Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2020:7883 ECLI:NL:RBROT:2020:7883 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2020:7883 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2020:7883
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummers: ROT 20/3076, ROT 20/3078, ROT 20/3080, ROT 20/3081, ROT 20/3082, ROT 20/3083, ROT 20/3085, ROT 20/3092, ROT 20/3095, ROT 20/3097, ROT 20/3098, ROT 20/3414, ROT 20/3464, ROT 20/3480, ROT 20/3481, ROT 20/3482, ROT 20/3484, ROT 20/3485, ROT 20/3487, ROT 20/3488, ROT 20/3492, ROT 20/3497, ROT 20/4133, ROT 20/4139, ROT 20/4142 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2020 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen [Naam] en 24 anderen (zie bijlage 1), eisers, allen te [Plaats], gemachtigde: mr.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 1:3 van de Awb, artikel 2:2 van de Awb; ECLI:NL:RBROT:2020:7883 · Rechtbank Rotterdam: Niet in geschil is dat eisers woningzoekenden zijn, dat zij daarmee ieder belanghebbende zijn bij hun individuele verzoek om urgentieverklaring en dat een urgentieverklaring of afwijzing daarvan een besluit is in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb.

Keywords

AI generated
demonstrated urgency unjustified procedural delay untimely request for extension statute of limitations bar delayed asylum application timeliness of filing

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
artikel 1:3 van de Awb
Een brief waarin een bestuursorgaan zich naar aanleiding van een verzoek uitlaat over zijn gepretendeerde bevoegdheid is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
artikel 2:2 van de Awb
In dit verband merkt de rechtbank op dat er geen beslissing van SUWR of verweerder voorligt in de zin van artikel 2:2 van de Awb.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2010:BL4154
Procesverloop Bij brief van 7 november 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) aan [appellant] medegedeeld dat het zijn verzoek van 21 oktober 2008 om voorrang bij bemiddeling naar woonruimte in een andere gemeente dan Zaanstad, niet in behandeling zal nemen. Bij besluit van 28 november 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 17 juni 2009, verzonden op 18 juni 2009, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
ECLI:NL:CRVB:2012:BW9092
11/4292 WW (gerectificeerde uitspraak) Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 7 juli 2011, 11/169 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [A. te B. ] (betrokkene) en appellant. Datum uitspraak: 20 juni 2012 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. M.J. Gerrits een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2012.
ECLI:NL:RVS:2013:245
201301213/1/A4. Datum uitspraak: 10 juli 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Arcen, gemeente Venlo, tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 21 januari 2013 in zaak nr. 12/620 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Venlo. Procesverloop [appellant] heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Bij uitspraak van 21 januari 2013 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van het beroep kennis te nemen.
ECLI:NL:RVS:2017:3568
201700586/1/A1. Datum uitspraak: 27 december 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Oosterhout, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 december 2016 in zaak nr. 16/5112 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout. Procesverloop Bij uitspraak van 17 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:388, heeft de Afdeling, voor zover hier van belang, de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 maart 2015 in zaak nr. 14/2992 vernietigd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het in die uitspraak vernietigde besluit van het college van 1 april 2014 in stand zijn gelaten.
ECLI:NL:CRVB:2016:4941
15/5036 APPA Datum uitspraak: 22 december 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak in het geding tussen Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Gilze en Rijen (college) PROCESVERLOOP Bij brief van 22 november 2013 heeft appellante het college verzocht om voortzetting vanaf 30 april 2014 van haar uitkering op grond van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa). Bij brief van 21 april 2015 heeft het college geweigerd een besluit te nemen op de aanvraag van appellante.
ECLI:NL:CRVB:2019:924
175487 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juli 2017, 17/339 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het Drechtstedenbestuur (bestuur) Datum uitspraak: 19 maart 2019 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2017. Voor appellante is [gemachtigde] verschenen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. de Wolf. OVERWEGINGEN 1.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummers: ROT 20/3076, ROT 20/3078, ROT 20/3080, ROT 20/3081, ROT 20/3082, ROT 20/3083, ROT 20/3085, ROT 20/3092, ROT 20/3095, ROT 20/3097, ROT 20/3098, ROT 20/3414, ROT 20/3464, ROT 20/3480, ROT 20/3481, ROT 20/3482, ROT 20/3484, ROT 20/3485, ROT 20/3487, ROT 20/3488, ROT 20/3492, ROT 20/3497, ROT 20/4133, ROT 20/4139, ROT 20/4142 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2020 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen [Naam] en 24 anderen (zie bijlage 1), eisers, allen te [Plaats], gemachtigde: mr.

N. Köse-Albayrak, en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder, gemachtigde: N.L. Snoeij. Procesverloop Eisers hebben ieder verweerder verzocht toepassing te geven aan artikel 2.1, vierde lid, van Bijlage 1 bij de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2015 (lees: de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2019; de Verordening) door zelf een urgentieverklaring af te geven. Verweerder heeft eisers in alle zaken bericht dat de bevoegdheid om te beslissen op urgentieverzoeken binnen Rotterdam niet aan hem toekomt, maar aan de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond (SUWR).

Eisers hebben beroep ingesteld omdat verweerder volgens hen niet tijdig op hun aanvragen heeft beslist. Overwegingen 1. De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

2. Het wettelijk kader is opgenomen in bijlage 2 bij de uitspraak. 3.1 Statempire B.V. heeft, handelend onder de naam MijnUrgentie, namens diverse woningzoekenden urgentieaanvragen ingediend bij Stichting Woonbron (Woonbron), een corporatie als bedoeld in artikel 2.2, zesde lid, van Bijlage I bij de Verordening. Woonbron heeft de dossiers onbehandeld geretourneerd. 3.2 Woonbron heeft MijnUrgentie op 10 maart 2020 samengevat bericht dat MijnUrgentie telkens wil dat duidelijk onhaalbare aanvragen in ontvangst worden genomen en dat zij daarbij haar klanten op kosten jaagt en daarmee niet handelt in hun belang.

Woonbron vermeldt verder dat zij kosteloos de werkwijze uitvoert op grond van de Verordening door aanvragen in ontvangst te nemen en de aanvrager daarbij te ondersteunen. Woonbron ziet daarom geen meerwaarde in de dienstverlening van MijnUrgentie. Ook maakt Woonbron in deze brief melding van niet nader omschreven klachten van haar medewerkers over de handelwijze van MijnUrgentie. Ten slotte vermeldt Woonbron dat zij geen aanvragen meer in behandeling zal nemen die door MijnUrgentie worden ingediend en dat de dossiers die MijnUrgentie indient worden teruggestuurd. 3.3 De advocaat van MijnUrgentie heeft Woonbron vervolgens op 20 maart 2020 onder meer bericht dat het niet aan Woonbron is de meerwaarde van de dienstverlening van MijnUrgentie te beoordelen.

Zij verzoekt dan ook om de dossiers alsnog in behandeling te nemen. 3.4 De advocaat van Woonbron heeft op 24 maart 2020 de advocaat van MijnUrgentie in gelijke zin bericht als in de genoemde brief van Woonbron. 4.1 De advocaat van MijnUrgentie heeft vervolgens SUWR bij brief van 1 april 2020 ervan op de hoogte gesteld dat Woonbron sinds enige weken dossiers die MijnUrgentie namens woningzoekenden indient, onbehandeld retourneert omdat Woonbron geen meerwaarde in de dienstverlening van MijnUrgentie ziet. SUWR wordt verzocht om ofwel te bevestigen dat MijnUrgentie voortaan zelf dossiers bij SUWR kan indienen ofwel het ertoe leidt dat Woonbron de dossiers voortaan weer in behandeling neemt en doorstuurt aan SUWR. 4.2 Bij brief van 30 april 2020 heeft SUWR hierop geantwoord dat MijnUrgentie, gelet op artikel 2.2, zesde lid, van Bijlage I bij de Verordening, geen aanvragen rechtstreeks bij SUWR kan indienen en dat woningzoekenden zich tijdens een intakegesprek door Woonbron weliswaar kunnen laten bijstaan door een gemachtigde zoals bijvoorbeeld MijnUrgentie, maar slechts nadat de woningzoekende zelf een intakegesprek heeft aangevraagd.

Het vooraf indienen van aanvragen en/of documenten door MijnUrgentie heeft dus geen zin. 5.1 MijnUrgentie heeft in alle 25 zaken verweerder verzocht om toepassing te geven aan artikel 2.1, vierde lid, van Bijlage 1 bij de Verordening door zelf op de aanvragen te beslissen. MijnUrgentie heeft verweerder daarbij gewezen op de handelwijze van Woonbron en op de correspondentie met Woonbron en SUWR. 5.2 Verweerder heeft MijnUrgentie in alle 25 gevallen schriftelijk bericht dat op grond van artikel 2.1, tweede lid, van Bijlage 1 bij de Verordening de bevoegdheid te beslissen op urgentieverzoeken binnen Rotterdam niet toekomt aan verweerder, maar aan SUWR.

Daarom kan verweerder, naar hij stelt, niet in gebreke zijn om tijdig een besluit te nemen. In deze brieven van verschillende data (de 25 brieven) heeft verweerder MijnUrgentie verder bericht dat er een zorgvuldige procedure is opgesteld voor het aanvragen van urgentie waarop SUWR beslist en dat MijnUrgentie ook bekend is met de procedure. Omdat MijnUrgentie zelf zeer strikt is ten aanzien van de Algemene verordening gegevensbescherming en de registratie van persoonsgegevens, heeft verweerder het verzoek niet doorgezonden aan SUWR. Wanneer MijnUrgentie een reactie van SUWR wil, verzoekt verweerder haar daartoe zelf met SUWR contact op te nemen.

Verweerder heeft alle 25 dossiers afgeleverd ten kantore van MijnUrgentie.

6. De gemachtigde van eiseres heeft vervolgens in alle 25 gevallen beroep ingesteld omdat verweerder niet tijdig zou hebben besloten op de aanvragen om toepassing van artikel 2.1, vierde lid, van Bijlage 1 bij de Verordening.

7. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

8. Op grond van de artikelen 2.1 en 2.2 van Bijlage I bij de Verordening kunnen urgentieaanvragen worden ingediend bij het bevoegde college van burgemeester en wethouders (het college) van de betrokken gemeente dat op de aanvraag beslist. Voor een aantal gemeenten, waaronder Rotterdam, geldt op grond van deze artikelen echter dat de urgentieaanvraag moet worden ingediend bij de woningcorporatie en dat vervolgens SUWR op die aanvraag beslist. Artikel 2.1, vierde lid, van Bijlage 1 bij de Verordening voorziet in de mogelijkheid dat, wanneer SUWR bevoegd is, het college de beslissingsbevoegdheid niettemin naar zich toetrekt. Daarbij kan het college, gelet op de tweede zin van dit artikellid, besluiten dat SUWR categorisch niet meer bevoegd is deze besluiten te nemen, maar dat hoeft dus niet.

9. Niet in geschil is dat eisers woningzoekenden zijn, dat zij daarmee ieder belanghebbende zijn bij hun individuele verzoek om urgentieverklaring en dat een urgentieverklaring of afwijzing daarvan een besluit is in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb.

10. Een brief waarin een bestuursorgaan zich naar aanleiding van een verzoek uitlaat over zijn gepretendeerde bevoegdheid is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Dit is slechts anders wanneer evident is dat het bestuursorgaan geen enkele bevoegdheid toekomt en in dat geval ligt er dan ook geen aanvraag voor. Omdat, zoals hiervoor is overwogen, verweerder de beslissingsbevoegdheid, die bij de Verordening is verleend aan SUWR, categorisch of per geval naar zich toe kan trekken, is een verzoek daartoe een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Dit betekent dat de 25 brieven waarin verweerder zich uitlaat over zijn bevoegdheid kunnen worden aangemerkt als evenzovele besluiten in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb.

11. De 25 brieven zouden ook kunnen worden aangemerkt als een weigering besluiten te nemen, omdat verweerder kennelijk niet van zins is de beslissingsbevoegdheid naar zich toe te trekken. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb moeten de 25 brieven dan niettemin gelijkgesteld worden aan evenzovele besluiten.

12. De 25 beroepen moeten dan ook worden aangemerkt als te zijn gericht tegen de 25 brieven van verweerder, die korter dan zes weken voor de ingestelde beroepen zijn verzonden. Indien is beslist of indien schriftelijk is geweigerd om te beslissen, is het niet mogelijk om vervolgens beroep in te stellen wegens niet tijdig beslissen, want daartoe strekt artikel 6:12, tweede lid, van de Awb niet. Anders dan in het geval van niet tijdig beslissen in de zin van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb, staat tegen besluiten in de zin van artikel 1:3 en tegen de schriftelijke weigering besluiten te nemen als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb geen rechtstreeks beroep open bij de rechtbank op grond van artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Dit betekent dat, gelet op de hoofdregel van artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, eerst bij verweerder bezwaar dient te worden gemaakt.

13. Gelet hierop zijn de beroepen niet-ontvankelijk. Omdat verweerder in het kader van deze beroepszaken over dezelfde stukken beschikt als de rechtbank, ziet de rechtbank ervan af toepassing te geven aan artikel 6:15, tweede lid, van de Awb, maar zal zij bepalen dat verweerder de beroepschriften in behandeling dient te nemen als bezwaarschriften.

14. Met het oog op de te verrichten heroverweging merkt de rechtbank het volgende op. De rechtbank acht de handelwijze van verweerder in deze zaken opmerkelijk, nu verweerder er van op de hoogte was dat Woonbron weigerde aanvragen die met tussenkomt van MijnUrgentie zijn ingediend in behandeling te nemen en door te sturen naar SUWR en SUWR op haar beurt MijnUrgentie heeft bericht dat het niet mogelijk is aanvragen rechtstreeks bij haar in te dienen. In dit verband merkt de rechtbank op dat er geen beslissing van SUWR of verweerder voorligt in de zin van artikel 2:2 van de Awb.

Dit betekent dat het door de genoemde instanties zonder meer weigeren om aanvragen die door MijnUrgentie namens eisers zijn ingediend in ontvangst te nemen en in behandeling te nemen in strijd is met (onder meer) de artikelen 2:1, 4:5 en 4:13 van de Awb. Uit de berichten van Woonbron en de brief van SUWR van 30 april 2020 blijkt verder dat zowel Woonbron als SUWR menen dat zij de vrijheid hebben om aan het indienen van een aanvraag de voorwaarde te kunnen stellen dat de woningzoekende in persoon voorafgaand aan de indiening van de aanvraag met Woonbron een intakegesprek aangaat.

Een dergelijke eis volgt niet uit de Verordening en is in strijd met de Awb. Het ligt dan ook op de weg van verweerder, die in deze net als SUWR een bevoegdheid toekomt, om zich in het kader van de heroverweging te bezinnen over de wenselijkheid van het al dan niet naar zich toetrekken van de beslissingsbevoegdheid in deze zaken. Daarbij kan een rol spelen of met Woonbron en SUWR alsnog afspraken gemaakt kunnen worden over de afdoening van de voorliggende aanvragen.

15. Nu geen sprake is van niet tijdig beslissen, komt de rechtbank niet toe aan het verzoek van eisers om de door verweerder verbeurde dwangsommen vast te stellen.

16. Gelet op de omstandigheid dat in de 25 brieven een bezwaarclausule ontbreekt en gelet op de handelwijze van de betrokken instanties, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder het door eisers verschuldigde griffierecht in deze zaken dient te vergoeden.

17. De rechtbank ziet om dezelfde redenen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 787,50 (1 punt voor het indienen van de beroepschriften met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1,5 vanwege het aantal samenhangende (identieke) zaken). Beslissing De rechtbank: verklaart de 25 beroepen niet-ontvankelijk; bepaalt dat verweerder de beroepschriften als bezwaarschriften in behandeling neemt; bepaalt dat verweerder aan eisers het betaalde griffierecht van € 4.450,- (25 x € 178,-) vergoedt; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 787,50.

Deze uitspraak is op 10 september 2020 gedaan door mr. E. Lunenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. Openbaarmaking van de uitspraak vindt plaats door publicatie op rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. Bijlage 1 Eisers:

Zaaknummers: [Naam] ROT 20/3076 [Naam] ROT 20/3078 [Naam] ROT 20/3080 [Naam] ROT 20/3081 [Naam] ROT 20/3082 [Naam] ROT 20/3083 [Naam] ROT 20/3085 [Naam] ROT 20/3092 [Naam] ROT 20/3095 [Naam] ROT 20/3097 [Naam] ROT 20/3098 [Naam] ROT 20/3414 [Naam] ROT 20/3464 [Naam] ROT 20/3480 [Naam] ROT 20/3481 [Naam] ROT 20/3482 [Naam] ROT 20/3484 [Naam] ROT 20/3485 [Naam] ROT 20/3487 [Naam] ROT 20/3488 [Naam] ROT 20/3492 [Naam] ROT 20/3497 [Naam] ROT 20/4133 [Naam] ROT 20/4139 [Naam] ROT 20/4142 Bijlage 2 De Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“Artikel 1:3 1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2. Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.

3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen. (…) Artikel 2:1 1. Een ieder kan zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

2. Het bestuursorgaan kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen. Artikel 2:2 1. Het bestuursorgaan kan bijstand of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan, weigeren.

2. De belanghebbende en de in het eerste lid bedoelde persoon worden van de weigering onverwijld schriftelijk in kennis gesteld.

3. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van advocaten. Artikel 2:3 1. Het bestuursorgaan zendt geschriften tot behandeling waarvan kennelijk een ander bestuursorgaan bevoegd is, onverwijld door naar dat orgaan, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender.

2. Het bestuursorgaan zendt geschriften die niet voor hem bestemd zijn en die ook niet worden doorgezonden, zo spoedig mogelijk terug aan de afzender. Artikel 4:5 1 Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien: a. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of (…) c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Artikel 4:13 1. Een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.

2. De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, heeft gedaan. Artikel 6:2 Voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep worden met een besluit gelijkgesteld: a. de schriftelijke weigering een besluit te nemen, en b. het niet tijdig nemen van een besluit. Artikel 6:12 1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, is het niet aan een termijn gebonden.

2. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra: a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. (…) Artikel 6:15 1. Indien het bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde bestuursrechter, wordt het, onder vermelding van de datum van ontvangst, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien in plaats van een bezwaarschrift een beroepschrift is ingediend of omgekeerd. (…) Artikel 7:1 1. Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij: a. het besluit in bezwaar of in administratief beroep is genomen, b. het besluit aan goedkeuring is onderworpen, c. het besluit een goedkeuring of een weigering daarvan inhoudt, d. het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4, e. het besluit is genomen op basis van een uitspraak waarin de bestuursrechter met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onderdeel a, heeft bepaald dat afdeling 3.4 geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijft, f. het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, g. het besluit is genomen op grond van een voorschrift als genoemd in de bij deze wet behorende Regeling rechtstreeks beroep dan wel het besluit anderszins in die regeling is omschreven.

2. Tegen de beslissing op het bezwaar kan beroep worden ingesteld met toepassing van de voorschriften die gelden voor het instellen van beroep tegen het besluit waartegen bezwaar is gemaakt. Artikel 8:55c Indien het beroep gegrond is, stelt de bestuursrechter desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast. De artikelen 611c en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.” De gemeenteraad van Rotterdam heeft eerder de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2015 vastgesteld en nadien met terugwerkende kracht vanaf 26 juni 2019 in de plaats daarvan de gelijkluidende Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2019 (de Verordening) vastgesteld.

Uit artikel 1.1, aanhef en onder t, van de Verordening volgt dat onder urgentieverklaring wordt verstaan: de urgentieverklaring als bedoeld in artikel 2.1 van Bijlage I zijnde de beschikking waarmee de indeling van woningzoekenden in een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014 plaatsvindt. Bijlage I bij de Verordening luidt – voor zover hier van belang – als volgt: “Artikel 2.1. Bevoegdheid tot verlening van een urgentieverklaring 1. Op een aanvraag om een urgentieverklaring beslist het college van burgemeester en wethouders bij wie de aanvraag ingevolge artikel 2.2, tweede lid, van deze Bijlage ingediend moet worden.

2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid beslist in plaats van het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten Maassluis, Vlaardingen, Rotterdam en Schiedam het bestuur van de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond.

3. De colleges van burgemeester en wethouders van de regiogemeenten dragen zorg voor een eenduidige uitvoering van het in deze paragraaf bepaalde. Eventuele beleidsregels aangaande de uitvoering van de in deze paragraaf genoemde bevoegdheden, stellen de colleges in gezamenlijkheid en na overleg met de corporaties, vast.

4. Elk college van burgemeester en wethouders genoemd in het tweede lid kan besluiten om de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid zelf uit te oefenen. Daarbij kan een college besluiten dat het bestuur van de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond niet meer tot uitoefening van de in lid 1 bedoelde bevoegdheid bevoegd is.

5. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt een herhuisvestingsverklaring verleend door de corporatie in wier woonruimte de woningzoekende op het moment van verlening van de herhuisvestingsverklaring woonachtig is. Artikel 2.2. Aanvraag om een urgentieverklaring (…) 2. Het huishouden vraagt een urgentieverklaring aan: a. bij het college van burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar het huishouden woont, of b. voor zover het huishouden niet in een regiogemeente woont, bij het college van burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar hij wil gaan wonen; c. bij de corporatie van wie het zijn huidige woonruimte huurt, indien het een aanvraag om een herhuisvestingsverklaring betreft. (…) 6.

Indien het bestuur van de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond ingevolge artikel 2.1, tweede lid, van deze Bijlage bevoegd is op een aanvraag te beslissen, dient het huishouden de aanvraag om een urgentieverklaring in bij een corporatie.” Vergelijk de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 17 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL4154, en de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 20 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW9092. Zie de uitspraak van de ABRvS van 10 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:245. Vergelijk de uitspraken van de ABRvS van 27 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3568 en de CRvB van 22 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4941.

Vergelijk de uitspraak van de CRvB van 19 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:924.