het gebruik van het eigen vliegtuig verbonden kosten bedroegen in 1974 ƒ 17.094,97. De kosten van de veronderstelde alternatieve wijze van reizen zouden hebben bedragen ƒ 6.104,--. Het verschil van ƒ 10.990,-- is relatief te gering - nog afgezien van de honorariumderving die bij alternatief reizen ook naar 's Hofs oordeel optreedt - om de conclusie te dragen dat het gebruik van het vliegtuig niet berustte op zakelijke overwegingen. De vliegkosten 1975 ad ƒ 45.850,04 kunnen op zich zelf beschouwd geen gewicht in de schaal leggen daar niet is vastgesteld welke alternatieve reiskosten en honorariumderving daartegenover staat. Indien vaststaat, zoals in casu, dat kosten zijn gemaakt welke dienstig waren aan belanghebbendes beroepsuitoefening, behoort overigens een eventuele toetsing van de doelmatigheid van deze uitgaven niet aan de orde te komen. 4. Onjuist is de overweging van het Hof dat belanghebbende de tijdsduur van de reis [Z] - Teuge gunstig heeft berekend, doordat niet met oponthoud rekening wordt gehouden, terwijl zulks wel bij andere reizen is geschied. Daar de reizen [Z] - Teuge vice versa doorgaans zaterdagochtend vroeg en zaterdagavond laat plaatsvinden, is bij deze reizen geen sprake van enig oponthoud daar de verkeersintensiteit alsdan gering is. Het spreekt vanzelf dat wanneer reizen langer duren en op andere tijden gemaakt moeten worden men naar de verkeersintensiteit van die andere tijden dient te kijken, hetgeen bij de door belanghebbende uitgevoerde berekening is geschied. Naar van algemene bekendheid is, is het bij het maken van lijnvluchten vereist dat men geruime tijd vóór vertrektijd op de luchthaven aanwezig is. In het licht van de feiten (belanghebbende is werkzaam doorgaans tot 20.00 uur op vrijdagavond) behoefde het – anders dan het Hof meent - geen nader betoog dat reizen per lijnvlucht voor zover zulks al mogelijk geweest zou zijn en zonder dat zulks tot honorariumderving zou leiden geen in aanmerking komend alternatief was, daar een aankomst op zijn vroegst in de loop van de nacht van vrijdag op zaterdag het gevolg zou zijn geweest. Zoals gesteld en niet weersproken, zou belanghebbende alleen de bestemming Londen bij vertrek op zaterdagochtend tijdig hebben kunnen bereiken. Bij andere bestemmingen zou zulks niet het geval geweest zijn. Ook wordt in de uitspraak van het Hof niet aangegeven waarom bij voorbeeld een geschikte reisgelegenheid per lijnvliegtuig naar Luxemburg tot een geringere tijdsbesparing leidt dan belanghebbende heeft berekend. Voorts is onbegrijpelijk de opvatting van het Hof dat bij werkdagen welke doorgaans om 20.00 uur eindigen extra reisuren kunnen worden gecompenseerd door enige verschuiving van werktijd; bij zulke lange werkdagen is verschuiving van werktijd immers vrijwel onmogelijk. Het Hof had tot de conclusie moeten komen, zo reizen buiten voor de praktijkuitoefening bestemde tijden voor belanghebbende al mogelijk zou zijn geweest indien hij niet met een eigen vliegtuig zou hebben gereisd, dat belanghebbende dan meestentijds op zijn vroegst midden in de nacht op de plaats van bestemming zou hebben kunnen arriveren. Bij een voor belanghebbende redelijke aankomsttijd op de diverse plaatsen zou belanghebbende al in de loop van de werkdag zijn beroepsuitoefening hebben moeten staken. Onbegrijpelijk is 's Hofs opvatting dat met een honorariumderving van enige betekenis geen rekening behoeft te worden gehouden. 5. Onbegrijpelijk is de conclusie van het Hof dat het gebruik door belanghebbende van zijn eigen vliegtuig voor de uitoefening van zijn onderneming niet van betekenis is. Voorts is deze conclusie van het Hof tegenstrijdig aan de overweging van het Hof dat het gebruik van het vliegtuig belanghebbende wel enig nut heeft opgeleverd. Ook in een andere overweging geeft het Hof toe dat het gebruik van het eigen vliegtuig voordelen, zij het beperkte, oplevert."; Overwegende dienaangaande: dat, ingeval een belastingplichtige die een onderneming drijft uitgaven doet, hij deze ten laste van zijn winst uit onderneming kan brengen indien hij die uitgaven doet op zakelijke gronden, dat wil zeggen met het oog op de zakelijke belangen van zijn onderneming; dat in de bestreden uitspraak ligt besloten 's Hofs oordeel dat de reizen van belanghebbende door deze binnen de sfeer van zijn onderneming zijn gemaakt, hetgeen de Hoge Raad aldus verstaat dat de reizen, op zich zelf beschouwd, op zakelijke gronden geschiedden; dat dan de kosten daarvan ten laste van de winst dienden te komen, behoudens indien en voor zover het beloop van de meerdere kosten, verbonden aan het reizen per eigen vliegtuig, in een zodanige wanverhouding staat tot het nut dat deze snelle en kostbare wijze van reizen voor de onderneming kon afwerpen, dat geen redelijk denkend ondernemer kan volhouden die wijze van reizen met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming te hebben verkozen; dat het Hof weliswaar heeft geoordeeld dat het nut dat het gebruik van het vliegtuig belanghebbende voor zijn praktijk heeft opgeleverd niet in enige redelijke verhouding stond tot de kosten welke voor hem aan het bezit en het gebruik van een eigen vliegtuig waren verbonden, doch niet heeft vastgesteld dat de wanverhouding van dien aard was dat geen redelijk denkend ondernemer in belanghebbendes omstandigheden kan volhouden deze wijze van reizen met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming te hebben verkozen; dat derhalve doel treft de grief van belanghebbende waarmee hij 's Hofs oordeel, dat het gebruik van het vliegtuig op niet-zakelijke gronden berustte, bestrijdt; dat laatstgemeld oordeel van het Hof mede ten grondslag ligt aan 's Hofs beantwoording van de vraag of het vliegtuig al dan niet als bedrijfsmiddel kan worden aangemerkt; dat uit het voorgaande volgt dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, dat de overige grieven van belanghebbende geen bespreking behoeven en dat de zaak dient te worden verwezen voor een nieuwe behandeling in volle omvang; Vernietigt de bestreden uitspraak; Verwijst het geding naar het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest. Gedaan bij de Heren Vroom, Vice-President, Stol, Jansen, Stoffer en Roelvink, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van de negende maart 1900 drie en tachtig, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van den Dries.
ECLI:NL:RVS:2013:BY7986
201112828/1/A3 Datum uitspraak: 9 januari 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Beegden, gemeente Maasgouw, tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 9 november 2011 in zaak nr. 11/1020 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw. Procesverloop Bij uitspraak van 9 november 2011 heeft de rechtbank het beroep dat door [appellant] is ingesteld tegen het niet tijdig door het college nemen van een besluit op zijn verzoek van 19 april 2011 om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, het college opgedragen binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekend te maken en bepaald dat het college aan [appellant] een dwangsom van € 100,00 verbeurt voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,00.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, meervoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummers BRE 16/4945 tot en met 16/4948 uitspraak van 22 februari 2018 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [A] en [B], wonende te [woonplaats] , belanghebbenden, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbenden over de jaren 2012 en 2013 de volgende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna:

IB/PVV) opgelegd en bij gelijktijdige beschikkingen belastingrente in rekening gebracht: Zaaknr. Belanghebbende Jaar Aanslagnummer Inkomen box 1 Rente 16/4945 [A] 2012 [aanslagnummer] .H.27.01 € 44.654 € 664 16/4946 [A] 2013 [aanslagnummer] .H.37.01 € 39.798 € 431 16/4947 [B] 2012 [aanslagnummer] .H.27.01 € 35.878 € 678 16/4948 [B] 2013 [aanslagnummer] .H.37.01 € 31.078 € 447 1.2. Tegen de in 1.1 genoemde navorderingsaanslagen en beschikkingen belastingrente hebben belanghebbenden bezwaar gemaakt. 1.3. Belanghebbenden hebben beroep wegens het niet-tijdig beslissen op de bezwaren ingesteld bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. 1.4.

De inspecteur heeft bij beschikkingen voor elk bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslagen een dwangsom van € 1.260 aan belanghebbenden toegekend. 1.5. Bij uitspraken van 24 mei 2016 – op diezelfde dag ook verzonden – heeft de rechtbank de in 1.3 vermelde beroepen gegrond verklaard en heeft zij de inspecteur gelast binnen vier weken na de dag waarop de uitspraken zijn verzonden te beslissen op de bezwaren van belanghebbenden tegen de navorderingsaanslagen, alle afzonderlijk op straffe van een dwangsom van € 100 per dag waarmee hij de hier genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000 in totaal. 1.6.

De inspecteur heeft bij geschriften van 21 en 22 juni 2016, waarbij is vermeld ‘Uitspraak op bezwaar’, de navorderingsaanslagen en de beschikkingen belastingrente verminderd. 1.7. Belanghebbenden hebben daartegen bij faxberichten van 28 juli 2016 beroep ingesteld. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbenden een griffierecht geheven van tweemaal € 46 (€ 46 per belanghebbende). 1.8. De inspecteur heeft schriftelijk op de beroepschriften gereageerd. 1.9. Belanghebbenden hebben nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur. 1.10.

Partijen hebben toestemming gegeven aan de rechtbank om tussenuitspraken te doen zonder voorafgaande mondelinge behandeling van de zaken ter zitting. Bij tussenuitspraken van 20 september 2017 heeft de rechtbank geoordeeld dat het hoorrecht is geschonden en dat sprake is van een motiveringsgebrek in de uitspraken op bezwaar. De rechtbank heeft vervolgens de zogenoemde bestuurlijke lus in de zin van artikel 8:51a van de Awb toegepast. Daarbij is de inspecteur in de gelegenheid gesteld om belanghebbenden volgens de regels te horen en de rechtbank binnen 12 weken na verzending van de tussenuitspraken te berichten of en zo ja in hoeverre het hoorgesprek reden is voor wijziging van de uitspraken op bezwaar en daarbij gemotiveerd in te gaan op de bezwaren van belanghebbenden die niet in de uitspraken op bezwaar zijn behandeld.

Verder is iedere beslissing aangehouden. 1.11. Belanghebbenden hebben op 28 november 2017 gelegenheid gekregen tot inzage in de stukken op het kantoor van de Belastingdienst. Het hoorgesprek heeft op 11 december 2017 plaatsgevonden. De inspecteur heeft bij brief van 13 december 2017 aan de rechtbank onder meer gemeld dat het hoorgesprek hem geen aanleiding heeft gegeven om de uitspraken op bezwaar te wijzigen. 1.12. Partijen hebben in de periode tussen de datum van de tussenuitspraken en het onderzoek ter zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij. 1.13.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2018 te Breda. Aldaar is verschenen en gehoord, belanghebbende [B] (hierna ook wel te noemen: [B] ), mede namens belanghebbende [A] (hierna ook wel te noemen: [A] ). Voor de overige verschenen personen en het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting waarvan een afschrift gelijktijdig met het afschrift van deze uitspraak aan partijen zal worden toegezonden. 2Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast: 2.1.

Belanghebbenden drijven een tweetal ondernemingen, te weten een onderneming genaamd de maatschap [C] (hierna: [C] ) en een onderneming genaamd de vennootschap onder firma [D] (hierna: [D] ). 2.2. In 2014 en 2015 heeft een boekenonderzoek door de Belastingdienst bij beide ondernemingen plaatsgevonden. Naar aanleiding van dit boekenonderzoek is met dagtekening 21 oktober 2015 een controlerapport opgemaakt. In het rapport wordt geconcludeerd dat de winst uit de ondernemingen over 2012 moet worden verhoogd met een bedrag van € 40.822 en de winst over 2013 met een bedrag van € 38.061. 2.3.

Bij het opleggen van de navorderingsaanslagen heeft de inspecteur de winstcorrecties bij iedere belanghebbende voor de helft in aanmerking genomen als inkomen uit werk en woning en de MKB-winstvrijstelling dienovereenkomstig verhoogd. 2.4. Bij de in 1.6 vermelde geschriften zijn de navorderingsaanslagen verminderd. Bij de navorderingsaanslagen 2012 is – bij iedere belanghebbende – uitgegaan van een vermindering van het belastbare inkomen uit werk en woning met € 415, en bij de navorderingsaanslagen 2013 van een vermindering van dat inkomen met € 808. 2.5.

In verband met de leesbaarheid zijn de feiten die betrekking hebben op de diverse (resterende) correctieposten, vermeld in onderdeel 4 van deze uitspraak. 3Geschil 3.1. In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen: Zijn de artikelen 7:4 en 8:42 van de Awb geschonden? Is er reden om terug te komen op de tussenuitspraken van 20 september 2017 (zie 1.10)? Dienen de navorderingsaanslagen te worden vernietigd vanwege de handelwijze van ambtenaren van de Belastingdienst? Zijn de navorderingsaanslagen tot te hoge bedragen vastgesteld? Hebben belanghebbenden recht op de toekenning van de in 1.5 genoemde dwangsommen? Hebben belanghebbenden recht op de toekenning van een proceskostenvergoeding voor door een derde verleende rechtsbijstand? [B] heeft ter zitting verklaard dat de rechtbank de verzoeken om schadevergoeding buiten beschouwing kan laten.

De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat een aantal correctieposten (gedeeltelijk) kan vervallen. 3.2. Belanghebbenden beantwoorden deze vragen bevestigend en de inspecteur ontkennend. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting. 3.3. Belanghebbenden concluderen tot vernietiging van de navorderingsaanslagen. De inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de navorderingsaanslagen.

4Beoordeling van het geschil

Schending van artikel 8:42 van de Awb? 4.1. Ter zitting heeft [B] verklaard dat de rechtbank, indien de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van de navorderingsaanslagen toekomt, kan beslissen op grond van de aan de rechtbank overgelegde stukken. De rechtbank begrijpt hieruit dat de eerder ingenomen stelling met betrekking tot artikel 8:42 van de Awb geen behandeling behoeft. Schending van artikel 7:4 van de Awb? 4.2. Met betrekking tot het beroep op schending van artikel 7:4 van de Awb heeft [B] ter zitting verklaard dat belanghebbenden daarover enkel een beslissing van de rechtbank willen ontvangen, indien vernietiging van de uitspraken op bezwaar op die grond zou betekenen dat zij de in 1.5 genoemde dwangsommen verbeuren. 4.3.

De rechtbank stelt voorop dat de beoordeling of een besluit is genomen los staat van de juistheid van het genomen besluit. Een vernietiging van de uitspraken op bezwaar op grond van schending van artikel 7:4 van de Awb, zou niet afdoen aan het feit dat de uitspraken op bezwaar wel eerder zijn genomen. De vernietiging brengt voor de toepassing van de dwangsomregeling niet mee dat de uitspraken op bezwaar geacht worden nimmer te zijn genomen. Bij vernietiging en terugwijzing geldt voor de nieuw te nemen uitspraak op bezwaar een nieuwe termijn (vgl. Hof Den Haag 12 december 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3662, rov. 7.3).

Een en ander past ook bij de ratio van de dwangsomregeling, namelijk het geven van een prikkel aan het bestuursorgaan om (alsnog) te beslissen. Gelet op voorgaande en de in 4.2 vermelde verklaring, hoeft de klacht met betrekking tot artikel 7:4 van de Awb geen behandeling. Tussenuitspraken 4.4. De rechtbank heeft in de bezwaren van belanghebbenden tegen de tussenuitspraken van 20 september 2017 (zie 1.10) geen aanleiding gezien om terug te komen op de beslissing in de tussenuitspraken dat de 1.6 vermelde geschriften zijn aan te merken als uitspraken op bezwaar.

Belanghebbenden hebben onder meer (opnieuw) aangevoerd dat de uitspraken op bezwaar geen beslissingen zijn op de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen, maar op het bezwaar tegen een aan [C] opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting. Belanghebbende baseert dit standpunt er onder meer op dat de inspecteur de IB/PVV-bezwaarschriften kwijt was en daarom niet daarop heeft kunnen beslissen. Zoals de rechtbank in de tussenuitspraken heeft geoordeeld, is de omstandigheid of de inspecteur al dan niet de beschikking had over de IB/PVV-bezwaarschriften niet relevant voor het antwoord op de vraag of uitspraken op bezwaar zijn gedaan.

De in 1.6 vermelde geschriften zijn immers onmiskenbaar aan te merken als uitspraken op bezwaar met betrekking tot de navorderingsaanslagen IB/PVV. Bovendien mist het standpunt in die zin feitelijke grondslag dat de inspecteur – zoals hij ook heeft aangevoerd – via de in 1.3 vermelde beroepsprocedure de beschikking had gekregen over de IB/PVV-bezwaarschriften en dus daar ten tijde van de uitspraken op bezwaar wel over beschikte. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat de inspecteur in de toelichting op de uitspraken op bezwaar (onder meer) is ingegaan op de bezwaren tegen de winstcorrectie in verband met de betaalde belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna:

Bpm). Ook wat belanghebbenden overigens hebben aangevoerd – waaronder een beroep op artikel 1 Eerste Protocol EVRM – vormt geen aanleiding terug te komen op beslissingen in de tussenuitspraak. Vernietiging uitspraken op bezwaar 4.5. In de tussenuitspraken van 20 september 2017 is geoordeeld dat sprake is van schending van de hoorplicht en de motiveringsplicht en dat daaraan niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt voorbijgegaan. De rechtbank zal daarom de uitspraken op bezwaar vernietigen en de beroepen gegrond verklaren. Na de toepassing van de bestuurlijke lus, kan de rechtbank zelf in de zaak voorzien.

Vernietiging navorderingsaanslagen vanwege de handelwijze van ambtenaren van de Belastingdienst? 4.6. Belanghebbenden hebben zich beklaagd over de handelwijze van ambtenaren van de Belastingdienst en gesteld dat gelet op die handelwijze de navorderingsaanslagen vernietigd moeten worden. Belanghebbenden hebben zich in dat kader beroepen op het verdedigingsbeginsel. Vast staat dat belanghebbenden voorafgaand aan het opleggen van de navorderingsaanslagen in de gelegenheid zijn gesteld om te reageren op het concept van het in 2.2 genoemde controlerapport waarin de navorderingsaanslagen werden aangekondigd.

Reeds daarom is de rechtbank van oordeel dat het verdedigingsbeginsel in de aanslagfase niet is geschonden (vgl. HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3467, BNB 2016/65, rov. 2.2). De stelling van belanghebbenden dat onder andere de controleambtenaar onvoldoende met hun stellingen en bezwaren heeft gedaan, maakt dit oordeel niet anders. 4.7. Verder begrijpt de rechtbank de klachten van belanghebbenden als een beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel. Een schending van dat beginsel kan echter enkel leiden tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en niet tot vernietiging van de navorderingsaanslagen (zie voor dit laatste HR 28 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5146, BNB 1993/36).

Nu de uitspraken op bezwaar reeds vernietigd worden (zie 4.5), hoeft de beroepsgrond op dit punt verder geen behandeling. 4.8. Het beroep van belanghebbenden op artikel 1 van het Eerste Protocol EVRM geeft de rechtbank evenmin aanleiding tot het oordeel dat de navorderingsaanslagen moeten worden vernietigd. Aan de door belanghebbenden ingeroepen eis dat er, kort gezegd, procedurele garanties dienen te zijn tot effectieve betwisting van een belastingaanslag, wordt immers voldaan. De hoogte van de navorderingsaanslagen 2012 4.9. In het in 2.2 genoemde controlerapport heeft de controleambtenaar de winst uit onderneming in 2012 op tien onderdelen gecorrigeerd.

Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat correctie 6 (€ 345) voor 50% dient te vervallen en dat correctie 7 (€ 280) in zijn geheel dient te vervallen. Met betrekking tot de overige correcties oordeelt de rechtbank als volgt. Correctie 1: Autokosten 4.10. Met betrekking tot onderhavig belastingjaar is niet in geschil dat, mede gelet op gemaakte afspraken bij eerdere controles door de Belastingdienst, 13 auto’s tot het ondernemingsvermogen zijn en mochten worden gerekend. Wel is in geschil of alle autokosten (door de inspecteur berekend op circa € 50.000) in mindering mochten worden gebracht op de winst.

De inspecteur acht een wagenpark van 13 auto’s voor twee ondernemers buiten proportie. Onder verwijzing naar het Cessna-arrest (HR 9 maart 1983, ECLI:NL:HR:1983:AW8960, BNB 1983/202) heeft de inspecteur gesteld dat de extra kosten die samenhangen met het gebruik van dat aantal auto’s in een zodanige wanverhouding staan tot het nut daarvan voor de ondernemingen, dat geen redelijk denkend ondernemer daarvoor zou hebben gekozen. De inspecteur heeft daarom de autokosten met € 15.000 gecorrigeerd. 4.11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur niet aannemelijk maakt dat belanghebbenden door de aanschaf van 13 auto’s ten behoeve van de onderneming zodanig hoge autokosten hebben gemaakt dat geen redelijk denkend ondernemer dergelijke hoge autokosten zou maken.

De rechtbank overweegt in dit verband dat niet is weersproken de stelling van belanghebbenden dat twee oldtimers van het merk Volvo Duett, voorzien van reclamestickers van [C] , niet worden gebruikt voor vervoer, maar voor reclamedoeleinden. Voor de toepassing van het zogenoemde Cessna-criterium met betrekking tot de autokosten dienen de hiervoor opgevoerde kosten van circa € 8.000 daarom buiten beschouwing te blijven. Verder overweegt de rechtbank dat tot de autokosten ook de kosten van een auto behoren waarvoor een bijtelling privégebruik in aanmerking is genomen.

Nu voor deze kosten al een correctie heeft plaatsgevonden wegens privégebruik, moeten ook deze kosten buiten beschouwing worden gelaten. Daarnaast geldt voor een deel van de kosten, zoals het benzineverbruik, dat aannemelijk is dat deze kosten niet hoger zijn dan ingeval belanghebbenden slechts enkele auto’s hadden aangeschaft ten behoeve van de ondernemingen. Rekening houdend met het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbenden ten gevolge van het gebruik van het genoemde aantal auto’s zodanig hoge autokosten heeft gemaakt dat geen redelijk denkend ondernemer deze kosten zou hebben gemaakt.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de correctie van € 15.000 onterecht is toegepast. Correctie 2 en 3: betaalde Bpm 4.12. Belanghebbenden hebben ten behoeve van hun ondernemingen meerdere auto’s in het buitenland gekocht, deze naar Nederland vervoerd en vervolgens na één of twee jaren in Nederland op kenteken gezet. De daarbij betaalde Bpm hebben zij in 2012 ineens in mindering gebracht op de winst uit onderneming. De inspecteur heeft gesteld dat de betaalde Bpm op de ondernemingsbalans dient te worden geactiveerd om vervolgens te worden afgeschreven en heeft om die reden de winst gecorrigeerd. 4.13.

Volgens goed koopmansgebruik vindt afschrijving over een bedrijfsmiddel plaats over de aanschafkosten (of de voorbrengingskosten) minus de restwaarde. Tot de aanschafkosten van een auto behoort niet alleen de koopsom, maar ook de betaalde Bpm. Dit is niet anders indien de Bpm pas enige tijd na de aankoop van een auto wordt voldaan. De Bpm dient daarom te worden geactiveerd en niet ineens in mindering te worden gebracht op het resultaat. Belanghebbenden hebben nog aangevoerd dat in dat geval afschrijving over de Bpm ook moet plaatsvinden over de periode vanaf de aanschaf van de auto tot de kentekenregistratie in Nederland.

Zij voeren daartoe aan dat de auto’s vanaf het aanschafmoment economisch nut hebben voor de ondernemingen. De rechtbank verwerpt de opvatting van belanghebbenden. Over de Bpm kan niet eerder worden afgeschreven dan na kentekenregistratie in Nederland omdat de Bpm eerst dan deel uitmaakt van de aanschafkosten. Daarvan uitgaande is de hoogte van de correctie niet in geschil. De inspecteur heeft de correctie terecht toegepast. Correctie 4: aankoop steiger 4.14. Belanghebbenden hebben in 2012 een steiger gekocht. Zij hebben verklaard dat de steiger is gekocht voor het schoonmaken en schilderen van het dak van het kantoor, maar dat deze daarvoor niet bruikbaar bleek te zijn en daarom uiteindelijk is verkocht.

De inspecteur heeft betwist dat de steiger voor zakelijke doeleinden is aangeschaft en heeft de winst gecorrigeerd met de hiermee samenhangende kosten. 4.15. Naar het oordeel van de rechtbank hebben belanghebbenden met de enkele verklaring dat de steiger voor zakelijke doeleinden is aangeschaft niet de feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat de steiger tot het ondernemingsvermogen kon worden gerekend. De inspecteur heeft de correctie met betrekking tot de kosten van de steiger terecht toegepast.

Correctie 5: huishoudelijke kosten 4.16. Tijdens een eerder boekenonderzoek over de jaren 1999 tot en met 2001 is toegestaan dat (in ieder geval) ƒ 50 per week aan huishoudelijke kosten als stelpost in mindering werd gebracht op de winst. Niet in geschil is dat op grond van het vertrouwensbeginsel in onderhavige jaren de huishoudelijke kosten ook als stelpost in mindering mochten worden gebracht op de winst. Wel is in geschil tot welk bedrag de huishoudelijke kosten in aftrek zijn toegelaten. 4.17. Belanghebbenden hebben zich op het standpunt gesteld dat tijdens het eerdere boekenonderzoek ƒ 50 per week per onderneming is toegestaan en dus een totaalbedrag van ƒ 100 per week.

Verder hebben zij gesteld dat de huishoudelijke kosten zijn gemaakt voor bewassing (ten behoeve van het bedrijfsgebouw), verstrekken van dranken aan cliënten en schoonmaakkosten en dat de hoogte van deze kosten in de loop van de jaren is toegenomen. In 2012 hebben zij een bedrag van € 90 per week en in 2013 een bedrag van € 100 per week als huishoudelijke kosten opgevoerd. De inspecteur heeft gesteld dat in het verleden voor beide ondernemingen samen (maximaal) ƒ 50 per week aan huishoudelijke kosten is geaccepteerd en dat de verhoging van dit bedrag door belanghebbenden niet op een toezegging van de inspecteur berust.

De inspecteur heeft het bedrag van ƒ 50 per week voor 2012 en 2013 geïndexeerd op € 30 per week. Voor de overige door belanghebbenden opgevoerde huishoudelijke kosten heeft de inspecteur de winst gecorrigeerd. 4.18. Naar het oordeel van de rechtbank hebben belanghebbenden niet aannemelijk gemaakt dat tijdens de eerdere controle is toegezegd – of dat er een impliciete standpuntbepaling is geweest – dat voor elk van beide ondernemingen een bedrag van ƒ 50 per week als huishoudelijke kosten in aanmerking mocht worden genomen. Aan het feit dat in eerdere jaren een bedrag aan huishoudelijke kosten als stelpost is toegestaan, kan niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat in de jaren daarna een hoger bedrag aan huishoudelijke kosten ook als stelpost zou worden toegestaan.

Nu belanghebbenden bovendien – bij gebrek aan nadere onderbouwing – niet aannemelijk hebben gemaakt dat de aan de ondernemingssfeer toerekenbare huishoudelijke kosten in onderhavige jaren hoger zijn dan het geaccepteerde bedrag op basis van € 30 per week, heeft de inspecteur de correctie terecht toegepast. Correctie 7: bijtelling privégebruik auto 4.19. Met betrekking tot onderhavige jaren is niet in geschil dat, op grond van opgewekt vertrouwen bij eerdere controles door de Belastingdienst, voor (niet meer dan) één zakelijk geëtiketteerde auto een bijtelling privégebruik in aanmerking moet worden genomen.

De bijtelling privégebruik is enkel in de aangiften IB/PVV van [A] opgenomen. De inspecteur is bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen uitgegaan van een hoger bedrag aan bijtelling privégebruik en heeft deze correctie voor de helft bij iedere belanghebbende in aanmerking genomen. Bij de uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur de correctie op een lager bedrag vastgesteld vanwege de onjuiste vaststelling van het type auto waarvoor het privégebruik in aanmerking is genomen. De hoogte van de totale bijtelling privégebruik, zoals die is vastgesteld bij de uitspraken op bezwaar, is niet in geschil. 4.20.

Belanghebbenden bestrijden de correctie in de eerste plaats met het standpunt dat geen sprake is van een nieuw feit op grond waarvan de bijtelling privégebruik bij de navorderingsaanslagen mocht worden gecorrigeerd. Dit standpunt is gebaseerd op de stelling dat de inspecteur naar aanleiding van de onjuist aangegeven bodemwaarde nader onderzoek naar de aangiften had moeten doen en dat hij alsdan had kunnen zien dat in de aangiften voor de bijtelling privégebruik van de auto was uitgegaan van een onjuiste waarde van de auto. Zoals hierna in 4.24 aan de orde komt, is de rechtbank evenwel van oordeel dat de onjuist aangegeven bodemwaarde niet noopte tot nader onderzoek.

Daarmee ontvalt de basis aan belanghebbendes standpunt. Voor dat geval is niet in geschil, althans niet bestreden, dat het uit het boekenonderzoek naar voren komende feit dat in de aangifte is uitgegaan van een te lage waarde van de auto, op zichzelf wel een nieuw feit is. 4.21. Verder hebben belanghebbenden aangevoerd dat de correctie voor het privégebruik enkel had dienen te worden toegepast bij de navorderingsaanslag die aan [A] is opgelegd, aangezien de bijtelling privégebruik ook enkel in zijn aangifte is aangegeven en de inspecteur dat heeft geaccepteerd.

Ter zitting heeft [B] verklaard dat, indien de navorderingsaanslag om deze reden bij [B] zal worden verminderd, maar dit door middel van interne compensatie tot een even grote correctie bij [A] zal leiden, de rechtbank dan aan hun stelling voorbij kan gaan. Reeds gelet op het in 4.11 vermelde vervallen van de correctie met betrekking tot de auto’s, is ruimte voor interne compensatie bij [A] . De rechtbank zal de door de inspecteur toegepaste correctie voor de bijtelling privégebruik daarom in stand laten. Correctie 9: afschrijving kantoorpand 4.22.

De inspecteur heeft de afschrijvingskosten van het kantoorpand gecorrigeerd, omdat afschrijving op grond van artikel 3.30a van de Wet IB 2001 niet meer mogelijk was, aangezien de bodemwaarde van 50% van de WOZ-waarde reeds in 2012 was bereikt. 4.23. Belanghebbenden stellen dat de inspecteur in de aangiften had moeten zien dat sprake was van een fout, nu in de aangiften een bodemwaarde van nihil was aangegeven. Er is daarom volgens hun standpunt sprake van een ambtelijk verzuim door de inspecteur. 4.24. De rechtbank is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat een bodemwaarde van nihil is aangegeven in het licht van de gehele aangifte niet zodanig afwijkend is dat de inspecteur reeds op grond daarvan de aangiften (verder) had moeten onderzoeken.

Daarbij merkt de rechtbank op dat ook indien de bodemwaarde onjuist is aangegeven, daarmee nog niet het bedrag van de in de aangifte in aanmerking genomen afschrijving onjuist hoeft te zijn. Er is dus geen sprake van een ambtelijk verzuim. De uitkomst van het boekenonderzoek met betrekking tot de afschrijving is een nieuwe feit op grond waarvan de navorderingsaanslagen mochten worden opgelegd. Voor dat geval is niet in geschil dat de correctie terecht is toegepast. Correctie 10: investeringskosten kantoorpand 4.25. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de in 2012 betaalde investeringskosten met betrekking tot het kantoorpand op grond van artikel 3.30a van de Wet IB 2001 niet aftrekbaar zijn van de winst en heeft daarom de winst met dit bedrag verhoogd. 4.26.

Belanghebbenden stellen dat het kantoorpand deel uitmaakt van het vennootschapsvermogen van [D] . Tussen [D] en [C] is een gebruikersovereenkomst overeengekomen, inhoudende dat [C] mede gebruik mag maken van het kantoorpand en dat [C] daartegenover de investeringskosten van het kantoorpand zal betalen. Belanghebbenden hebben daarom de kosten van de investeringen in het kantoorpand in het jaar 2012 in mindering gebracht op de winst van [C] . Zij doen daarbij een beroep op het vertrouwensbeginsel en stellen dat de inspecteur deze werkwijze bij een eerdere controle heeft goedgekeurd.

Zij stellen dat de verbouwingskosten direct ten laste van de winst kunnen worden gebracht en dat artikel 3.30a van de Wet IB 2001 niet van toepassing is op de kosten, aangezien het kantoorpand niet tot het maatschapsvermogen behoort van [C] . 4.27. De door [C] gemaakte kosten ter zake van investeringen in het kantoorpand dienen te worden geactiveerd, waarna daarop aan de hand van de regels van goed koopmansgebruik kan worden afgeschreven. Aangezien de investeringen opgaan in het kantoorpand geldt daarbij de afschrijvingsbeperking van artikel 3.30a, lid 1, van de Wet IB 2001.

Daaraan doet niet af dat belanghebbenden het kantoorpand hebben gerekend tot het ondernemingsvermogen van [D] en de kosten zijn gemaakt door [C] . De winst dient ingevolge artikel 3.2 van de Wet IB 2001 weliswaar per ondernemer per subjectieve onderneming afzonderlijk te worden vastgesteld, maar uit doel en strekking van artikel 3.30a van de Wet IB 2001 volgt dat de afschrijvingsbeperking van genoemde bepaling ook geldt ingeval het kantoorpand tot het ondernemingsvermogen van de ene onderneming wordt gerekend en de kosten ter verbetering worden gedragen door de andere onderneming van dezelfde belastingplichtige.

Steun is hiervoor ook te vinden in artikel 3.30a, lid 7, van de Wet IB 2001 dat betrekking heeft op de situatie waarin investeringen in één gebouw door twee verbonden (rechts)personen worden verricht. In die situatie geldt de afschrijvingsbeperking onverkort ‘als ware zij één en dezelfde persoon’, zo bepaalt de Wet. Aangezien de bodemwaarde reeds is bereikt, is het niet mogelijk om af te schrijven op de te activeren investeringskosten. De inspecteur heeft deze correctie daarom terecht toegepast. 4.28. Het beroep van belanghebbenden op het vertrouwensbeginsel maakt het in 4.27 gegeven oordeel niet anders.

Indien al uit het rapport van de eerdere controle in 2004 zou kunnen worden afgeleid dat sprake is van een bewuste standpuntbepaling door de inspecteur met betrekking tot de in 4.26 genoemde werkwijze van belanghebbenden, dan kunnen zij na de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 3.30a van de Wet IB 2001 (per 1 januari 2007) aan die standpuntbepaling niet het vertrouwen ontlenen dat dit artikel voor hen niet van toepassing is. Conclusie met betrekking tot de navorderingsaanslagen 2012 4.29. Gelet op het overwogene in 4.9 en 4.11 moeten de correcties worden verminderd met in totaal een bedrag van € 15.452,50 (50% van € 345 + € 280 + € 15.000).

Daarvan moet aan ieder van belanghebbenden de helft (afgerond € 7.726) worden toegerekend. 4.30. Het belastbare inkomen uit werk en woning van [A] voor het jaar 2012 moet dan als volgt worden berekend: Belastbaar inkomen uit werk en woning na uitspraak op bezwaar € 44.239 Vermindering winstcorrecties (zie 4.29) € 7.726 – Vermindering MKB-vrijstelling (12% van € 7.726) € 927 + Belastbaar inkomen uit werk en woning € 37.440 4.31. Het belastbare inkomen uit werk en woning van [B] voor het jaar 2012 moet dan als volgt worden berekend: Belastbaar inkomen uit werk en woning na uitspraak op bezwaar € 35.463 Vermindering winstcorrecties (zie 4.29) € 7.726 – Vermindering MKB-vrijstelling (12% van € 7.726) € 927 + Belastbaar inkomen uit werk en woning € 28.664 4.32.

De rechtbank zal de navorderingsaanslagen dienovereenkomstig verminderen. De hoogte van de navorderingsaanslagen 2013 4.33. In het in 2.2 genoemde controlerapport heeft de controleambtenaar de winst uit onderneming in 2013 op tien onderdelen gecorrigeerd. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat correctie 5 (€ 304) in zijn geheel dient te vervallen en dat correctie 7 (€ 607) voor 50% dient te vervallen. Met betrekking tot de overige correcties oordeelt de rechtbank als volgt. Correctie 1: autokosten 4.34. Met betrekking tot de correctie van de autokosten, verwijst de rechtbank naar hetgeen daarover is overwogen bij de navorderingsaanslagen 2012 (zie 4.11).

De correctie van € 15.000 is naar het oordeel van de rechtbank ook voor 2013 onterecht toegepast. Correctie 4: aankoop Haulotte 4.35. Belanghebbenden hebben in 2013 een hoogwerker van het merk Haulotte (hierna: de Haulotte) gehuurd in verband met schoonmaak- en schilderwerkzaamheden aan het dak van het kantoorpand. De huurprijs voor twee weken bedroeg € 2.650 exclusief omzetbelasting. Omdat na twee weken de werkzaamheden nog niet waren afgerond, en gezien het geringe verschil tussen de huurkosten en de aankoopprijs, hebben zij daarna de Haulotte aangeschaft voor een bedrag van € 5.000 exclusief omzetbelasting, aldus belanghebbenden.

De inspecteur heeft de huurkosten van de Haulotte als zakelijke kosten geaccepteerd, maar een correctie op de winst toegepast voor de afschrijvingskosten en de investeringsaftrek (samenhangend met de aankoop van de Haulotte). 4.36. Nu niet in geschil is dat de huurkosten van de Haulotte ten behoeve van de onderneming zijn gemaakt, acht de rechtbank aannemelijk dat Haulotte (mede) ten behoeve van de onderneming is aangeschaft, zodat de Haulotte tot het ondernemingsvermogen kon worden gerekend. De rechtbank is daarom van oordeel dat de correctie van in totaal € 1.650 onterecht is toegepast.

Correcties 2/3, 6, 8, 9 en 10: betaalde Bpm, huishoudelijke kosten, privégebruik auto, afschrijving kantoorpand en investeringskosten kantoorpand 4.37. Met betrekking tot de hierboven genoemde correcties verwijst de rechtbank naar hetgeen daarover is overwogen bij de navorderingsaanslagen 2012 (4.13, 4.18, 4.21, 4.24, 4.27 en 4.28). Deze correcties zijn naar het oordeel van de rechtbank ook voor het jaar 2013 terecht toegepast. Conclusie met betrekking tot de navorderingsaanslagen 2013 4.38. Gelet op het overwogene in 4.33, 4.34 en 4.36 moeten de correcties worden verminderd met in totaal een bedrag van € 17.257,50 (€ 304 + 50% van € 607 + € 15.000 + € 1.650).

Daarvan moet een bedrag van de helft (afgerond € 8.629) aan iedere belanghebbende worden toegerekend. 4.39. Het belastbare inkomen uit werk en woning van [A] voor het jaar 2013 moet dan als volgt worden berekend: Belastbaar inkomen uit werk en woning na uitspraak op bezwaar € 38.990 Vermindering winstcorrecties (zie 4.38) € 8.629 – Vermindering MKB-vrijstelling (14% van € 8.629) € 1.208 + Belastbaar inkomen uit werk en woning € 31.569 4.40. Het belastbare inkomen uit werk en woning van [B] voor het jaar 2013 moet dan als volgt worden berekend:

Belastbaar inkomen uit werk en woning na uitspraak op bezwaar € 30.270 Vermindering winstcorrecties (zie 4.38) € 8.629 – Vermindering MKB-vrijstelling (14% van € 8.629) € 1.208 + Belasting inkomen uit werk en woning € 22.849 4.41. De rechtbank zal de navorderingsaanslagen dienovereenkomstig verminderen. Daarbij merkt de rechtbank op dat het arbeidsinkomen van [A] moet worden berekend op € 44.011 en dat van [B] op € 33.872. Hieruit volgt dat bij beide belanghebbenden de doorwerkbonus op grond van artikel 8.12 van de Wet IB 2001 op nihil moet worden vastgesteld.

Dwangsommen 4.42. Belanghebbenden hebben de rechtbank verzocht om vast te stellen – teneinde een executiegeschil te voorkomen – dat de in 1.5 genoemde dwangsommen zijn verbeurd. De rechtbank heeft evenwel als bestuursrechter geen bevoegdheid om een partij - in dit geval de inspecteur - te veroordelen tot betaling van door de rechtbank aan haar uitspraken verbonden nadere dwangsommen als bedoeld in art. 8:55d van de Awb. Aan het verzoek van belanghebbenden kan daarom niet worden tegemoetgekomen. Ter beslechting van een geschil over de verschuldigdheid van de desbetreffende dwangsommen kunnen belanghebbenden zich tot de civiele rechter wenden.

De rechtbank is in zoverre onbevoegd om van de beroepen kennis te nemen. Vergelijk voor dit alles ook ABRvS 9 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY7986. 5Proceskosten Belanghebbenden hebben verzocht om toekenning van een proceskostenvergoeding. Zij stellen dat door [D] rechtsbijstand is verleend op basis van een no-cure-no-pay-afspraak en zij verzoeken daarom om vergoeding van de kosten van door een derde verleende rechtsbijstand in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). De rechtbank is van oordeel dat belanghebbenden tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van door een derde verleende rechtsbijstand.

Nu ook overigens niet is gesteld dat belanghebbenden kosten hebben gemaakt die op grond van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komen, zal de rechtbank geen proceskostenvergoeding toekennen. Wel wordt aan de inspecteur opgedragen om het griffierecht te vergoeden. 6Beslissing De rechtbank: verklaart zich onbevoegd met betrekking tot het verzoek betreffende de dwangsommen; verklaart de beroepen gegrond; vernietigt de uitspraken op bezwaar; vermindert in zaak 16/4945 de navorderingsaanslag 2012 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.440; vermindert in zaak 16/4946 de navorderingsaanslag 2013 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.664; vermindert in zaak 16/4947 de navorderingsaanslag 2012 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.569; vermindert in zaak 16/4948 de navorderingsaanslag 2013 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.849; vermindert de beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig; gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbenden betaalde griffierecht van in totaal € 92 aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 22 februari 2018 door mr. W.A.P. van Roij, voorzitter, mr. M.R.T. Pauwels en mr. dr. M.L.M. van Kempen, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.A. Riemens, griffier. De griffier, De voorzitter, Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.