Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2017:2880 ECLI:NL:RBZWB:2017:2880 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2017:2880 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2017:2880
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

te verklaren voor recht dat er tussen partijen geen (mondelinge) agentuurovereenkomst is gesloten en/of de rechtsverhouding ook niet als een agentuurovereenkomst kan worden gekwalificeerd; te verklaren voor recht dat, indien de kantonrechter van oordeel is dat er wél een agentuurovereenkomst tussen partijen is gesloten en/of de rechtsverhouding wél als een agentuurovereenkomst kan worden gekwalificeerd, de agentuurovereenkomst dan wel rechtsverhouding per 1 juli 2014 is geëindigd, althans per 18 januari 2016, althans per 1 oktober 2016; 3. [eiser] te veroordelen tot betaling aan [gedaagde] van de teveel dan wel ten onrechte betaalde 4% commissie over de netto omzet op alle aan [naam 3] verkopen van [gedaagde] over de periode van 1 juli tot en met 31 december 2014, zijnde een bedrag van € 10.856,95, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW; 4. [eiser] te veroordelen in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen. 2.4 [eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:119a BW, artikel 7:442 BW, artikel 7:433 BW, artikel 7:428 BW, artikel 7:437 BW; ECLI:NL:RBZWB:2017:2880 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Uitgangspunt daarbij is de wettelijke definitie uit artikel 7:428 BW. Er dient sprake te zijn van een opdracht door [gedaagde] (de principaal) aan [eiser] (de handelsagent), van een beloning en van bemiddeling van overeenkomsten voor rekening van de principaal, een en ander zonder dat de handelsagent ondergeschikt is aan de principaal. Nu geen schriftelijk stuk is opgemaakt waarin partijen hun (rechts-)positie hebben vastgelegd, moet naar het oordeel van de kantonrechter aan de hand van de Haviltex-maatstaf de vraag worden beantwoord. Dat betekent dat het antwoord op de vraag of partijen een overeenkomst hebben gesloten, afhankelijk is van wat zij jegens elkaar hebben verklaard, en wat zij over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden.

Keywords

AI generated
contracting party brokerage fee non-implementation of the offending agreements nullity of agreements and decisions tied sales outlet subcontractor payment

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:119a BW
Gelet op het bepaalde in artikel 6:119a BW, tweede lid, zal de kantonrechter bepalen dat de wettelijke handelsrente ingaat op 1 februari van het jaar, volgende op het jaar waarop de provisie betrekking heeft.
artikel 7:442 BW
artikel 7:433 BW
artikel 7:428 BW
Uitgangspunt daarbij is de wettelijke definitie uit artikel 7:428 BW.
artikel 7:437 BW
De opzegging zoals verwoord in de e-mail van 18 januari 2016 (productie 4 bij dagvaarding) kan niet als rechtsgeldige opzegging worden aangemerkt omdat daar de opzegtermijn van artikel 7:437 BW niet is aangehouden en zelfs is opgezegd met terugwerkende kracht:

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2012:BW9865
Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a.
ECLI:NL:GHAMS:2015:2857
GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.157.950/01 rolnummer rechtbank Amsterdam : CV 13-5999 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 juli 2015 inzake de vennootschap naar Turks recht […] TEKSTIL TURIZM INSAAT SANAYI TICARET Ltd. Sti, gevestigd te Gürsa/Bursa (Turkijke), appellante, advocaat: mr. A.C. de Kanter te Amersfoort, tegen […] INTERNATIONAL TEXTILES B.V., gevestigd te Naarden, geïntimeerde, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd. [appellante] is bij dagvaarding van 1 oktober 2014 in hoger beroep gekomen van vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 24 april 2013, 1 april 2014 en 5 augustus 2014, onder bovenvermeld rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellante] als gedaagde. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met een productie; - memorie van antwoord. Op 27 mei 2015 heeft op verzoek van [appellante] een comparitie van partijen plaatsgehad. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. Na afloop van de comparitie is arrest bepaald. [appellante] heeft geconcludeerd dat het hof de vonnissen zal vernietigen en de vordering van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de vonnissen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 1 april 2014 onder het kopje Feiten de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. [appellante] klaagt dat de kantonrechter aan de door partijen in hun Engels teksten gebruikte term commission een onjuiste althans onvolledige betekenis heeft gegeven. De betekenis die partijen daaraan hebben gegeven is - aldus [appellante] - niet alleen provisie maar ook goodwill. Op deze klacht zal hierna worden beslist. De door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn voor het overige niet in geschil en dienen derhalve ook het hof tot uitgangspunt. 3Beoordeling 3.1 Samengevat en aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende. ( i) [appellante] is fabrikant van textielgoederen. [geïntimeerde] heeft gedurende vijftien jaar tegen beloning bemiddeld bij de totstandkoming van overeenkomsten tussen [appellante] en afnemers van [appellante] in Nederland. Partijen hebben hun afspraken niet schriftelijk vastgelegd. (ii) [appellante] heeft bij brief aan [geïntimeerde] van 8 maart 2011 laten weten dat zij een beëindiging van de relatie overweegt. [geïntimeerde] heeft bij brief aan [appellante] van 16 maart 2011 laten weten dat zij geen beëindiging van de relatie wenst en dat zij in geval van beëindiging aanspraak maakt op - voor zover in hoger beroep nog van belang - the Goodwill (…) according to the European Laws (…). Bij e-mailbericht van 16 september 2011 heeft [geïntimeerde] aan haar relaties bericht dat zij de afgelopen twee jaar van intermediair in stof meer en meer is uitgegroeid naar producent van nachtgoed, confectie en huishoudtextiel en dat zij heeft besloten om haar agentuuractiviteiten af te bouwen. Bij brief van 27 september 2011 heeft [geïntimeerde] aan [appellante] laten weten dat zij erachter is gekomen dat [appellante] al werkt met Thomas Kok als haar nieuwe (non exclusive) agent voor de Nederlandse markt, dat zij daaruit afleidt dat zij ( [appellante] ) de relatie tussen partijen inmiddels definitief heeft beëindigd en dat zij op grond daarvan betaling verlangt van all outstanding commission (over sold fabrics) till end of september 2011 en daarnaast aanspraak maakt op: - € 168.974,70 goodwill (5% commission over average turnover from the last x 5 years); - € 84.487,35 compensation for not respecting the legal termination term of x 6 months -------------- € 253.462,05 ======== (iii) Bij brief van 3 oktober 2011 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] geschreven dat zij ( [geïntimeerde] ) will be getting paid for the commission amount you have entitled to. Bij brief van 4 oktober 2011 heeft [geïntimeerde] daarop geantwoord, kort samengevat, dat het initiatief tot beëindiging van de relatie tussen partijen van [appellante] is uitgegaan, dat de beëindiging grote gevolgen heeft voor haar onderneming en dat zij verwacht dat [appellante] nog met een fatsoenlijk beëindigingsvoorstel komt, bij gebreke waarvan zij de zaak zal overdragen aan haar advocaat. (iv) Op 21 oktober 2011 heeft een bespreking plaatsgehad tussen partijen. Partijen hebben toen een schriftelijk stuk ondertekend met de aanhef STATEMENT (hierna: het statement) dat inhoudt, voor zover hier van belang, dat de relatie tussen partijen met wederzijds goedvinden wordt beëindigd, en dat [appellante] will pay the commission amount of (handgeschreven; hof) € 67.073,77 te betalen (handgeschreven; hof) before 7/11/11. ( v) [geïntimeerde] heeft bij e-mail van 28 november 2011 de ontvangst van dat bedrag bevestigd en aanspraak gemaakt op aanvullende betaling door [appellante] ter zake van: * Balance payment of commission; en * Payment of good-will, per saldo € 363.500,-. (vi) [appellante] heeft verdere betalingen aan [geïntimeerde] geweigerd stellende dat partijen met het statement een finale regeling hebben getroffen ter zake de financiële afwikkeling van de relatie. 3.2 [geïntimeerde] heeft bij de inleidende dagvaarding de veroordeling gevorderd van [appellante] tot betaling van bedragen voor onbetaald gelaten provisie over de jaren 2007 tot en met 2011 en voor goodwill. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis geoordeeld, kort samengevat, dat het statement aldus moet worden uitgelegd dat daarmee een finale regeling is getroffen aangaande de provisieaanspraken van [geïntimeerde] , maar dat het de aanspraak van [geïntimeerde] op betaling van een klantenvergoeding (goodwill) onverlet laat. Vervolgens is een comparitie van partijen gelast teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de betekenis van het bepaalde in artikel 7:442 BW voor de (omvang van de) aan [geïntimeerde] toekomende klantenvergoeding. 3.3 In het eindvonnis heeft de kantonrechter de vordering van [geïntimeerde] ter zake goodwill toegewezen tot een bedrag van € 101.452,08, met rente vanaf de dag van de inleidende dagvaarding. Tegen deze beslissing en de gronden waarop zij berust, komt [appellante] met dertien grieven op. 3.4 De grieven strekken allereerst tot betoog dat het statement een finale regeling inhoudt op grond waarvan [appellante] jegens [geïntimeerde] ook wat betreft de goodwill is gekweten. 3.5 Bij de beoordeling neemt het hof tot uitgangspunt dat de rechtsbetrekking tussen partijen - zo is ook niet in geschil - wordt beheerst door Nederlands recht en in het bijzonder door de artikelen 7:428 e.v. BW betreffende de agentuurovereenkomst. Op de voet van artikel 7:442 BW heeft de agent ( [geïntimeerde] ) bij het einde van de agentuurovereenkomst in beginsel recht op betaling door de principaal ( [appellante] ) van een klantenvergoeding. In het licht daarvan rusten op [appellante] de stelplicht en de bewijslast van haar stelling dat zij op grond van het statement van de verplichting tot betaling aan [geïntimeerde] van een klantenvergoeding is gekweten. 3.6 Vooropgesteld wordt dat het bij de uitleg van een schriftelijke afspraak zoals het statement aankomt op de betekenis die partijen daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen en op hetgeen zij te dienaanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex). [appellante] beroept zich op de bewoordingen van het statement, in het bijzonder op de daarin gebezigde term commission, waarmee partijen - aldus [appellante] - het oog hebben gehad op provisie en goodwill. [geïntimeerde] bestrijdt die uitleg. 3.7 Raadpleging van Van Dale’s Groot woordenboek Engels-Nederlands leert dat de term commission zich naar het Nederlands laat vertalen als provisie en niet ook als goodwill of klantenvergoeding. De term goodwill komt uit het Engels en heeft in het Nederlands dezelfde betekenis. Raadpleging van het Standaard Nederlands-Turks woordenboek leert dat ook het Turks geen homoniem gebruikt voor de begrippen provisie en goodwill, maar onderscheiden bewoordingen. In het licht daarvan dwingt een tekstuele uitleg van het begrip commission - ook vanuit de optiek dat partijen een verschillende moedertaal hebben - niet tot de door [appellante] bepleite lezing. Ook overigens bevat de tekst van het statement geen aanwijzingen dat partijen daarbij mede het oog hebben gehad op goodwill; er wordt evenmin gerept van finale kwijting of iets in die trant. Het hof concludeert dat het standpunt van [appellante] geen steun vindt in de bewoordingen van het statement. Dat betekent dat het voor het standpunt van [appellante] aankomt op de overige verklaringen en gedragingen van partijen over en weer en de zin die partijen daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen. 3.8 De kantonrechter heeft te dienaanzien in het tussenvonnis van 1 april 2014 overwogen en beslist (rov. 5), dat uit de stukken van partijen niet valt af te leiden hoe het statement tot stand is gekomen, waar en wanneer wie over het statement hebben gesproken en wat in het kader van die besprekingen nog meer aan de orde is gekomen. [appellante] is bij memorie van grieven niet alsnog met een verhandeling gekomen over de totstandkoming van het statement, maar heeft betoogd dat het op de weg had gelegen van [geïntimeerde] een expliciet voorbehoud te maken ten aanzien van de goodwill, bij gebreke waarvan de goodwill geacht moet worden in het statement te zijn verdisconteerd (grief 3). Het hof leidt uit dit betoog af dat in de visie van [appellante] partijen bij de totstandkoming van het statement over en weer niets hebben verklaard over de betekenis, reikwijdte en/of strekking van het statement, en de term commission in het bijzonder. Ook overigens ontbreekt het aan aanwijzingen voor relevante verklaringen en gedragingen van partijen op dat punt. Weliswaar heeft [appellante] bij pleidooi in hoger beroep alsnog gesteld dat partijen bij de totstandkoming van het statement over drie bedragen hebben gesproken ( [geïntimeerde] maakte aanvankelijk ook nog aanspraak op de schadeloosstelling van artikel 7:441 BW), maar aan die stelling wordt op grond van de zogenoemde strenge twee-conclusieregel voorbij gegaan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat bedoelde stelling redelijkerwijs niet als een voortbouwen op eerder betrokken stellingen kan worden aangemerkt; integendeel, zij is met het hiervoor kort weergegeven betoog in de grieven in strijd. Los daarvan is de stelling betwist en niet concreet te bewijzen aangeboden, zodat niet kan worden vastgesteld dat de stelling waar is. 3.9 De conclusie is dat [appellante] niet kan worden gevolgd in haar standpunt dat partijen met het statement ook wat betreft de goodwill een finale regeling hebben getroffen. De klacht dat [appellante] op dit punt tot bewijslevering moet worden toegelaten, is ongegrond, omdat het bewijsaanbod niet is toegespitst op voldoende specifieke en tijdig betrokken stellingen die, indien bewezen, het standpunt van [appellante] kunnen ondersteunen. 3.10 Het voorgaande betekent dat [appellante] niet door de betaling op grond van het statement van haar verplichting tot betaling van een klantenvergoeding is gekweten. Het daarnaast gevoerde verjaringsverweer (grief 4) faalt omdat het op de verkeerde rechtsopvatting berust dat de vordering is gebaseerd op de artikelen 7:439 en 440 BW. Voor de klantenvergoeding op de voet van art. 7:442 BW geldt een verjaringstermijn van vijf jaar (art. 3:307 BW), vermits uiterlijk een jaar na de beëindiging van de relatie aanspraak op de vergoeding is gemaakt (art. 7:442 lid 3 BW); aan dat vereiste is met de eerder aangehaalde brief van [geïntimeerde] aan [appellante] van 28 november 2011 voldaan. 3.11 Daarmee is het de vraag of aan de voorwaarden van art. 7:442 BW voor een klantenvergoeding is voldaan, en zo ja, of er grond is voor (verdere) matiging van de door de kantonrechter toegewezen vergoeding ten bedrage van € 101.452,08. [appellante] heeft om te beginnen tot verweer betoogd dat het [geïntimeerde] is geweest die met haar brief van 27 september 2011 de stekker eruit heeft getrokken, oftewel de relatie heeft beëindigd. 3.12 Ingevolge art. 7:442 lid 4, aanhef en onder b, BW is geen vergoeding verschuldigd indien de relatie is beëindigd door de agent ( [geïntimeerde] ) tenzij (voor zover hier van belang) deze beëindiging wordt gerechtvaardigd door omstandigheden die de principaal ( [appellante] ) kunnen worden toegerekend. Als omstandigheden die [appellante] kunnen worden toegerekend, heeft [geïntimeerde] aangevoerd, kort samengevat, dat [appellante] ten tijde van bedoelde brief de relatie feitelijk al zo goed als beëindigd had door in zee te gaan met Tomas Kok als haar nieuwe agent en haar ( [geïntimeerde] ) in het laatste jaar 2011 niet tot nauwelijks te ondersteunen. Dit betoog vindt steun in de correspondentie tussen partijen, in het bijzonder in de eerder aangehaalde brief van [geïntimeerde] aan [appellante] van 27 september 2011. Aan de e-mail van [geïntimeerde] aan haar klanten van 16 september 2011 wordt in dit verband geen betekenis gehecht. Kennelijk was het [geïntimeerde] toen duidelijk dat de relatie met [appellante] geen toekomst meer had en heeft zij om commerciële redenen daaraan op een positief geformuleerde wijze bekendheid willen geven. Al met zijn er voldoende aanwijzingen om de door [geïntimeerde] geschetste gang van zaken aangaande de beëindiging voor juist te houden. Hetgeen [appellante] daartegen heeft ingebracht, weegt daar niet tegen op. De conclusie is dat zich de zojuist bedoelde situatie voordoet dat de beëindiging door [geïntimeerde] - aangenomen dat zij het is geweest die met haar brief van 27 september 2011 uiteindelijk de stekker eruit heeft getrokken - wordt gerechtvaardigd door omstandigheden die [appellante] kunnen worden toegerekend. Van een verval van het recht van [geïntimeerde] op een klantenvergoeding is dus geen sprake. 3.13 De berekening van de omvang van de klantenvergoeding verloopt in drie fasen: (i) kwantificeren van de voordelen die de transacties met de door de agent aangebrachte klanten de principaal opleveren (artikel 7:442 lid 1 onder a BW); (ii) beoordelen of reden bestaat het aldus vastgestelde bedrag aan te passen met het oog op de billijkheid, gelet op alle omstandigheden van het geval, en met name gelet op de door de agent gederfde provisie (artikel 7:442 lid 1 onder b BW); en (iii) toetsen of het uit de twee eerdere berekeningsfasen volgende bedrag het in lid 2 van art. 7:442 BW bedoelde maximumbedrag niet te boven gaat. In de rechtspraak is uitgemaakt (ECLI:NL:HR:2012:BW9865) dat het in fase (i) bedoelde voordeel van de principaal wordt vastgesteld op basis van de in de laatste twaalf maanden door de handelsagent verdiende brutoprovisie voor de nieuwe en geïntensiveerde bestaande klanten, welk bedrag vervolgens wordt gecorrigeerd met factoren betreffende (a) de duur van het voordeel dat de principaal naar verwachting aan de transacties met bedoelde klanten kan ontlenen (b) het verloop van het klantenbestand, en (c) de versnelde ontvangst van provisie-inkomsten door de agent die in één keer een vergoeding krijgt uitgekeerd. 3.14 De kantonrechter heeft in het eindvonnis vastgesteld (rov. 6) dat [geïntimeerde] in het laatste jaar het bedrag van € 101.452,08 aan provisie heeft genoten. Dat bedrag dient het hof tot uitgangspunt als het in fase (i) bedoelde voordeel van de principaal ( [appellante] ). [appellante] heeft voor haar beroep op matiging van dat bedrag aangevoerd, kort gezegd, dat met een groot deel van de door [geïntimeerde] aangebrachte klanten de relatie inmiddels is beëindigd. Bij memorie van grieven heeft zij als productie een overzicht overgelegd waarop per klant de reden van beëindiging is vermeld; het gaat grotendeels om gevallen van bankrupt en quit working. Het hof begrijpt deze toelichting aldus dat [appellante] zich beroept op toepassing van de hiervoor onder (a), althans (b) bedoelde correctiefactoren. [appellante] heeft daarbij echter miskend dat de peildatum voor die factoren de einddatum van de relatie tussen partijen is, met dien verstande dat voor factor (a) geldt wat op dat moment aan duur van het voordeel te verwachten oftewel voorzienbaar was. Zonder toelichting die ontbreekt kan niets worden vastgesteld omtrent de duur van het voordeel dat [appellante] bij beëindiging van de relatie naar verwachting aan de transacties met genoemde klanten kon ontlenen of omtrent het verloop van het klantenbestand. Bij die stand van zaken kan niet worden vastgesteld of en zo ja in welke mate er grond is voor toepassing van bedoelde correctiefactoren; die factoren moeten daarom buiten toepassing worden gelaten. Ook overigens is het hof niet gebleken van een grond voor matiging. Dat is te minder het geval waar [geïntimeerde] in hoger beroep onweersproken heeft gesteld dat het door de kantonrechter vastgestelde bedrag de provisie is die in het jaar 2011 in de periode januari tot en met september, derhalve alleen in de laatste negen maanden, is genoten. Het beroep op matiging wordt verworpen. 3.15 [appellante] heeft nog geklaagd (grief 10) dat rekening moet worden gehouden met een bedrag van € 8.001,66 wegens teveel betaalde - naar het hof begrijpt - provisie en een oninbare vordering op NCN Fashion in verband met het faillissement van deze klant. De kantonrechter heeft beslist dat met het statement wat betreft de nog openstaande provisie een finale regeling is getroffen. [appellante] is daartegen opgekomen stellende dat de finale regeling zich ook uitstrekt over de klantenvergoeding. In het voorgaande is dat standpunt verworpen. Niet valt in te zien - zoals [appellante] in dit verband lijkt te betogen - dat daarmee ook geen sprake meer is van een finale regeling ten aanzien van de nog openstaande provisie. Ook overigens is tegen bedoelde beslissing van de kantonrechter niet voldoende gemotiveerd opgekomen. Die beslissing bindt derhalve het hof. Het beroep op verrekening van het bedrag van € 8.001,66 stuit daarop af. Het beroep op een oninbare vordering op NCN Fashion stuit af op het ontbreken van een genoegzame toelichting. Gesteld noch gebleken is dat in de relatie tussen partijen de oninbaarheid van vorderingen uit transacties met door [geïntimeerde] aangebrachte klanten voor risico van [geïntimeerde] kan worden gebracht. Daarbij komt dat gesteld noch is gebleken dat de oninbaarheid van de vordering, oftewel het faillissement van NCN Fashion, bij beëindiging van de relatie tussen partijen te verwachten oftewel voorzienbaar was. De klacht faalt op beide onderdelen. 3.16 De slotsom is dat er geen grond is voor vernietiging van de bestreden vonnissen van 1 april 2014 en 5 augustus 2014. Die vonnissen zullen derhalve worden bekrachtigd. Het bewijsaanbod van [appellante] wordt verworpen omdat het aangeboden bewijs niet is betrokken op stellingen die, indien bewezen, tot een andere beslissing kunnen leiden. [appellante] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep. [appellante] zal in het hoger beroep tegen het vonnis van 24 april 2013 bij gebreke van grieven tegen dat vonnis niet ontvankelijk worden verklaard. 4Beslissing Het hof: verklaart [appellante] in het hoger beroep tegen het tussenvonnis van 24 april 2013 niet ontvankelijk; bekrachtigt de bestreden vonnissen van 1 april 2014 en 5 augustus 2014; veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 5.114,- aan vast recht en € 894,- voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan; verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. A.S. Arnold, E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röel en L.R. van Harinxma thoe Slooten en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2015.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Cluster I Civiele kantonzaken Tilburg zaak/rolnr.: 5427886 CV EXPL 16-7580 vonnis d.d. 31 mei 2017 inzake [eiser] h.o.d.n. [naam 1], wonende te [woonplaats 1] , eiser in conventie, verweerder in reconventie, gemachtigde: mr. A.L.T. van Vught, advocaat te Bilthoven, tegen de besloten vennootschap [gedaagde] INTERNATIONAL B.V., gevestigd te [woonplaats 2] , gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, gemachtigde: mr. I.O.D.V. Wetzels, advocaat te Breda. Partijen zullen hierna worden aangeduid met [eiser] en [gedaagde] . 1 1. Het verloop van het geding De procesgang blijkt uit de volgende stukken: a. het tussenvonnis van 18 januari 2017 met de daarin genoemde stukken; b. de aantekeningen van de griffier van de op 31 maart 2017 gehouden comparitie en de daarbij aan de zijde van [eiser] genomen conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende nadere producties voor comparitie, alsmede de zijdens [gedaagde] in het geding gebrachte producties 16 t/m 21. Hierna is vonnis bepaald.

2Het geschil

In conventie: 2.1 [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, 1. voor recht te verklaren dat tussen partijen sinds 2006, dan wel een nader door de rechtbank vast te stellen aanvangsjaar, een agentuurovereenkomst bestaat op basis waarvan [eiser] aanspraak kan maken op 4% van de netto omzet die [gedaagde] realiseert op alle verkopen aan groepsvennootschappen van de [naam 2] (waaronder in het bijzonder [naam 3] ) en aan [naam 4] ; 2. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van 4% commissie over de netto omzet op alle verkopen van [gedaagde] aan groepsvennootschappen van de [naam 2] (waaronder in het bijzonder [naam 5] ) over de periode van 1 januari 2015 tot 1 oktober 2016, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over de aldus verschuldigde provisie vanaf 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarop de provisie betrekking heeft; 3. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van 4% commissie over de netto omzet op alle verkopen van [gedaagde] aan [naam 4] over de periode van 15 maart 2011 tot 1 oktober 2016, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over de aldus verschuldigde provisie vanaf 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarop de provisie betrekking heeft; 4. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een klantvergoeding voor [naam 3] ex artikel 7:442 BW, gelijk aan de gemiddelde aan [eiser] verschuldigde jaarprovisie voor de door [gedaagde] aan [naam 3] verrichte leveringen, berekend naar het gemiddelde van de aan [eiser] verschuldigde jaarprovisie over de periode 1 oktober 2011 tot en met 30 september 2016; 5. [gedaagde] te veroordelen tot het verstrekken van een correcte schriftelijke opgave van de op basis van het petitum onder 2, 3 en 4 verschuldigde bedragen, onder verstrekking van de gegevens waarop deze berekening berust (ex artikel 7:433 BW), een en ander met het recht voor [eiser] om inzage te verlangen in de nodige bewijsstukken, zo nodig bijgestaan door een accountant (conform artikel 7:433, lid 2 BW), een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft na betekening van het in dezen te wijzen vonnis; 6. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten. 2.2 [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

In reconventie 2.3 [gedaagde] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad om:

1. te verklaren voor recht dat er tussen partijen geen (mondelinge) agentuurovereenkomst is gesloten en/of de rechtsverhouding ook niet als een agentuurovereenkomst kan worden gekwalificeerd;

2. te verklaren voor recht dat, indien de kantonrechter van oordeel is dat er wél een agentuurovereenkomst tussen partijen is gesloten en/of de rechtsverhouding wél als een agentuurovereenkomst kan worden gekwalificeerd, de agentuurovereenkomst dan wel rechtsverhouding per 1 juli 2014 is geëindigd, althans per 18 januari 2016, althans per 1 oktober 2016; 3. [eiser] te veroordelen tot betaling aan [gedaagde] van de teveel dan wel ten onrechte betaalde 4% commissie over de netto omzet op alle aan [naam 3] verkopen van [gedaagde] over de periode van 1 juli tot en met 31 december 2014, zijnde een bedrag van € 10.856,95, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW; 4. [eiser] te veroordelen in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen. 2.4 [eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3De beoordeling

Gelet op de samenhang van de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze gezamenlijk worden besproken. In conventie en reconventie 3.1 De volgende feiten zijn in rechte komen vast te staan: 1. [gedaagde] is een handelsonderneming op het gebied van rubber grondstoffen en rubber reprocessing en is in 1974 opgericht. Thans wordt de huidige directie gevormd door [voornaam 1] [gedaagde] en diens zoon [voornaam 2] [gedaagde] . De vader van [eiser] , [voornaam 3] [eiser] , is van 1980 tot en met juni 2000 bij [gedaagde] als technisch manager werkzaam geweest.

Na zijn pensioen, tot aan zijn overlijden in januari 2010, is [voornaam 3] [eiser] bij [gedaagde] werkzaam geweest als technisch adviseur. [eiser] is in 1997 in dienst getreden bij [gedaagde] als productiemedewerker. Die arbeidsovereenkomst is in 1998 beëindigd. [eiser] is sinds 2002 handelsagent voor [naam 6] . 2. [naam 6] is een producent van rubberproducten en kent meerdere vennootschappen (naar Duits recht). Eén van die vennootschappen is [naam 5] , hierna verder aangeduid met [naam 3] . Ook [naam 4] is een producent van rubberproducten.

3. Op 6 februari 2006 heeft een bespreking plaatsgevonden waarbij aanwezig waren: R. ( [voornaam 1] ) [gedaagde] , H. ( [voornaam 3] ) [eiser] en E. ( [voornaam 4] ) [eiser] . Hiervan is een verslag gemaakt dat als productie 1 bij dagvaarding is overgelegd. In dit verslag staat (o.m.): “(…) [naam 6] heeft momenteel 3 verschillende toepassingen waar ze materialen van [gedaagde] International zou willen inzetten.

1) Chopped en Baled. Hiermee willen ze waarschijnlijk een stootbuffer mee gaan maken. [naam 6] heeft dit nog niet verder toegelicht.

2) Gegranuleerd in Big bags. Dit “granulaat” wil [naam 6] aan een mengsel toevoegen dat gebruikt wordt als vulling van spoorwegovergangen. (…) Communicatie Alle klanten die Door [naam 7] [kantonrechter: [voornaam 4] [eiser] ] aangebracht worden zullen ook door [naam 7] verzorgd worden. D.w.z. dat [naam 7] met regelmaat contact houdt met deze klanten en de eerste contacten altijd via [naam 7] gaan. (…) Verkoop prijzen De verkoop prijzen opgegeven door [naam 8] [kantonrechter: [voornaam 1] de Ruijter] zullen altijd geleverd werk zijn. Kleinere zendingen b.v. tot € 30.000,- zullen aan [naam 7] gefactureerd worden.

Verkopen die hier bovenuit gaan zullen rechtstreeks gefactureerd worden aan de klant en [naam 7] zal hier een vaste commissie van ontvangen van 4 - 6 %. (…) Commissie De commissie die uitbetaald moet worden zal na ontvangst betaling klant einde maand uitbetaald worden. (…)” Dit verslag is opgemaakt door [eiser] . 4. [eiser] heeft ter zake van provisie facturen gezonden aan [gedaagde] , namelijk op: 13-12-2008 ten bedrage van € 1.725,50; 8-11-2009 ten bedrage van € 2.018,85; 31-12-2009 ten bedrage van € 1.220,13; 20-5-2011 ten bedrage van € 2.823,81; 20-5-2011 ten bedrage van € 2.810,32; 20-5-2011 ten bedrage van € 1.111,54; 27-10-2011 ten bedrage van € 6.293,98; 2-4-2012 ten bedrage van € 2.550,83; 2-4-2012 ten bedrage van € 3.657,32; 11-1-2013 ten bedrage van € 2.510,42; 3-5-2013 ten bedrage van € 1.322,41; 18-7-2013 ten bedrage van € 2.679,47; 8-10-2013 ten bedrage van € 1.340,55; 18-7-2014 ten bedrage van € 3.970,61; 7-4-2015 ten bedrage van € 5.519,02; 16-4-2015 ten bedrage van € 1.367,32.

Al deze facturen zijn door [gedaagde] voldaan en deze zien allen op leveringen aan [naam 3] .

5. Bij brief van 25 december 2015 van [eiser] aan [gedaagde] is verzocht om betaling van provisie over verkopen in 2015. [eiser] heeft op basis van een inschatting een factuur gemaakt ten bedrage van € 11.664,20 nu hij geen overzichten had ontvangen van leveringen aan [naam 3] . Deze factuur is niet betaald. In een e-mailbericht aan [eiser] van 5 januari 2016 naar aanleiding van de factuur over 2015, schreef [voornaam 2] [gedaagde] (o.m.) het volgende:“(…) In de begeleidende brief geef je aan dat er een afspraak is van 2008 voor de verkoop - ik heb je trouwens om het contract gevraagd in het verleden, maar deze is er schijnbaar niet.

De afspraak liep in het verleden in ieder geval en inderdaad na 2014 niet meer. Je geeft ook aan dat ik toezegging heb gedaan om afspraken nagekomen dienen te worden en je alle facturen zou ontvangen. Dit is niet correct. Ik heb aangegeven dit met de directie te bespreken en als de afspraak staat dit inderdaad te doen. Ik heb met de directie gesproken en er is geen overeenkomst in 2015. Reden hiervoor zijn de resultaten. (…)” In het verlengde van dit bericht heeft [voornaam 2] [gedaagde] op 18 januari 2016 een e-mail bericht aan [eiser] gezonden met (o.a.) de volgende inhoud:

“(…) Alle contracten worden herzien en voor de formaliteit deel ik dan hierbij mede, mocht er in jouw ogen een lopende overeenkomst zijn, dan deze per 1 januari 2016 ontbonden is. Wij stellen ons op het standpunt dat wij niet betalen voor services die niet geleverd worden. (…)” 6. Op of omstreeks 28 december 2004 heeft er een bezoek plaatsgehad bij [naam 4] waarvan als onderdeel van productie 5 een bezoekverslag is overgelegd. Bij fax-bericht van 21 december 2004 van [eiser] aan zijn vader heeft [eiser] de afspraak bij [naam 4] voor 28 december 2004 bevestigd en bij faxbericht van 2 januari 2005 van [eiser] aan [gedaagde] heeft [eiser] de gemaakte afspraken voortvloeiend uit de bespreking op 28 december 2004, opgesomd (prod. 18).

7. Als productie 19 heeft [eiser] een e-mail overgelegd van [voornaam 1] [gedaagde] aan [eiser] naar aanleiding van diens offerte van rubber grondstoffen van [gedaagde] aan [naam 3] . In dit bericht maakt [voornaam 1] [gedaagde] kritische opmerkingen over de prijsstellingen die [eiser] in zijn offerte hanteert.

8. Als productie 6(a) heeft [eiser] een e-mail overgelegd van 17 januari 2014 van [voornaam 2] [gedaagde] aan [eiser] waarin (o.m.) het volgende staat: “(…) 1. Allereerst wat betreft jouw positie en rol voor ons is het duidelijk dat jij ons vertegenwoordigd bij [naam 6] . Je werkt ook voor [naam 6] , maar niet in de relatie met ons. Dit is belangrijk omdat je onze belangen behartigt. Zowel bij Strail als andere divisies, mits je daar je aandacht en tijd aan kan besteden zoals je zelf aangaf. Gezien je relaties en ervaring binnen de [naam 2] verwachten we dat op de hoogte worden gehouden van ontwikkelingen en mogelijkheden die zich voordoen. Daarnaast promoot je ons product binnen de firma. (…) Zoals afgesproken kan je een opzet van een contract sturen waarin jij de vertegenwoordiging voor [naam 6] hebt. Dan ligt dat vast.” Dit contract is niet tot stand gekomen.

9. Als productie 6(b) heeft [eiser] een e-mail overgelegd van 3 december 2008 afkomstig van [voornaam 1] [gedaagde] aan [eiser] waarin het volgende is geschreven: “Beste Edward, De oorzaak ligt in het feit dat zij direct bij ons bestellen. Dit gaat automatisch in ons systeem zonder daar melding aan jou over te maken. Zij melden zichzelf ook niet bij jou. Dit zou je dan eerst moeten corrigeren. Wij zullen toekomstig orders bevestigen aan jou c.q. kopiëren en met betrekking tot niet ontvangen commissies, zie bijgevoegd nota’s laatste leveringen Strail waarvoor je ons een commissienota kunt sturen.” Dit bericht is aan [eiser] gezonden naar aanleiding van diens daaraan voorafgaande vraag, waarom hij geen informatie meer krijgt m.b.t. “Strail”.

10. Bij e-mail van 5 maart 2013 van [voornaam 2] [gedaagde] aan [eiser] heeft [gedaagde] [eiser] gevraagd contact op te nemen met een zekere Wolfgang Penker om daarmee samenwerking tussen Penker c.q. de firma Gmundner GmbH en [gedaagde] te bespreken. 11. [eiser] heeft aan de firma’s De Vleeschouwer, Universal Rubber en Ravestein Rubber facturen verzonden ter zake van leveringen van producten van [gedaagde] aan die firma’s. 12 [gedaagde] heeft correspondentie gevoerd met [naam 3] daterend tussen 1992 en 1996. 3.2 [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat sprake is van een agentuur-overeenkomst.

Hij voert daartoe aan dat hij op verzoek van [gedaagde] sedert 2004 actief binnen zijn netwerk heeft bemiddeld om producten van [gedaagde] aan de man te brengen. Deels verkocht [eiser] producten van [gedaagde] op eigen naam, en dus als wederverkoper, maar bij grotere orders handelde hij als handelsagent en bracht hij rechtstreeks overeenkomsten tot stand voor [gedaagde] . Deze werkwijze is aan de orde gekomen en overeengekomen in de bespreking van 6 februari 2006 waar het verslag van is overgelegd, aldus [eiser] . Dat sprake was van een agentuurovereenkomst met betrekking tot de onderneming [naam 3] , blijkt uit de provisie die aan [eiser] jarenlang is betaald voor leveringen aan [naam 3] .

Verder heeft [eiser] de samenwerking met [naam 4] tot stand gebracht, met daaruit voortvloeiende overeenkomsten tot levering van rubberproducten door [gedaagde] . Echter heeft [gedaagde] steeds geweigerd om de verdere contacten met [naam 4] via [eiser] te laten lopen, zodat [eiser] geen aanspraak heeft kunnen maken op provisie. Voorts stelt [eiser] dat de agentuur-overeenkomst nimmer is opgezegd. Eerst bij brief van 14 april 2016, een schrijven van de advocaat van [gedaagde] aan (de raadsman van) [eiser] , heeft [gedaagde] gesteld dat, indien sprake zou zijn van een agentuurovereenkomst, deze (uiteindelijk) tegen 1 oktober 2016 is opgezegd, zodat [gedaagde] tot die datum commissie verschuldigd is over de verkopen aan [naam 3] en [naam 4] Gelet op artikel 7:442 BW bestaat recht op een klantvergoeding bij beëindiging van de agentuurovereenkomst, aldus [eiser] . 3.3 Het verweer van [gedaagde] komt er kort weergegeven op neer dat geen sprake is van een agentuurovereenkomst maar van ten hoogste een accountmanagerschap voor [naam 3] .

Een agentuurovereenkomst is nooit op schrift gesteld. Het verslag van de bespreking van 6 februari 2006 kan daartoe niet dienen, aldus [gedaagde] . Ook uit de betalingen die aan [eiser] zijn gedaan kan niet worden afgeleid dat sprake is van een agentuurovereenkomst. Bovendien heeft [eiser] nimmer daadwerkelijk bemiddeld bij overeenkomsten en heeft hij de ondernemingen [naam 3] en [naam 4] ook niet als klant aangebracht omdat [gedaagde] reeds zelf daarvoor contacten met die ondernemingen had gelegd. Veel overeenkomsten zijn door inspanningen van [gedaagde] zelf tot stand gekomen en er was evenmin sprake van een exclusieve vertegenwoordiging van [eiser] voor [gedaagde] bij [naam 3] . [gedaagde] heeft [eiser] verzocht de relatie tussen [gedaagde] en [naam 3] te onderhouden en om feedback te geven van de ontwikkelingen bij [naam 3] opdat [gedaagde] daarop kon reageren. [gedaagde] heeft echter moeten constateren dat [eiser] al lange tijd de vestiging van [naam 3] niet meer had bezocht en dus ook niet heeft gewezen op het feit dat [naam 3] een bepaald soort grondstof betrok van een concurrent van [gedaagde] .

Het was bij uitstek de opdracht van [eiser] om dit soort zaken aan [gedaagde] te melden. Uiteindelijk heeft [gedaagde] zelf zodanig met [naam 3] onderhandeld, dat zij de leverancier van die grondstoffen kon worden. Ter zitting is door [voornaam 1] [gedaagde] nog nadrukkelijk gesteld dat de opdracht die aan [eiser] was gegeven, op verzoek van diens vader aan hem is verstrekt om daarmee enerzijds tot uitdrukking te brengen dat [gedaagde] veel respect en waardering had voor het werk van de vader van [eiser] en om anderzijds [eiser] in de gelegenheid te stellen een start te maken in de branche van [gedaagde] , een en ander ook omdat [eiser] bij [naam 6] ‘dicht op het vuur zat’. 3.4 Aan de orde is de vraag of tussen partijen een agentuurovereenkomst tot stand is gekomen.

Uitgangspunt daarbij is de wettelijke definitie uit artikel 7:428 BW. Er dient sprake te zijn van een opdracht door [gedaagde] (de principaal) aan [eiser] (de handelsagent), van een beloning en van bemiddeling van overeenkomsten voor rekening van de principaal, een en ander zonder dat de handelsagent ondergeschikt is aan de principaal. Nu geen schriftelijk stuk is opgemaakt waarin partijen hun (rechts-)positie hebben vastgelegd, moet naar het oordeel van de kantonrechter aan de hand van de Haviltex-maatstaf de vraag worden beantwoord. Dat betekent dat het antwoord op de vraag of partijen een overeenkomst hebben gesloten, afhankelijk is van wat zij jegens elkaar hebben verklaard, en wat zij over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden.

T.a.v. [naam 3] 3.5 Naar het oordeel van de kantonrechter is met betrekking tot [naam 3] inderdaad sprake van een agentuurovereenkomst. Daarbij neemt de kantonrechter het volgende in aanmerking. De samenwerking is aan de orde gekomen in de bespreking van 6 januari 2006. Hetgeen daarover in het verslag is opgenomen, is door [gedaagde] onvoldoende inhoudelijk betwist. [gedaagde] heeft daarover als verweer aangevoerd dat die bespreking of dat verslag onvoldoende tot uitdrukking brengt dat partijen een agentuurovereenkomst hebben gesloten. Maar die bespreking en dat verslag staat niet op zichzelf.

Uit de betaalde commissiefacturen moet worden afgeleid dat partijen ook uitvoering hebben gegeven aan, althans een deel van, die afspraken. In het bijzonder wijst de kantonrechter er op dat [eiser] 4% commissie in rekening heeft gebracht. De uitvoering van de afspraken van 6 januari 2006, blijkt ook uit de facturen die [eiser] heeft overgelegd en die betrekking hebben op verkopen van [gedaagde] voor rekening van [eiser] , onder andere aan [naam 3] maar ook aan andere firma’s. Voorts blijkt uit de overgelegde producties dat [eiser] , minst genomen, heeft getracht contacten of overeenkomsten voor [gedaagde] aan te gaan.

Dat bij de firma [naam 4] uiteindelijke geen provisie aan [eiser] is betaald, neemt niet weg dat aannemelijk is dat [eiser] dat contact wel heeft gestimuleerd teneinde voor [gedaagde] overeenkomsten te sluiten waaruit een provisie zou kunnen volgen. Dit alles gaat veel verder dan wat [gedaagde] als omschrijving geeft van de relatie met [eiser] : het account met [naam 3] onderhouden en terugkoppeling geven van ontwikkelingen bij dat bedrijf. Dat is ook niet goed in overeenstemming te brengen met de uitlatingen zijdens [gedaagde] zoals hiervoor onder de feiten onder 8 en 9.

Anders gezegd, uit de gedragingen van [gedaagde] tot 2015 heeft [eiser] ter zake de contacten met [naam 3] mogen afleiden dat hij handelsagent was voor [gedaagde] bij [naam 3] . [gedaagde] heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit de conclusie moet volgen dat zij aan [eiser] heeft duidelijk gemaakt dat hun relatie zich beperkte tot het genoemde ‘accountmanagerschap’, daargelaten wat de inhoud van een dergelijk taak of functie zou zijn. [gedaagde] heeft zich beraden op de relatie die zij met [eiser] had, toen zij tot de ontdekking kwam dat [eiser] al geruime tijd niet meer [naam 3] had bezocht en [eiser] een factuur over 2015 had ingediend, zonder dat daaraan facturen van [gedaagde] ten grondslag waren gelegd zoals in voorgaande jaren. [gedaagde] meende in deze handelswijze van [eiser] te zien dat [eiser] op makkelijke wijze wenste te factureren, zonder dat daar een tegenprestatie tegenover stond.

Eerst vanaf dat moment (25 december 2015) is [gedaagde] ondubbelzinnig in haar ontkenning van een (agentuur-)overeenkomst. Het voorgaande anders gezegd: in 2006 is een werkwijze afgesproken die in de betaling van de facturen haar uitvoering heeft gekregen en die door [eiser] niet anders behoefde te worden opgevat als een vergoeding voor de bemiddeling van overeenkomsten bij [naam 3] voor [gedaagde] . Nu geen sprake was van een dienstverband of een ondergeschiktheid van [eiser] jegens [gedaagde] , is aan de definitie van artikel 7:428 BW voldaan.

T.a.v. de [naam 2] en [naam 4] 3.6 De hiervoor geschetste feiten en omstandigheden die aanleiding gaven te beslissen dat [eiser] handelsagent was voor [gedaagde] bij [naam 3] , ontbreken als het gaat om de contacten met andere onderdelen van de [naam 2] . Belangrijk daarbij is dat [gedaagde] geen uitvoering heeft gegeven aan de gestelde afspraak en niet is - voldoende - gesteld of gebleken dat [eiser] daartegen protesteerde. Ook is hetgeen [eiser] heeft aangevoerd omtrent zijn inspanningen bij [naam 4] niet voldoende, gelet op de betwisting van [gedaagde] ten aanzien van dit contact.

Hoewel de stelling van [gedaagde] , dat [eiser] slechts op verzoek van zijn vader, [voornaam 3] [eiser] , bij de bespreking aanwezig was in zijn functie van vertegenwoordiger van [naam 6] en/of Maplan, niet in overeenstemming te brengen is met de stukken van productie 18, volstaan deze stukken niet om daarmee de stelling van [eiser] voldoende te onderbouwen. Immers, in productie 18 is een faxbericht overgelegd waarin [eiser] zijn vader er van op de hoogte stelt dat hij een afspraak heeft gemaakt om [naam 4] te bezoeken met zijn vader (niet andersom).

Het tweede deel van die productie bevat een afsprakenlijst naar aanleiding van een overleg waarbij ook [voornaam 1] [gedaagde] aanwezig was. Gelet op de afspraken die daarbij kennelijk gemaakt zijn met [voornaam 1] [gedaagde] , namelijk dat hij aanbiedingen zal doen aan [naam 4] (en niet [eiser] ), is een verwijzing naar deze producties onvoldoende om tot de conclusie te komen dat [eiser] uit de gedragingen van [gedaagde] mocht afleiden dat hij ook handelsagent was voor [gedaagde] bij [naam 4] 3.7 De gevraagde verklaring voor recht onder 1. kan derhalve worden gegeven voor zover deze ziet op de firma [naam 3] en waarbij [eiser] aanspraak kan maken op 4% (commissie) van de netto omzet van [gedaagde] bij [naam 3] .

Einde van de agentuurovereenkomst en de gevolgen daarvan 3.8 In de laatste alinea van punt 12 van de dagvaarding, stelt [eiser] te berusten in het feit dat [gedaagde] de agentuurovereenkomst met hem heeft opgezegd met ingang van 1 oktober 2016. Hieruit moet volgen dat [eiser] zich niet verzet tegen een opzegging en dat in rechte er van moet worden uitgegaan dat deze rechtsgeldig is geschied. Indien en voor zover [gedaagde] stelt dat een andere datum voor opzegging heeft te gelden, kan zij daarin niet worden gevolgd. De opzegging zoals verwoord in de e-mail van 18 januari 2016 (productie 4 bij dagvaarding) kan niet als rechtsgeldige opzegging worden aangemerkt omdat daar de opzegtermijn van artikel 7:437 BW niet is aangehouden en zelfs is opgezegd met terugwerkende kracht:

“Alle contracten worden herzien en voor de formaliteit deel ik dan hierbij mede, mocht er in jouw ogen een lopende overeenkomst zijn, dan deze per 1 januari 2016 ontbonden is.”. Er is ook geen reden om een andere datum voor de beëindiging van de agentuurovereenkomst aan te nemen, zoals door [gedaagde] in reconventie onder 2 van het petitum in reconventie is gevorderd. De daar genoemde datum van 1 juli 2014 wordt, zo begrijpt de kantonrechter, door [gedaagde] onderbouwd met haar stelling dat [eiser] sedert die dag niet meer bij [naam 3] op bezoek is geweest.

Echter die enkele stelling volstaat niet als opzegging. Immers, [gedaagde] heeft [eiser] daarvan destijds geen mededeling gedaan en ook hierbij is de wettelijke opzegtermijn niet gerespecteerd. Dat laatste geldt ook voor de stelling dat is opgezegd op 18 januari 2016. Deze datum leidt de kantonrechter af uit de hiervoor genoemde e-mail van dezelfde datum. 3.9 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiser] recht heeft op 4% provisie tijdens de duur van de agentuurovereenkomst met [naam 3] tot 1 oktober 2016. Indien en voor zover [gedaagde] wil betogen dat [eiser] over de periode van juli 2014 tot 1 oktober 2016 geen recht op provisie heeft omdat hij in die periode [naam 3] niet (actief) heeft bezocht en er geen overeenkomsten door zijn bemiddeling tot stand zijn gekomen, faalt dit.

Immers, uit artikel 7:431 eerste lid onder c BW volgt dat er ook recht op provisie is, indien overeenkomsten zijn afgesloten met iemand die behoort tot de klantenkring van de handelsagent. Ook de stelling van [gedaagde] met betrekking tot de overeenkomst(en) ter zake de grondstoffen waarvan [gedaagde] heeft aangevoerd dat die door haarzelf zijn gesloten nadat haar gebleken was dat [eiser] haar (ten onrechte) er niet van op de hoogte had gesteld dat een concurrent die grondstoffen leverde aan [naam 3] (het materiaal ‘Chopped and Baled’), kan niet leiden tot een ander oordeel.

Uit overgelegde e-mail- correspondentie blijkt naar het oordeel van de kantonrechter genoegzaam dat [eiser] heeft getracht ‘Chopped and Baled’ aan de man te brengen bij [naam 3] , maar daarvan werd weerhouden door [gedaagde] omdat deze niet kon instemmen met de prijsstellingen die [eiser] wenste te hanteren. Later heeft [gedaagde] ter zake ‘Chopped and Baled’ zelf overeenkomsten met [naam 3] gesloten. Dit maakt dat het bepaalde in artikel 7:435 eerste lid BW opgeld doet: [eiser] heeft ook recht op provisie indien [gedaagde] geen gebruik maakt van [eiser] bij het sluiten van deze overeenkomsten. 3.10 [eiser] vraagt vermeerdering van de verschuldigde commissie met de wettelijke handelsrente, ingaande op 1 januari van het jaar volgende op het jaar waarop de provisie betrekking heeft. [gedaagde] heeft hiertegen geen zelfstandig verweer gevoerd.

Gelet op het bepaalde in artikel 6:119a BW, tweede lid, zal de kantonrechter bepalen dat de wettelijke handelsrente ingaat op 1 februari van het jaar, volgende op het jaar waarop de provisie betrekking heeft. 3.11 Aldus kan ook de vordering onder 2 van het petitum worden toegewezen, in die zin dat [gedaagde] veroordeeld wordt tot betaling aan [eiser] van 4% commissie over de netto omzet van alle verkopen van [gedaagde] aan [naam 3] [naam 9] over de periode van 1 januari 2015 tot 1 oktober 2016, vermeerderd met de wettelijke handelsrente op de wijze als hiervoor overwogen. 3.12 Op grond van het voorgaande moet het onder 3 van het petitum gevorderde (commissie over de verkopen aan [naam 4] ) worden afgewezen.

De klantvergoeding 3.13 De berekening van de omvang van de klantvergoeding verloopt in drie fasen: (i) kwantificeren van de voordelen die de transacties met de door de agent aangebrachte klanten de principaal opleveren (artikel 7:442 lid 1 onder a BW); (ii) beoordelen of reden bestaat het aldus vastgestelde bedrag aan te passen met het oog op de billijkheid, gelet op alle omstandigheden van het geval, en met name gelet op de door de agent gederfde provisie (artikel 7:442 lid 1 onder b BW); en (iii) toetsen of het uit de twee eerdere berekeningsfasen volgende bedrag het in lid 2 van artikel 7:442 BW bedoelde maximumbedrag niet te boven gaat.

In de rechtspraak is uitgemaakt (ECLI:NL:HR:2012:BW9865) dat het in fase (i) bedoelde voordeel van de principaal wordt vastgesteld op basis van de in de laatste twaalf maanden door de handelsagent verdiende bruto provisie voor de nieuwe en geïntensiveerde bestaande klanten, welk bedrag vervolgens wordt gecorrigeerd met factoren betreffende (a) de duur van het voordeel dat de principaal naar verwachting aan de transacties met bedoelde klanten kan ontlenen, (b) het verloop van het klantenbestand, en (c) de versnelde ontvangst van provisie-inkomsten door de agent die in één keer een vergoeding krijgt uitgekeerd (vgl. Gerechtshof Amsterdam, 7 juli 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2857). 3.14 Op grond hiervan moet naar het oordeel van de kantonrechter als uitgangspunt worden genomen, het bedrag aan provisie over de periode 1 oktober 2015 tot en met 30 september 2016, zijnde 4% over de netto omzet die [gedaagde] bij [naam 3] heeft gerealiseerd over deze periode. [gedaagde] heeft ten aanzien van de correctiefactoren a, b of c geen stellingen naar voren gebracht, zodat daarmee geen rekening kan worden gehouden.

De vraag is vervolgens of in de stelling van [gedaagde] dat [eiser] sedert medio 2014 de onderneming [naam 3] niet (of amper) heeft bezocht, alsmede de stelling dat [gedaagde] zelf een overeenkomst heeft uit onderhandeld ter zake de levering van ‘Chopped and Baled’, aanleiding moet zijn het bedrag billijkheidshalve te matigen. Het enkele feit dat [eiser] de vestiging van [naam 3] niet heeft bezocht, biedt onvoldoende aanleiding tot matiging. Immers, niet het al dan niet frequente bezoek aan een klant, maar de door tussenkomst van de handelsagent gerealiseerde omzet, is bepalend voor de provisie.

Voor zover de overeenkomst met betrekking tot ‘Chopped and Baled’ wel aanleiding tot matiging zou kunnen zijn, kan de kantonrechter geen matiging bepalen, bij gebreke aan door [gedaagde] verstrekte omzetcijfers daaromtrent. Dit laatste gebrek moet voor rekening en risico komen van [gedaagde] . Ten slotte moet het bedrag over de laatste twaalf maanden worden vergeleken met de omzet van de laatste 5 jaren, nu het niet hoger kan zijn dan het gemiddelde over die jaren. 3.15 Het voorgaande leidt er toe dat het gevorderde onder 4 van het petitum kan worden toegewezen. 3.16 Het voorgaande leidt er eveneens toe dat het gevorderde onder 5 van het petitum voor toewijzing gereed ligt, zij het beperkt tot [naam 3] [naam 9] .

Gelet op het bepaalde in artikel 7:433, tweede lid BW, is [eiser] bevoegd inzage te verlangen van de nodige bewijsstukken nodig voor het bepalen van zijn recht op provisie en kan hij zich daartoe laten bijstaan door een deskundige. [eiser] vraagt veroordeling daartoe, onder oplegging van een dwangsom. Nu de betrokkenheid van een deskundige afhankelijk is van aanvaarding daarvan door [gedaagde] en bij afwijzing de mogelijkheid bestaat om benoeming daarvan door de voorzieningenrechter te verzoeken, staat dit in de weg aan het opleggen van een dwangsom.

De dwangsom wordt daarom beperkt tot de veroordeling tot het verstrekken van inzage in de bewijsstukken en, gelet op een redelijke termijn waarin [gedaagde] in de gelegenheid moet worden gesteld die bewijsstukken te produceren, ingaande 2 maanden nadat dit vonnis aan [gedaagde] is betekend. 3.17 Omdat hiervoor is overwogen en beslist dat er tussen [eiser] en [gedaagde] een agentuurovereenkomst heeft bestaan ter zake [naam 3] , moet de door [gedaagde] verzochte verklaring voor recht (onder 1.) dat zulks niet het geval is, worden afgewezen. Uit het voorgaande moet tevens volgen dat die agentuurovereenkomst is geëindigd op 1 oktober 2016.

Omdat [eiser] deze einddatum heeft geaccepteerd, bestaat er tussen partijen daarover thans geen geschil meer, zodat [gedaagde] geen rechtens te respecteren belang heeft bij de (onder 2.) verzochte verklaring voor recht inhoudende dat de agentuurovereenkomst (uiterlijk) op 1 oktober 2016 is geëindigd. Hier wordt herhaald dat, zoals hiervoor overwogen onder rechtsoverweging 3.8, een eerdere einddatum moet worden afgewezen. 3.18 [gedaagde] legt aan haar vordering onder 3. van het petitum in reconventie ten grondslag dat [eiser] sedert medio 2014 de vestiging van [naam 3] niet meer heeft bezocht, zodat de provisie die zij aan [eiser] heeft betaald over de periode juli 2014 tot en met 31 december 2014 ten onrechte is betaald. 3.19 Zoals uit hetgeen hiervoor is overwogen valt af te leiden, moet deze stelling worden verworpen.

Niet het enkele feit dat [eiser] [naam 3] heeft bezocht is bepalend voor de vraag of aanspraak bestaat op provisie. Zoals uit de provisiefacturen uit eerdere jaren valt af te leiden, heeft [eiser] steeds overeenkomsten tot stand gebracht tussen [gedaagde] en [naam 3] . In hoeverre daaraan telkens bezoeken van [eiser] aan [naam 3] ten grondslag hebben gelegen, is gesteld noch gebleken. Er is dus geen aanleiding om, nu [eiser] [naam 3] niet heeft bezocht, op grond van dit enkele feit de omzet die na medio 2014 is gerealiseerd niet toe te rekenen aan de inspanningen van [eiser] , temeer nu tevens gesteld noch gebleken is dat [eiser] niet bereid was zijn verplichtingen na te komen. 3.20 De vorderingen van [gedaagde] moeten dus worden afgewezen.

Voorts in conventie 3.21 Nu [gedaagde] in conventie grotendeels in het ongelijk is gesteld, moet zij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiser] . De kantonrechter stelt deze kosten tot op heden als volgt vast: dagvaarding € 99,87 griffierecht € 79,00 salaris gemachtigde € 500,00 (2 punten à € 250,00 per punt) totaal € 678,87. Voorts in reconventie 3.22 Nu [gedaagde] in reconventie in het ongelijk is gesteld, wordt zij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiser] gevallen en tot op heden vastgesteld op € 250,00 als salaris voor de gemachtigde van [eiser] .

4De beslissing

De kantonrechter: in conventie: 4.1 verklaart voor recht dat tussen partijen sinds 2006 een agentuurovereenkomst bestaat op basis waarvan [eiser] aanspraak kan maken op 4% van de netto omzet die [gedaagde] realiseert op alle verkopen aan [naam 3] ; 4.2 veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van 4% commissie over de netto omzet op alle verkopen van [gedaagde] aan [naam 5] over de periode van 1 januari 2015 tot 1 oktober 2016, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over de aldus verschuldigde provisie vanaf 1 februari van het jaar volgend op het jaar waarop de provisie betrekking heeft; 4.3 veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een klantvergoeding voor [naam 3] ex artikel 7:442 BW, gelijk aan de gemiddelde aan [eiser] verschuldigde jaarprovisie voor de door [gedaagde] aan [naam 3] verrichte leveringen, berekend naar het gemiddelde van de aan [eiser] verschuldigde jaarprovisie over de periode 1 oktober 2011 tot en met 30 september 2016; 4.4 veroordeelt [gedaagde] tot het verstrekken van een correcte schriftelijke opgave van de op basis van de hiervoor onder 4.2 en 4.3 verschuldigde bedragen, onder verstrekking van de gegevens waarop de berekening berust (ex artikel 7:433 BW), een en ander met het recht van [eiser] om inzage te verlangen in de daarop betrekking hebbende bewijsstukken, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft, ingaande de dag volgend op de dag waarop 60 dagen verstreken zijn na betekening aan [gedaagde] van dit vonnis, zulks tot een maximum van € 20.000,00; 4.5 veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, aan de zijde van [eiser] tot op heden vastgesteld op € 678,87; 4.6 wijst het meer of anders gevorderde af; in reconventie: 4.6 wijst de vorderingen af; 4.7 veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, aan de zijde van [eiser] tot op heden vastgesteld op € 250,00 als salaris voor de gemachtigde van [eiser] ; in conventie en in reconventie: 4.8 verklaart de hiervoor gegeven veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J.M. Rouwen en is in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2017.