Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBZWB:2017:1079 ECLI:NL:RBZWB:2017:1079 AI generated

ECLI:NL:RBZWB:2017:1079 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Number ECLI:NL:RBZWB:2017:1079
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:7 van de Awb, artikel 6:9 van de Awb, artikel 6:11 van de Awb; ECLI:NL:RBZWB:2017:1079 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Tot slot heeft belanghebbende gesteld dat de ontvanger pas zeer kort voor de zitting op zijn standpunt is teruggekomen en dat hiermee algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden geschonden. 2.10. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken (artikel 6:7 van de Awb). Deze termijn vangt aan op de dag na die van dagtekening van het afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking (artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen (artikel 6:9 van de Awb).

Keywords

AI generated
untimely advance on costs statute of limitations bar untimely notification of defects infringement action unjustified procedural delay undue insurance benefit

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:7 van de Awb
De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken (artikel 6:7 van de Awb).
artikel 6:9 van de Awb
Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen (artikel 6:9 van de Awb).
artikel 6:11 van de Awb
Bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift blijft een niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (artikel 6:11 van de Awb).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2015:1775
10 juli 2015 nr. 15/00290 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 16 december 2014, nr. AWB 14/3717, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2009 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2000:AA8419
Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlieland (hierna: B en W) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als a-straat 1 te Q, voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 vastgesteld op f 210.000,--. Op het door belanghebbende tegen die beschikking gemaakte bezwaar hebben B en W de waarde nader vastgesteld op f 140.000,--. Belanghebbende is van de uitspraak van B en W in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en belanghebbende alsnog niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:GHSHE:2011:BT8233
Ontstaan en loop van het geding 1.1.
ECLI:NL:GHSHE:2008:BD5693
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Sector belastingrecht Kenmerk: 05/00591 Uitspraak van de eerste meervoudige Belastingkamer - op het hoger beroep van mevrouw X te Y hierna belanghebbende, tegen de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Breda (hierna ook: de Rechtbank) van 25 oktober 2005, nummer AWB 05/02337, in het geding tussen belanghebbende en de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Douane Zuid van de rijksbelastingdienst, hierna: de Inspecteur, alsmede - op het door de Inspecteur ingestelde incidenteel hoger beroep. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Op 4 maart 2005 is aan belanghebbende op haar verzoek een vrijstelling Belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) verleend onder nummer XX0000000000. Bij besluit van 3 juni 2005 (genummerd XX1111111111) is de vrijstelling ingetrokken. 1.2. Belanghebbende is tegen dat besluit bij brief d.d. 27 juni 2005, ter inspectie binnengekomen daags daarna, in bezwaar gekomen. Bij uitspraak, gedagtekend 30 september 2005, heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Voorafgaande aan de uitspraak op het bezwaarschrift heeft belanghebbende bij brief d.d. 7 juli 2005 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend, onder meer strekkende tot, kort gezegd, ongedaanmaking van voormelde intrekking. 1.4. Tijdens het onderzoek ter zitting door de voorzieningenrechter, gehouden op 11 oktober 2005, heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen de in 1.2 vermelde uitspraak d.d. 30 september 2005. 1.5. De voorzieningenrechter heeft in zijn mondelinge uitspraak van 25 oktober 2005, oordelende dat een spoedeisend belang aanwezig was en oordelende dat nader onderzoek na de zitting redelijkerwijs niet kon bijdragen aan de beoordeling van de zaak, met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) onmiddellijk uitspraak gedaan in de hoofdzaak. In de uitspraak is het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen en is het beroep tegen de uitspraak d.d. 30 september 2005 ongegrond verklaard. 1.6. Tegen de in 1.5 vermelde uitspraak van de voorzieningenrechter heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het betreffende faxbericht, ter behoud van rechten, is op 12 december 2005 bij het Hof binnengekomen. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 103. De Inspecteur heeft, nadat belanghebbende in op 5 januari 2006 en 24 juli 2006 bij het Hof binnengekomen brieven het beroep nader had gemotiveerd, een verweerschrift ingediend. 1.7. Het verweerschrift is op 10 oktober 2006 bij het Hof binnengekomen. In het verweerschrift heeft de Inspecteur gebruik gemaakt van de mogelijkheid incidenteel hoger beroep in te stellen. Het verweerschrift is in afschrift doorgezonden aan belanghebbende, om op het incidenteel hoger beroep te reageren. Belanghebbende heeft bij brief d.d. 18 november 2006 voorzien van twee bijlagen, bij het Hof binnengekomen op 21 november daarna, op het verweerschrift gereageerd. Die reactie is op 21 november 2006 doorgezonden aan de Inspecteur. 1.8. Bij brief d.d. 18 april 2007 zijn partijen opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het beroep op 28 juni 2007. Bij brief d.d. 1 mei 2007 heeft het Hof partijen bericht dat die mondelinge behandeling om organisatorische redenen geen doorgang kon vinden. 1.9. Bij brief d.d. 31 augustus 2007 zijn partijen opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het beroep op 4 oktober 2007. Wegens verhindering van belanghebbende heeft het Hof de mondelinge behandeling uitgesteld. Het Hof heeft partijen daarover bij brief d.d. 24 september 2007 geïnformeerd. 1.10. Het onderzoek ter zitting bij het Hof heeft plaatsgevonden op 14 december 2007. Ter zitting zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en de Inspecteur. 1.11. Belanghebbende heeft vóór de zitting bij brief d.d. 22 november 2007 een pleitnota met drie bijlagen toegezonden aan het Hof en door tussenkomst van de griffier aan de wederpartij. De pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgedragen. De pleitnota met bijlagen rekent het Hof tot de stukken van het geding. 1.12. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding. Belanghebbende heeft ter zitting een aanvullende pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Ook de aanvullende pleitnota rekent het Hof tot de stukken van het geding. 2. Feiten Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan. 2.1. Belanghebbende vervulde in 2005 een dienstbetrekking bij wijnhandel A in B (Duitsland). Ook belanghebbendes gemachtigde, tevens echtgenoot van belanghebbende, was in wijnhandel A werkzaam. Belanghebbende woonde met haar gezin in Y (Nederland). 2.2. Op 4 maart 2005 is aan belanghebbende op haar verzoek een vrijstelling BPM verleend onder nummer XX0000000000. Deze vrijstelling (hierna: de vrijstelling)is verleend op grond van artikel 14 van de Wet BPM juncto artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit BPM. De vrijstelling betrof de personenauto van het merk Volvo, type V50, voorzien van een Duits kenteken (---------)(hierna: de auto). Bij besluit van 3 juni 2005 is de vrijstelling ingetrokken. In de brief is onder meer vermeld dat "dit een voor bezwaar vatbare beschikking (is)". 2.3. Belanghebbende is bij brief d.d. 27 juni 2005 tegen evengemeld besluit in bezwaar gekomen. Bij de in 1.2 vermelde uitspraak d.d. 30 september 2005 heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard. Bij brief d.d. 7 juli 2005, voorafgaande aan de uitspraak d.d. 30 september 2005, heeft belanghebbende een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend, strekkende tot onder meer ongedaanmaking van voormelde intrekking. 2.4. Tijdens het onderzoek ter zitting door de voorzieningenrechter, gehouden op 11 oktober 2005, heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen meergemelde uitspraak d.d. 30 september 2005. 2.5. De voorzieningenrechter heeft in zijn mondelinge uitspraak van 25 oktober 2005 geoordeeld en beslist als in 1.5 weergegeven. 2.6. Belanghebbendes echtgenoot voornoemd heeft kort na de uitspraak van de voorzieningenrechter voor de auto een eendere vrijstelling van BPM aangevraagd en verkregen als de eerdere door belanghebbende verkregen en later ingetrokken vrijstelling. Belanghebbende was toen als directrice in dienstbetrekking werkzaam bij de nieuw opgerichte vennootschap onder firma C. Ook belanghebbendes gemachtigde was toen bij die vennootschap werkzaam. 2.7. In zijn verweerschrift in de procedure bij het Hof heeft de Inspecteur gebruik gemaakt van de mogelijkheid incidenteel hoger beroep in te stellen. In dat kader heeft de Inspecteur gesteld dat zowel de Inspecteur als de voorzieningenrechter er ten onrechte van is uitgegaan dat tegen de intrekking van de vrijstelling een rechtsmiddel openstond, alsmede dat in verband hiermee ten onrechte niet-ontvankelijkverklaring van belanghebbende in haar bezwaar achterwege is gebleven. 3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen 3.1. In geschil is het antwoord op de volgende vragen. A. Kan belanghebbende in haar beroep worden ontvangen? Zo ja, B. Zijn de Inspecteur in zijn uitspraak en de Rechtbank er terecht van uitgegaan dat belanghebbende ontvankelijk is in haar bezwaar? Zo neen, C. Moet belanghebbende alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard in haar bezwaar? Zo neen, D. Heeft de voorzieningenrechter het beroep tegen de uitspraak d.d. 30 september 2005 terecht ongegrond verklaard? Belanghebbende beantwoordt de vragen A en B bevestigend en de vragen C en D ontkennend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvattingen toegedaan. 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden vermeld in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd dan wel benadrukt. Belanghebbende Ik heb het verschillende keren aan de ambtenaar gevraagd. Ambtenaar zei: als U uw vrouw op de loonlijst zet, komt het goed. Jammer dat ambtenaar niet komt. Zaken zijn anders gelopen als wordt voorgesteld. We hebben bedrijf opgericht, kosten gemaakt, ruimten gehuurd. En nu gaat het allemaal over het begrip hoofdzakelijk. Als we alles hadden geweten, hadden we het anders gedaan. Er wordt nu met een nieuwe vrijstelling gewerkt, maar daar gaat het niet om. De Inspecteur Het vragen van een vrijstelling kost niets. Over gemaakte kosten in de onderhavige zaak is niets komen vast te staan. Hooguit eventueel aanleiding voor een forfaitaire proceskostenvergoeding. De artikelen 2 en 3 van het Uitvoeringsbesluit hebben eigen voorwaarden en beperkingen. Het antwoord van de Staatssecretaris op vragen van Tweede Kamerleden over de vrijstellingsmogelijkheden in het Uitvoeringsbesluit BPM doet geen afbreuk aan mijn mening. Schade, oprichtingskosten? Heeft niets te maken met procedure bij Rechtbank. Er is door de ambtenaar geen vertrouwen gewekt. 3.3.1. Belanghebbende concludeert dat zij in haar hoger beroep ontvankelijk is. Voor het geval het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur gegrond is, concludeert belanghebbende in haar aanvullende pleitnota tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank. Voor het geval het hoger beroep van belanghebbende ongegrond (lees: gegrond) is, concludeert belanghebbende in haar aanvullende pleitnota tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, alsmede, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en vernietiging van diens besluit, houdende intrekking van de vrijstelling. 3.3.2. De Inspecteur concludeert primair tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep. Subsidiair concludeert de Inspecteur tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en niet-ontvankelijkverklaring van belanghebbende in haar bezwaar. Meer subsidiair concludeert de Inspecteur tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en bevestiging van de uitspraak van de Inspecteur. 4. Beoordeling van het geschil 4.1.1. De Inspecteur heeft in zijn incidenteel hoger beroep gesteld dat zowel de Inspecteur als de Rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat tegen de intrekking van de beschikking een rechtsmiddel openstond, alsmede dat in verband hiermee ten onrechte niet-ontvankelijkverklaring van belanghebbende in haar bezwaar achterwege is gebleven. 4.1.2. Bij gegrondverklaring van die stellingen moet worden beslist conform de in 3.3.2 vermelde, subsidiaire conclusie van de Inspecteur. Aan belanghebbende dient dan het door haar betaalde griffierecht ad € 138 (Rechtbank) + € 103 te worden vergoed. Ook dient dan te worden beoordeeld in hoeverre belanghebbende recht heeft op vergoeding van gemaakte (proces)kosten. Belanghebbende had bij de hiervoor in de eerste zin vermelde mogelijkheid derhalve belang. Belanghebbende heeft ook aangegeven tegen welke beslissingen van de Rechtbank haar hoger beroep zich richt. Belanghebbende kan in haar hoger beroep worden ontvangen. Het gelijk bij vraag A onder 3.1 is aan belanghebbende. 4.2. Belanghebbende heeft bij herhaling het Hof verzocht door belanghebbende voorgestelde getuigen op te roepen. Bij brief van 14 november 2007 aan belanghebbende heeft het Hof aangegeven zelf geen behoefte te hebben aan het oproepen van getuigen. In de uitnodiging d.d. 14 november 2007 aan partijen voor de mondelinge behandeling van het beroep op 14 december 2007 is, evenals in de eerder verzonden uitnodigingen voor een mondelinge behandeling, aangegeven dat door de geadresseerde getuigen kunnen worden meegebracht of bij aangetekende brief of deurwaardersexploit kunnen worden opgeroepen. 4.3.1. Op grond van artikel 14 van de Wet BPM juncto artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit BPM kan vrijstelling van belasting worden verleend voor personenauto's die zijn geregistreerd in het buitenland en door een in dat land gevestigde werkgever ter beschikking zijn gesteld aan een als werknemer bij hem in dienst zijnde in Nederland wonende persoon, indien is voldaan aan ondermeer de voorwaarde dat de personenauto hoofdzakelijk is bestemd voor de uitoefening van de werkzaamheden van de werknemer buiten Nederland, alsmede voor persoonlijk gebruik, gebruik door inwonende gezinsleden daaronder begrepen. Artikel 2, tweede lid van het Uitvoeringsbesluit BPM bepaalt dat de vrijstelling door de inspecteur op verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking wordt verleend. Ingevolge artikel 2, vierde lid van het Uitvoeringsbesluit BPM trekt de inspecteur de vrijstelling in indien de omstandigheden, vereist voor het verlenen van de vrijstelling, zich niet langer voordoen. 4.3.2. Voormeld besluit van 3 juni 2005, waartegen belanghebbendes bezwaar was gericht, is niet een voor bezwaar vatbare beschikking. Anders dan in artikel 2, tweede lid van het Uitvoeringsbesluit BPM is vermeld over de mogelijkheid van bezwaar, is in artikel 2, vierde lid van dat Uitvoeringsbesluit de mogelijkheid van bezwaar niet opgenomen. De mededeling in het besluit van 3 juni 2005 dat "dit een voor bezwaar vatbare beschikking (is)", is derhalve onjuist. Vraag B onder 3.1 moet, conform het nadere standpunt van de Inspecteur, ontkennend worden beantwoord. 4.4.1. Belanghebbende heeft in haar pleitnota d.d. 22 november 2007 gesteld dat met het besluit van 3 juni 2003 haar rechten zijn vastgelegd. Voor wat de hiervoor weergegeven mededeling betreft, heeft zij zich beroepen op het vertrouwensbeginsel, als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Verder heeft belanghebbende gesteld dat zij ook van de Rechtbank mag verwachten dat deze de "juridische spelregels" kent. Ook hier heeft belanghebbende zich beroepen op het vertrouwensbeginsel, als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. 4.4.2. Een wettelijke regeling ingevolge welke tegen een bepaald besluit al dan niet een rechtsmiddel openstaat, is van openbare orde. Een dergelijke regeling kan niet op grond van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur ter zijde worden gesteld. Dit betekent dat aan belanghebbende niet op grond van het vertrouwensbeginsel een rechtsmiddel kan worden toegekend dat haar volgens de wet niet toekomt. Verder merkt het Hof op dat rechterlijke beslissingen niet vatbaar zijn voor toetsing aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 4.5. Gelet op het in 4.3.2 en 4.4.2 vermelde moet belanghebbende, onder vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur, alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard in haar bezwaar. Het gelijk bij vraag C onder 1.3 is aan de Inspecteur. 4.6. Nu belanghebbende alsnog niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar bezwaar, behoeft vraag D onder 3.1 geen behandeling meer. 5. Schadevergoeding 5.1. Belanghebbende heeft in haar pleitnota en aanvullende pleitnota het Hof verzocht om toekenning en vergoeding van gemaakte on(kosten), evenals geleden financiële schade, verder verhoogd met vergoeding van gemaakte (on)kosten en geleden (financiële) schade door A en C. 5.2. Het Hof heeft belanghebbende ter zitting verzocht haar verzoek als in 5.1 weergegeven nader toe te lichten. Belanghebbende heeft daarop geantwoord als in 3.2 weergegeven. Daarmee is niet aannemelijk geworden dat belanghebbende, als gevolg van het optreden van de Inspecteur, buiten gemaakte proceskosten enige schade heeft geleden. Het Hof acht geen termen aanwezig met toepassing van artikel 8:73 van de Awb een veroordeling tot vergoeding van schade uit te spreken. 6. Griffierecht De uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd. Aan belanghebbende dient het door haar betaalde griffierecht ad € 138 (Rechtbank) + € 103 (Hof) te worden vergoed, derhalve totaal € 241. 7. Proceskosten 7.1. Nu de uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. 7.2. Belanghebbendes gemachtigde voornoemd was evenals belanghebbende werkzaam in wijnhandel A en vervolgens bij de nieuw opgerichte vennootschap onder firma C, eveneens een wijnhandel. Hieruit leidt het Hof af dat belanghebbendes gemachtigde zowel in de procedure bij de Rechtbank als in de procedure bij het Hof niet als beroepsgemachtigde is opgetreden. Het tegendeel is niet aannemelijk geworden. 7.3. Het Hof heeft belanghebbende ter zitting gevraagd naar de door haar gemaakte proceskosten. Belanghebbende heeft verklaard dat door haar, in de persoon van haar gemachtigde, reiskosten zijn gemaakt van Y naar Breda vice versa (procedure bij Rechtbank) en van Y naar 's-Hertogenbosch vice versa (procedure bij Hof). Die kosten komen voor vergoeding in aanmerking op basis van kosten openbaar vervoer (waaronder NS 2e klas). Het Hof stelt de reiskosten voor de procedure bij de Rechtbank vast op € 45 en voor de procedure bij het Hof op € 34. Voor vergoeding komt derhalve in aanmerking € 79. 8. Beslissing Het Hof: - vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, - vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, - verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in haar bezwaar, - gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door haar in totaal bij de Rechtbank en het Hof betaalde griffierecht ad € 241, - veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 79 en - wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden. Aldus gedaan op: 12 juni 2008 door A. Bijlsma, voorzitter, J.W. Verstraate en V.M. van Daalen-Mannaerts, in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden. Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
ECLI:NL:HR:2007:BA2802
Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar binnenlands inkomen van ƒ 312.743, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar binnenlands inkomen van nihil en de Inspecteur veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 9075. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2011:BP2975
Het geding in feitelijke instanties Aan belanghebbende is over het jaar 2002 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummer BRE 16/3933 uitspraak van 23 februari 2017 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende, en de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van de ontvanger van 10 mei 2016 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking aansprakelijkstelling ( [kenmerk] ).

Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2017 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van [persoon A] (de vader van belanghebbende) en de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde 1] , en namens de ontvanger, [gemachtigde 2] , [gemachtigde 3] en [gemachtigde 4] . 1Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar; verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk; - veroordeelt de ontvanger in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 990; - gelast dat de ontvanger het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan deze vergoedt. 2Gronden 2.1.

Belanghebbende was certificaathouder van de door de [Stichting] gehouden aandelen in [A BV] ( [A BV] ). [A BV] hield alle aandelen van [B BV] ( [B BV] ). Belanghebbende was bestuurder van [A BV] en van [B BV] 2.2. Aan [B BV] zijn over de tijdvakken maart 2012 tot en met juni 2012 diverse naheffingsaanslagen omzetbelasting en loonheffingen opgelegd die onbetaald zijn gebleven. 2.3. Op 27 februari 2013 zijn de faillissementen van [B BV] en [A BV] uitgesproken. 2.4. Bij beschikking van 13 november 2015 is belanghebbende met toepassing van artikel 36 van de Invorderingswet 1990 (hierna:

IW) als bestuurder aansprakelijkheid gesteld voor een bedrag van € 68.866 in verband met de in 2.2 bedoelde belastingschulden (hierna: de beschikking). 2.5. De ontvanger heeft de beschikking per aangetekende post op 13 november 2015 aan belanghebbende gestuurd. De enveloppe met de beschikking is op 8 januari 2016 retour ontvangen door de ontvanger met de melding ‘Niet afgehaald’. 2.6. Na ontvangst van een aanmaning heeft belanghebbende direct contact gezocht met de ontvanger en is tijdens een gesprek op 18 februari 2016 aan hem de beschikking overhandigd.

In een email van 22 februari 2016 heeft de ontvanger het volgende vermeld:“Nu de beschikking op 18 februari 2016 is overhandigd, geef ik u ook de termijn van 6 weken om een gemotiveerd bezwaarschrift in te dienen. Ik zal de invorderingsmaatregelen stop zetten”. 2.7. Belanghebbende heeft met dagtekening 18 maart 2016, ontvangen door de ontvanger op 21 maart 2016, bezwaar gemaakt tegen de beschikking. De ontvanger heeft het bezwaar van belanghebbende bij de uitspraak op bezwaar van 10 mei 2016 ongegrond verklaard. Hierbij heeft de ontvanger gesteld dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. 2.8.

In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:1) dient het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard in verband met niet-verschoonbaarheid van de overschrijding van de bezwaartermijn? 2) indien het antwoord op de eerste vraag ontkennend luidt is in geschil of de ontvanger de uitspraak op bezwaar deugdelijk heeft gemotiveerd, of de hoorplicht in bezwaar is geschonden en of belanghebbende terecht en tot het juiste bedrag op grond van artikel 36 IW aansprakelijk is gesteld. Ontvankelijkheid van het bezwaar 2.9. De ontvanger heeft zich kort voor de zitting, per brief van 27 januari 2017, alsnog op het standpunt gesteld dat het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in verband met niet-verschoonbaarheid van de overschrijding van de bezwaartermijn.

Belanghebbende heeft gesteld dat hij de beschikking op 18 februari 2016 op het kantoor van de ontvanger in ontvangst heeft genomen en dat hij niet wist van de eerdere aanbieding per aangetekende post in verband met het ontbreken van een afhaalbericht. De overschrijding van de bezwaartermijn kan volgens belanghebbende niet worden beoordeeld nu de ontvanger in de uitspraak op bezwaar heeft overwogen dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding en hij geen incidenteel beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft zich voorts beroepen op de in 2.6 genoemde email.

Tot slot heeft belanghebbende gesteld dat de ontvanger pas zeer kort voor de zitting op zijn standpunt is teruggekomen en dat hiermee algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden geschonden. 2.10. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken (artikel 6:7 van de Awb). Deze termijn vangt aan op de dag na die van dagtekening van het afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking (artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen (artikel 6:9 van de Awb).

Bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift blijft een niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (artikel 6:11 van de Awb). 2.11. De rechtbank stelt voorop dat de wettelijke regeling over een bezwaartermijn van openbare orde is. Toetsing bij de rechter kan derhalve ook plaatsvinden als de ontvanger in de uitspraak op bezwaar de termijnoverschrijding verschoonbaar heeft geacht. 2.12. De ontvanger heeft aannemelijk gemaakt dat op 13 november 2015 de beschikking met de juiste naam en adressering aan belanghebbende is gestuurd per aangetekend post.

Uit het door de ontvanger overgelegde overzicht van PostNL blijkt dat door PostNL de beschikking op regelmatige wijze op het adres van belanghebbende is aangeboden. Het niet ophalen van het poststuk op het kantoor van PostNL komt voor rekening en risico van belanghebbende (vgl. Hoge Raad van 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1775). Belanghebbende heeft gesteld dat PostNL geen afhaalbericht heeft achtergelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten.

Hiermee is de beschikking naar het oordeel van de rechtbank op 13 november 2015 op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. De bezwaartermijn liep met voorbijgaan aan de Algemene termijnenwet, tot en met vrijdag 25 december 2015. Met inachtneming van die wet eindigde de bezwaartermijn op maandag 28 december 2015. Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift gedagtekend 18 maart 2016, ontvangen door de ontvanger op 21 maart 2016 is buiten de bezwaartermijn ingediend. 2.13. Naar het oordeel van de rechtbank kan een ná het einde van de bezwaartermijn gedane toezegging of inhoudelijke beoordeling van het bezwaar, zoals in het onderhavige geval niet tot het gevolg leiden dat binnen de bezwaartermijn bezwaar is aangetekend dan wel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

De bezwaartermijn is van openbare orde en de ontvanger kan deze niet verlengen (Hoge Raad 22 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8419). Partijen kunnen geen rechtsgeldige afspraken maken waarbij van deze termijn wordt afgeweken. Evenmin staat het de rechter vrij om van deze termijn af te wijken (zie ook Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 1 juli 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BT8233). Nu partijen geen afspraken mogen maken over de bezwaartermijn kan ook geen geslaagd beroep worden gedaan op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Werking van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur contra legem bij een punt van openbare orde zoals de bezwaartermijn kan niet worden aangenomen (vgl. Hof ‘s-Hertogenbosch 12 juni 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BD5693). 2.14.

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Er zijn enkel feiten en omstandigheden aangevoerd die zich na het verstrijken van de termijn voordoen en deze raken niet de vraag of belanghebbende ten aanzien van het verstrijken van de termijn in verzuim is geweest. 2.15. Gelet op het vorenstaande is het bezwaar ten onrechte ontvankelijk verklaard. Het beroep van belanghebbende is gegrond. De rechtbank zal het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaren wegens niet-verschoonbaarheid van de overschrijding van de bezwaartermijn.

De rechtbank komt dan niet meer toe aan het subsidiaire geschilpunt. Proceskosten 2.16. Belanghebbende verzoekt om een vergoeding van de werkelijke kosten van de beroepsfase nu hij tot kort voor de zitting ervan uitging dat de zaak inhoudelijk zou worden behandeld en hij gelet op de uitspraak op bezwaar en de uitlatingen van de ontvanger geen reden had aan te nemen dat de ontvankelijkheid van het bezwaar een geschilpunt was. 2.17. Voor toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) is grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking geeft of uitspraak doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (vergelijk Hoge Raad van 13 april 2007, nr. 41 235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802).

Ook kunnen dergelijke omstandigheden zich voordoen indien het bestuursorgaan in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (vergelijk Hoge Raad 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975). 2.18. Niet aannemelijk is geworden dat de ontvanger bewust handelde in strijd met de geldende wet- en regelgeving. De rechtbank acht de handelswijze van de ontvanger onzorgvuldig, maar niet zodanig onzorgvuldig dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit rechtvaardigen. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

In menig procedure bestaat discussie over de waardering van het bewijs van de bekendmaking van beschikkingen en van de indiening van bezwaar- of beroepschriften alsmede over het antwoord op de vraag of een aangevoerde reden voldoende is voor verschoonbaarheid. Slechts met inachtneming van de nodige terughoudendheid kan daarom worden beslist dat een ingenomen standpunt over ontvankelijkheidsvraagstukken tegen beter weten in is betrokken. Voorts is belanghebbende ook in de bezwaarfase bijgestaan door een professioneel rechtsbijstandverlener en is aannemelijk dat de gerede twijfel die mogelijk is omtrent de juistheid van de ontvankelijkverklaring van het bezwaar is meegewogen bij de gemaakte keuzes betreffende de door de gemachtigde verrichte proceshandelingen.

Niet vastgesteld kan worden dat de gemaakte kosten in betekende mate mede aan de ontvanger zijn te wijten. Gelet ook op het feit dat het beroep gegrond gaat in verband met een ontvankelijkheidsvraag ziet de rechtbank onvoldoende grond voor een vergoeding van de werkelijke kosten. 2.19. De rechtbank vindt aanleiding de ontvanger te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1).

Hierbij houdt de rechtbank rekening met het feit dat belanghebbende tot kort voor de zitting ervan uitging dat de ontvankelijkheid van het bezwaar geen geschilpunt was en hij het beroep en de zitting op inhoudelijke gronden heeft ingesteld en voorbereid. Deze uitspraak is gedaan op 23 februari 2017 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B. Knezevic, griffier. De griffier, De rechter, Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden.

De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR). Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep. Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.