Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2017:3562 ECLI:NL:RBZWB:2017:3562 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2017:3562 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2017:3562
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2017:3562 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Daarnaast is het perspectief van de gemeente relevant: voor de gemeente zijn een inwoner en een niet-inwoner in die zin geen gelijke gevallen dat de bijdrage uit het gemeentefonds voor de gemeente mede afhankelijk is van het aantal inwoners van die gemeente en dat de gemeente in zoverre voor een niet-inwoner dus niets ontvangt vanuit het gemeentefonds (zie 2.6). Juridische beoordeling 2.5. Op grond van artikel 223, eerste lid, van de Gemeentewet kan een forensenbelasting worden geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er gedurende het belastingjaar meer dan negentig dagen van dat jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.

Keywords

AI generated
generality and equality of taxation basis of tax assessment fiscal equalisation fee collection equal treatment in illegality harmonization of tax legislation

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2013:917
18 oktober 2013 nr. 13/01116 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 24 januari 2013, nr. 12/00228, betreffende een ten aanzien van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) genomen beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) en aanslagen in de onroerendezaakbelastingen en hondenbelasting.
ECLI:NL:HR:2001:AD5329
Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de woonforensenbelasting van de gemeente Bergh opgelegd ten bedrage van ƒ 183,33, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het Hoofd van de afdeling Financiën van de gemeente Bergh is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2.Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergh heeft een verweerschrift ingediend.
ECLI:NL:GHSGR:2011:BU5884
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector belasting Nummer BK-11/00108 en BK-11/00109 Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer d.d.
ECLI:NL:HR:2007:AX0678
Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 met betrekking tot de onroerende zaak a-straat 1 te Q een aanslag in de forensenbelasting van de gemeente Apeldoorn opgelegd ten bedrage van € 950, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het hoofd van de afdeling Financiën en Belastingen van de gemeente Apeldoorn is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummer BRE 16/5227 uitspraak van 14 juni 2017 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende, en de heffingsambtenaar van Sabewa Zeeland, de heffingsambtenaar. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van de heffingsambtenaar van 21 juli 2016 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag forensenbelasting 2016, [aanslagnummer] (hierna: de aanslag) ter zake van de woning gelegen aan [adres] te [plaats] (hierna: de woning).

Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2017 te Middelburg. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende en namens de heffingsambtenaar, [H.A.] . 1Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. 2Gronden Feiten en geschil 2.1. Belanghebbende is eigenaar van de woning in het jaar 2016. Aan hem zijn, naast de aanslag forensenbelasting, voor het jaar 2016 wat betreft de gemeentelijke heffingen ook aanslagen onroerende-zaakbelasting eigenaar, rioolheffing en afvalstoffenheffing opgelegd. 2.2. In geschil is of de aanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.

Niet in geschil is dat belanghebbende op grond van de toepasselijke verordening forensenbelasting verschuldigd is. Wel is in geschil of sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. 2.3. Belanghebbende heeft aangevoerd dat het onterecht is dat aan hem, naast de aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing, ook nog de aanslag forensenbelasting is opgelegd, terwijl inwoners van de gemeente [X] (hierna: inwoners) enkel de eerstgenoemde heffingen hoeven te betalen. Daar komt bovendien bij dat belanghebbende minder gebruik maakt van de voorzieningen van de gemeente [X] dan inwoners.

Belanghebbende voert verder aan dat de voorzieningen in de straat van zijn woning worden verwaarloosd door de gemeente. Vooraf 2.4. Voordat het beroep op het gelijkheidsbeginsel juridisch wordt beoordeeld, merkt de rechtbank het volgende op. De rechtbank kan zich vanuit het perspectief van belanghebbende voorstellen dat belanghebbende het als onrechtvaardig ervaart dat hij forensenbelasting dient te betalen terwijl hij daarnaast ook dezelfde belastingen/heffingen dient te betalen als een inwoner van de gemeente in overigens dezelfde omstandigheden, die (echter) geen forensenbelasting verschuldigd is.

Dit perspectief is echter niet het enige perspectief dat relevant is. Vanuit het perspectief van de in 2.5 vermelde regelgeving behoort belanghebbende tot de groep forensen. Indien een forens in de situatie van belanghebbende (die – naast de forensenbelasting – dezelfde gemeentelijke belastingen betaalt als een inwoner) zou worden vrijgesteld van de forensenbelasting, dan zou dat leiden tot een nieuw onderscheid (ongelijke behandeling), namelijk binnen de groep van forensen, met nieuwe afbakeningsvragen. Het wegnemen van ongelijke behandeling op een plaats zou in dat opzicht tot ongelijke behandeling op een andere plaats leiden.

Daarnaast is het perspectief van de gemeente relevant: voor de gemeente zijn een inwoner en een niet-inwoner in die zin geen gelijke gevallen dat de bijdrage uit het gemeentefonds voor de gemeente mede afhankelijk is van het aantal inwoners van die gemeente en dat de gemeente in zoverre voor een niet-inwoner dus niets ontvangt vanuit het gemeentefonds (zie 2.6). Juridische beoordeling 2.5. Op grond van artikel 223, eerste lid, van de Gemeentewet kan een forensenbelasting worden geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er gedurende het belastingjaar meer dan negentig dagen van dat jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.

Van die bevoegdheid heeft de raad van de gemeente [X] gebruik gemaakt door een soortgelijke bepaling op te nemen in artikel 2 van de Verordening op de heffing en de invordering van een forensenbelasting 2016 (hierna: de Verordening). Het onderscheid dat daarmee in de Verordening wordt gemaakt tussen inwoners en niet-inwoners, stemt overeen met het onderscheid dat op dit punt wordt gemaakt in artikel 223, eerste lid, van de Gemeentewet, een wet in formele zin. Gelet op het bepaalde in artikel 120 van de Grondwet kan dit onderscheid daarom niet worden getoetst aan het discriminatieverbod dat is neergelegd in artikel 1 van de Grondwet (vgl. HR 18 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:917, BNB 2013/263).

Wel kan het onderhavige onderscheid worden getoetst aan de discriminatieverboden die zijn opgenomen in artikel 26 van het IVBPR en in artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Aan de formele en gemeentelijke wetgever komt een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of sprake is van gelijke gevallen en of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om (naar gesteld) gelijke gevallen in verschillende zin te regelen. Het oordeel van de wetgever dient op dit punt te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond is ontbloot. 2.6.

Het bij de forensenbelasting door de formele en gemeentelijke wetgever gemaakte onderscheid tussen inwoners en niet-inwoners valt naar het oordeel van de rechtbank binnen de in 2.5 bedoelde ruime beoordelingsvrijheid, gelet op de omstandigheid dat de bijdrage die een gemeente op grond van de Financiële-verhoudingswet ontvangt uit het gemeentefonds, mede afhankelijk is – zie artikel 8, tabel B – van het aantal inwoners van die gemeente (vgl. HR 9 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5329, BNB 2002/17). Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt dus in zoverre. 2.7.

Voor zover het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel niet zozeer gericht is tegen de forensenbelasting op zichzelf maar tegen het heffen van zowel forensenbelasting als de andere in 2.1 vermelde belastingen/heffingen, terwijl een inwoner in overigens dezelfde omstandigheden geen forensenbelasting betaalt, faalt het eveneens. De rechtbank wijst in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 9 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5329, BNB 2002/17. Anders dan belanghebbende meent, neemt het feit dat in laatstgenoemd arrest werd geoordeeld over de samenloop van forensenbelasting en onroerende-zaakbelastingen niet weg dat de redenering van de Hoge Raad in die zaak ook van toepassing is in een geval als de onderhavige waarbij sprake is van samenloop van forensenbelasting en riool- en afvalstoffenheffing (vgl. Hof Den Haag 23 november 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BU5884, NTFR 2011/2821, rov. 6.1.2). 2.8.

Verder wijst de rechtbank erop dat, anders dan belanghebbende mogelijk meent, de forensenbelasting geen bestemmingsbelasting is. De opbrengst van de forensenbelasting komt ten goede aan de algemene middelen van de gemeente. Een relatie tussen de (mate van) profijt dat de belastingplichtige van de gemeentelijke voorzieningen trekt en het bedrag van de door hem verschuldigde forensenbelasting behoeft niet te bestaan (vgl. HR 9 februari 2007, nr. 40643, ECLI:NL:HR:2007:AX0678, BNB 2007/165). De klachten van belanghebbende over de voorzieningen in de straat van zijn woning, kunnen daarom niet tot vernietiging of vermindering van de aanslag leiden. 2.9.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard. 2.10. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze uitspraak is gedaan op 14 juni 2017 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.A. Riemens, griffier. De griffier, De rechter, Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.