Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2017:3120 ECLI:NL:RBZWB:2017:3120 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2017:3120 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2017:3120
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummers: BRE 16/713, 16/765 en 16/766 uitspraak van 9 mei 2017 van de meervoudige kamer in de zaken tussen [Naam eiser1] en de vennootschap ‘[naam eiser2]’, beide te [plaats] , eisers (16/713), gemachtigde: mr. J. Ossewaarde, de vennootschap ‘[naam eiser3]’, te [plaats] , eiseres (16/765), [naam eiser4] , te [plaats] , eiser (16/766), gemachtigde: mr. J. Ossewaarde, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere, verweerder. Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen: de vennootschap ‘[naam vennootschap]’, te [plaats] , gemachtigde: mr.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2017:3120 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Ter beoordeling ligt voor de vraag of het college de gebreken heeft hersteld. Ruimtelijke onderbouwing 5.1 Voor wat betreft de ruimtelijke onderbouwing stelt de rechtbank voorop dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS; uitspraak van 12 maart 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC6394 en van 30 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU6317) volgt dat naarmate de inbreuk op de bestaande planologische situatie groter is, zwaardere eisen moeten worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing van een project. Bij de vraag of een project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing komt het bestuursorgaan beoordelingsvrijheid toe.

Keywords

AI generated
building police regulations building permit condition unpermitted structures road construction planning permission variance continuous building construction

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2008:BC6394
Procesverloop Bij besluit van 9 december 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen (hierna: het college) het verzoek van [verzoeker] om handhavend op te treden tegen het bouwen in afwijking van de op 6 juli 2000 aan de Stichting Dorpshuis "de Vuurkorf" Nieuweroord (hierna: de Vuurkorf) verleende bouwvergunning afgewezen. Bij brief van 13 mei 2005 heeft [verzoeker] beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het door hem daartegen gemaakte bezwaar. Bij besluit van 7 juni 2005 (I) heeft het college vrijstelling verleend voor het aanleggen van een voetpad en parkeerplaatsen langs de Middenraai te Nieuweroord.
ECLI:NL:RVS:2011:BU6317
Procesverloop Bij besluit van 6 januari 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning op het perceel [locatie] te Harkstede.
ECLI:NL:RVS:2011:BR5704
Procesverloop Bij besluit van 15 juli 2008 heeft het college aan [appellante], handelend onder de naam [bedrijf], een reguliere bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een reclamezuil met airco-unit voor het pand op het perceel [locatie] te Oosterhout (hierna: het perceel). Bij besluit van 3 september 2009 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 15 juli 2008 herroepen en aan [appellante] een vrijstelling en bouwvergunning verleend. Bij tussenuitspraak van 19 mei 2010, verzonden op 25 mei 2010, heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om een aan het besluit van 3 september 2009 klevend motiveringsgebrek te herstellen.
ECLI:NL:RVS:2012:BX4694
de inspectie van het onderwijs, 2.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummers: BRE 16/713, 16/765 en 16/766 uitspraak van 9 mei 2017 van de meervoudige kamer in de zaken tussen [Naam eiser1] en de vennootschap ‘[naam eiser2]’, beide te [plaats] , eisers (16/713), gemachtigde: mr. J. Ossewaarde, de vennootschap ‘[naam eiser3]’, te [plaats] , eiseres (16/765), [naam eiser4] , te [plaats] , eiser (16/766), gemachtigde: mr. J. Ossewaarde, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere, verweerder. Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen: de vennootschap ‘[naam vennootschap]’, te [plaats] , gemachtigde: mr.

M.C. Sinke. Procesverloop Bij besluit van 22 december 2015 (bestreden besluit I) heeft het college aan [naam aannemingsbedrijf] een omgevingsvergunning verleend voor een project in [plaats] dat bestaat uit de percelen [naam perceel1] (nr. 5), [naam perceel2] (nrs. 2 en 4) en [naam perceel3] (nrs. 3, 5, 7, 9, 11 en 13). Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld. De beroepen zijn op 15 juli 2016 gezamenlijk ter zitting in Middelburg behandeld. Bij tussenuitspraak van 4 augustus 2016 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om de geconstateerde gebreken te herstellen.

Het college heeft in reactie hierop een besluit van 16 november 2016 (bestreden besluit II) overgelegd, met een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van de gemeenteraad van 10 november 2016 en een aanvullende motivering van Rho Adviseurs voor leefruimte (Rho) van 21 september 2016. Daarmee heeft het college bestreden besluit I gewijzigd. Zowel [naam vennootschap] als eisers hebben schriftelijk gereageerd op de reactie van het college en op bestreden besluit II. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen 1. Voor een weergave van de feiten, de beroepsgronden en het wettelijk kader verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.

2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier relevant, het volgende overwogen. Het bouwplan is in strijd met het geldende bestemmingsplan, onder meer omdat het gebouw op de hoek bijna viereneenhalve meter hoger is dan volgens dit bestemmingsplan is toegestaan en gestapelde bouw niet is toegestaan. De omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan, die bij bestreden besluit I is verleend, lijdt aan een onderzoeks- en motiveringsgebrek. Ten eerste was de ruimtelijke onderbouwing voor een extra bouwlaag ofwel twee bouwlagen in de kap op de hoek van het gebouw, wat in strijd is met de structuurvisie, onvoldoende om aan het bestreden besluit ten grondslag te leggen.

Onvoldoende was onderbouwd in hoeverre het (centrum)dorpse karakter, zoals de structuurvisie vereist, door de toegenomen bouwhoogte nog steeds voldoende gewaarborgd was. Ten tweede heeft het college de omgevingsvergunning niet zonder vvgb mogen verlenen. Omdat het bouwplan voor wat betreft de extra bouwlaag in de kap in strijd is met de structuurvisie, is geen sprake van een project waarvoor al een stedenbouwkundige visie door de gemeenteraad is vastgesteld, zoals genoemd in het raadsbesluit van 31 mei 2012. In dit raadsbesluit zijn categorieën gevallen aangewezen waarvoor geen vvgb is vereist.

Ten behoeve van een definitieve geschilbeslechting heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld deze gebreken te herstellen door alsnog een deugdelijke ruimtelijke onderbouwing te geven voor een extra bouwlaag in de kap en door de gemeenteraad alsnog een vvgb te vragen.

3. De beroepen hebben op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede betrekking op bestreden besluit II.

4. Ter beoordeling ligt voor de vraag of het college de gebreken heeft hersteld. Ruimtelijke onderbouwing 5.1 Voor wat betreft de ruimtelijke onderbouwing stelt de rechtbank voorop dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS; uitspraak van 12 maart 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC6394 en van 30 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU6317) volgt dat naarmate de inbreuk op de bestaande planologische situatie groter is, zwaardere eisen moeten worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing van een project. Bij de vraag of een project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing komt het bestuursorgaan beoordelingsvrijheid toe.

De rechtbank dient de vraag of het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing dan ook enigszins terughoudend te toetsen. 5.2 In de aanvullende ruimtelijke onderbouwing concludeert Rho dat de extra bouwhoogte en daarmee de tweede bouwlaag onder de kap passend is binnen het (centrum)dorpse karakter en recht doet aan de locatie als kruising en ankerpunt binnen het centrum. Rho heeft in deze onderbouwing, voor zover relevant, het volgende aangegeven. Op de locatie van het bouwplan is sprake van een overgang van een landelijk-dorps karakter naar een centrum-dorps karakter, waar een bebouwingsaccent gepast is.

Het bouwplan sluit aan bij de (centrum)dorpse uitstraling vanwege variatie in goothoogten, individuele gevelopbouw, verschillende kleuren baksteen en een differentiatie in kapvormen. De kap op de hoek start met een gootlijn direct boven de tweede bouwlaag, die aansluit bij de bebouwing in de omgeving en bij het (centrum)dorpse karakter. Daarnaast heeft de afgeronde kap een dorpse uitstraling, wat in de structuurvisie het uitgangspunt is. Door de steilere kapvorm, massa en karakteristieke architectuur ontstaat er een verbijzondering op de hoek die, ruimtelijk gezien, bijdraagt aan een duidelijk herkenningspunt voor het centrum.

Dit is ook volgens de structuurvisie wenselijk. In relatie tot de [naam perceel3] , die zich aan de overzijde van het project bevindt, kan een karakteristiek bebouwingsaccent als dit bouwplan meer beeldbepalend worden en nieuw elan geven op de locatie. De [naam perceel3] wordt in het dorp vanwege de gevelindeling en grove vorm als ‘ruimtelijk log’ beschouwd. De omvang van de [naam perceel3] , die vier bouwlagen heeft, en een ander appartementencomplex van drie lagen, dat zich in de nabijheid bevindt, vormen de gewenste bandbreedte voor nieuwbouw op de locatie.

Het bouwvolume is stedenbouwkundig passend. Uit de structuurvisie volgt dat een kapvorm waaronder volwaardige gebruiksruimten kunnen ontstaan gewenst is, ten behoeve waarvan de kap steiler en de kapverdieping hoger zal zijn dan de kapvorm in de directe omgeving. De invulling van de hoge kap kan op meerdere manieren: een extra verdieping, een extra entresol verdieping of een extra hoog loftachtig appartement. Dit heeft ruimtelijk en stedenbouwkundig geen effect. Het bouwplan gaat uit van parkeren op eigen terrein, zodat geen extra belasting van het openbaar gebied ontstaat.

De invulling van de kap is in de structuurvisie niet nader gespecificeerd, aldus Rho. 5.3 De rechtbank is, anders dan eisers hebben aangevoerd, van oordeel dat het college met deze aanvullende ruimtelijke onderbouwing van Rho de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan voldoende heeft gemotiveerd. Rho heeft toegelicht dat het bouwplan en specifiek de extra bouwhoogte en de tweede bouwlaag onder de kap aansluiten bij het (centrum)dorpse karakter, zoals de structuurvisie vereist, en recht doen aan de locatie als kruising en ankerpunt binnen het centrum.

Dat de kap hierdoor steiler en de totale bouwhoogte iets hoger zal zijn dan de huidige bebouwing in het centrumgebied, is volgens de structuurvisie geoorloofd. Rho heeft aangegeven dat een extra bouwlaag in de kap ruimtelijk gezien geen effect heeft op de omgeving. De rechtbank merkt hierbij op dat, wanneer een extra bouwlaag aan een gebouw wordt toegevoegd, dit ruimtelijk gezien wel effect kan hebben op de omgeving. In dit geval is zij echter van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat dit effect zeer gering zal zijn, onder andere omdat op eigen terrein geparkeerd dient te worden.

Eisers hebben voorts niet of onvoldoende met concrete argumenten toegelicht en/of met stukken onderbouwd dat dit anders ligt. Dit betekent dat het college met deze aanvullende motivering een goede ruimtelijke onderbouwing aan de vergunningverlening ten grondslag heeft gelegd. Verklaring van geen bedenkingen 6. De gemeenteraad heeft bij besluit van 10 november 2016 een vvgb afgegeven. Uit dit besluit volgt dat de raad, anders dan [naam eiser3] stelt, onder andere op basis van de aanvullende ruimtelijke onderbouwing van Rho de vvgb heeft verleend.

Gelet op wat hiervoor is overwogen over de ruimtelijke onderbouwing, volgt de rechtbank niet het standpunt van [naam eiser3] dat de raad geen vvgb had mogen afgeven. Evenmin volgt de rechtbank de stelling van [naam eiser3] dat de raad misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid door een vvgb af te geven, terwijl die naar de opvatting van de raad niet nodig was. Nu de raad een vvgb heeft afgegeven, is het tweede gebrek eveneens hersteld. Dit betekent dat het college bij het toekennen van een omgevingsvergunning zich ook heeft mogen baseren op het raadsbesluit van 10 november 2016.

Herhaalde en nieuwe beroepsgronden 7. [naam eiser3] heeft, zij het in andere bewoordingen, herhaald wat hij al eerder in deze procedure naar voren heeft gebracht, zoals over de komst van extra recreatieappartementen, de toename van horeca en detailhandel en over parkeren. Hierover heeft de rechtbank zich echter al uitgelaten in de tussenuitspraak. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de AbRS van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).

Uit wat [naam eiser3] in dit verband heeft aangevoerd volgt niet dat zich hier zo'n zeer uitzonderlijk geval voordoet dat rechtvaardigt dat de rechtbank terugkomt van haar oordeel in de tussenuitspraak. De beroepsgronden slagen daarom niet.

8. Ook heeft [naam eiser3] nieuwe beroepsgronden aangevoerd, zoals over omgevingslawaai en het gelijkheidsbeginsel. Voor wat betreft deze nieuwe beroepsgronden overweegt de rechtbank dat de procedure zoals die na de tussenuitspraak kan worden gevoerd, in beginsel beperkt blijft tot de beroepsgronden zoals die tot dan toe zijn aangevoerd. De rechtbank acht het in beginsel in strijd met de goede procesorde als na de tussenuitspraak nieuwe geschilpunten worden ingebracht. De reactie van het college op de tussenuitspraak geeft geen aanleiding voor het aanvoeren van nieuwe beroepsgronden.

Evenmin ziet de rechtbank in wat [naam eiser3] heeft aangevoerd aanleiding af te wijken van het hiervoor geformuleerde uitgangspunt. De rechtbank bespreekt de nieuwe beroepsgronden daarom niet inhoudelijk. Slotsom 9. Gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, zijn de beroepen tegen bestreden besluit I, voor zover daarbij een omgevingsvergunning is verleend voor bouwen en voor handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening, gegrond. Dit besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Nu het college de gebreken heeft hersteld en een herstelbesluit heeft genomen, zijn de beroepen tegen bestreden besluit II ongegrond.

Dit betekent dat de vergunningverlening bij bestreden besluit II in stand blijft. Voorts is het beroep van [naam eiser3] , voor zover dat is gericht tegen het maken of veranderen van een uitweg - zoals in de tussenuitspraak al is overwogen - niet-ontvankelijk. [naam eiser3] kan voor wat betreft dit onderdeel van het besluit namelijk niet als belanghebbende worden aangemerkt.

10. Nu de beroepen tegen bestreden besluit I gegrond worden verklaard, dient het griffierecht aan eisers te worden vergoed. Ook zal de rechtbank het college veroordelen in de door eisers [naam eiser2] en [naam eiser4] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.237,50 totaal (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 495, en wegingsfactor 1).

Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep van [naam eiser3] , voor zover dat is gericht tegen het maken of veranderen van een uitweg, niet-ontvankelijk; verklaart de beroepen tegen bestreden besluit I, voor zover daarbij een omgevingsvergunning is verleend voor bouwen en voor handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening, gegrond; vernietigt bestreden besluit I in zoverre; verklaart de beroepen tegen bestreden besluit II ongegrond; draagt het college op het betaalde griffierecht van € 334,- aan [naam eiser2] en [naam eiser3] en het betaalde griffierecht van € 168,- aan [naam eiser4] te vergoeden; veroordeelt het college in de proceskosten van eisers [naam eiser2] en [naam eiser4] tot een bedrag van € 1.237,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Karsten-Badal, voorzitter, mr. C.A.F. van Ginneken en mr. M. Breeman, leden, in aanwezigheid van mr. L.M. Koenraad, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2017. De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het beroepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen de gronden niet meer worden aangevuld.