Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2017:2886 ECLI:NL:RBZWB:2017:2886 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2017:2886 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2017:2886
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, meervoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummers BRE 12/29, 12/30 en 12/152 tot en met 12/154 Beslissing van 8 mei 2017 Beslissing als bedoeld in afdeling 2a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen [belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] (Duitsland), belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1Loop van het geding 1.1. Bij beslissing van 1 augustus 2016 heeft de rechtbank in deze zaken vragen aan de Hoge Raad voorgelegd ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2017:2886 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Bij deze brief zijn partijen ook geïnformeerd over de wijziging van de samenstelling in de zetel in verband met het defungeren van een van de rechters. 1.4. Belanghebbende heeft de rechtbank bij brief van 20 april 2017 meegedeeld dat zij akkoord is met de aanvullende vraag. 1.5. De inspecteur heeft bij brief van 2 mei 2017 gemeld dat hij geen bezwaar heeft tegen de inbreng van de aanvullende vraag. 2Overwegingen 2.1. Bij beslissing van 1 augustus 2016 (ECLI:NL:RBZWB:2016:4828) heeft de rechtbank in procedures van een in het Verenigd Koninkrijk gevestigd beleggingsfonds (hierna: het Engelse fonds) ook vragen aan de Hoge Raad voorgelegd ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing.

Keywords

AI generated
fund regulations foreign investment fund hedge funds fund affiliation fund assets structural funds

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2017:342
3 maart 2017 nr. 16/03954 Arrest in het geding tussen [X] te [Z] , Duitsland (hierna: belanghebbende), en de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur), waarin de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) bij uitspraak van 1 augustus 2016, nrs. BRE 12/29, 12/30 en 12/152 tot en met 12/154, op de voet van artikel 27ga van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vragen aan de Hoge Raad heeft voorgelegd ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing. De uitspraak van de Rechtbank is aan deze beslissing gehecht. 1De Nederlandse prejudiciële procedure 1.1.
ECLI:NL:RBZWB:2016:4828
Ziet de Hoge Raad reden om terug te komen op de beslissing in zijn arrest van 10 juli 2015, nr.
ECLI:NL:HR:2017:346
3 maart 2017 nr. 16/03955 Arrest in het geding tussen [X] te [Z], Verenigd Koninkrijk (hierna: belanghebbende), en de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur), waarin de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) bij uitspraak van 1 augustus 2016, nr. BRE 15/6759 tot en met 15/6762, op de voet van artikel 27ga van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vragen aan de Hoge Raad heeft voorgelegd ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing. De uitspraak van de Rechtbank is aan deze beslissing gehecht. 1De Nederlandse prejudiciële procedure Voor een omschrijving van de Nederlandse prejudiciële procedure verwijst de Hoge Raad naar onderdeel 1 van de heden in de zaak met nummer 16/03954 gegeven beslissing van de Hoge Raad.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, meervoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummers BRE 12/29, 12/30 en 12/152 tot en met 12/154 Beslissing van 8 mei 2017 Beslissing als bedoeld in afdeling 2a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen [belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] (Duitsland), belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1Loop van het geding 1.1. Bij beslissing van 1 augustus 2016 heeft de rechtbank in deze zaken vragen aan de Hoge Raad voorgelegd ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing.

Voor een overzicht van het ontstaan en de loop van het geding tot die beslissing, wordt verwezen naar die beslissing. 1.2. Op 3 maart 2017 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:342) beslist dat, alvorens op de door de rechtbank gestelde vragen kan worden beslist, prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie moeten worden beantwoord. 1.3. De rechtbank heeft partijen bij brief van 19 april 2017 in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het voornemen van de rechtbank om op grond van artikel 27ga van de AWR in de onderhavige zaken een aanvullende prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voor te leggen.

Bij deze brief zijn partijen ook geïnformeerd over de wijziging van de samenstelling in de zetel in verband met het defungeren van een van de rechters. 1.4. Belanghebbende heeft de rechtbank bij brief van 20 april 2017 meegedeeld dat zij akkoord is met de aanvullende vraag. 1.5. De inspecteur heeft bij brief van 2 mei 2017 gemeld dat hij geen bezwaar heeft tegen de inbreng van de aanvullende vraag. 2Overwegingen 2.1. Bij beslissing van 1 augustus 2016 (ECLI:NL:RBZWB:2016:4828) heeft de rechtbank in procedures van een in het Verenigd Koninkrijk gevestigd beleggingsfonds (hierna: het Engelse fonds) ook vragen aan de Hoge Raad voorgelegd ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing.

De eerste vraag in die procedure is dezelfde als de eerste vraag die in de onderhavige procedure is gesteld. De tweede vraag in de procedure van het Engelse fonds (hierna: de tweede vraag) is in de onderhavige procedure niet gesteld omdat deze reeds in de eerstgenoemde procedure was gesteld. 2.2. Ook in de nationale prejudiciële procedure van het Engelse fonds heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:346) beslist dat, alvorens op de door de rechtbank gestelde vragen kan worden beslist, prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie moeten worden beantwoord.

Daarbij is ook een vraag gesteld naar aanleiding van de tweede vraag. 2.3. Na de in 2.2 vermelde beslissing heeft het Engelse fonds zijn beroepen ingetrokken. De rechtbank zal daarom de Hoge Raad berichten dat zij de door haar gestelde vragen in de procedures van het Engelse fonds intrekt. 2.4. Bij de rechtbank bestaat echter wel behoefte aan beantwoording van de tweede vraag. De rechtbank zal daarom de tweede vraag (alsnog) stellen in de onderhavige procedure, nu het antwoord op die vraag van belang kan zijn bij de bepaling welke feiten vastgesteld dienen te worden in deze procedure (en in de vele andere vergelijkbare aanhangige procedures), en om de redenen vermeld in rov. 4.8.4.3 en 4.9, slotalinea, van haar in 2.1 vermelde beslissing. 2.5.

In aanmerking genomen dat beide partijen daarmee instemmen zal de rechtbank een aanvullende prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voorleggen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 3Beslissing De rechtbank: – legt, in aanvulling op de bij beslissing van 1 augustus 2016 gestelde vragen, de Hoge Raad ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing de volgende vraag voor: 1b. Bij ontkennende beantwoording van de eerste vraag: is de vergelijkingsmaatstaf anders indien ook binnenlandse particuliere aandeelhouders participeren in het in het buitenland gevestigd beleggingsfonds? – houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beslissing is genomen op 8 mei 2017 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter, mr. W.A.P. van Roij en mr. M.R.T. Pauwels, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. Hermus, griffier. De griffier, De voorzitter, Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: