Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2020:424 ECLI:NL:RBROT:2020:424 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2020:424 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2020:424
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 19/2189 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2020 als bedoeld in artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzet van [Naam], te [plaats], opposant, tegen de uitspraak van de rechtbank van 28 augustus 2019 in het geding tussen opposant en de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat, over zijn verzoek om schadevergoeding. Procesverloop Opposant heeft de rechtbank bij brief van 26 april 2019 verzocht om een schadevergoeding vanwege het uitblijven van uitspraken van het gerechtshof Den Haag (het Hof) op in 2015 ingediende hoger beroepschriften tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 6 maart 2015 (zaaknummers ROT 14/5256 en ROT 14/5192).

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBROT:2020:424 · Rechtbank Rotterdam: Uit het systeem van de wet en uit de rechtspraak volgt dat de rechter die bevoegd is te beslissen over een materieel geschil tevens bevoegd is om uitspraak te doen op een beroep wegens het niet tijdig beslissen over die kwestie en over de verschuldigdheid van een dwangsom in dat verband (vgl. ECLI:NL:HR:2013:1797; ECLI:NL:RVS:2010:BM1041 en ECLI:NL:RVS:2013:BZ0722). Verder volgt uit de artikelen 8:88, eerste lid, en 8:90, eerste lid, van de Awb dat de bestuursrechter die bevoegd is te oordelen over het schadeveroorzakende besluit of het niet tijdig nemen van een besluit, tevens bevoegd is te oordelen over een verzoek om schadevergoeding.

Keywords

AI generated
complexity of proceedings right to legal counsel violation of party rights party to proceedings partial claim declining of jurisdiction

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
De rechtbank heeft zich op 28 augustus 2019 bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onbevoegd verklaard (ECLI:NL:RBROT:2019:6583).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBROT:2019:6583
Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 19/2189 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2019 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen [Naam], te [Plaats], eiser, en de Staat der Nederlanden (Minister voor Rechtsbescherming), de Staat, verweerder. Procesverloop Eiser heeft de rechtbank bij brief van 26 april 2019 verzocht om een schadevergoeding vanwege het uitblijven van uitspraken van het gerechtshof Den Haag (het Hof) op in 2015 ingediende hoger beroepschriften tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 6 maart 2015 (zaaknummers ROT 14/5256 en ROT 14/5192).
ECLI:NL:GHSHE:2014:728
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 13/00056 Uitspraak op het hoger beroep van de heer [belanghebbende 1], wonende te [woonplaats], hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Limburg (hierna: de Rechtbank) van 18 januari 2013, nummer AWB 12/461, in het geding tussen belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de gemeente Venlo, hierna: de Heffingsambtenaar, betreffende (het niet tijdig doen van) de uitspraak op bezwaar betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting en het uitblijven van een dwangsombeschikking. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1.
ECLI:NL:RVS:2014:188
201302106/1/A2. Datum uitspraak: 29 januari 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D] en [appellant E], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch (lees: de rechtbank Oost-Brabant) van 1 februari 2013 in zaak nr. 12/14453 in het geding tussen: [appellanten] en de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij uitspraak van 1 februari 2013 heeft de rechtbank Oost-Brabant verzoeken van [appellanten] om vergoeding van schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn afgewezen.
ECLI:NL:HR:2013:1797
20 december 2013 nr. 12/02872 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 5 juni 2012, nr. BK-11/00462, betreffende een beschikking als bedoeld in artikel 4:18 Awb. Bij beschikking van 18 november 2010 heeft de Inspecteur geweigerd een door belanghebbende gevraagde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 Awb vast te stellen (hierna: de beschikking). De beschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd. De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 11/2814 IB/PVV) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en de Staat gelast aan belanghebbende een bedrag van € 153 aan griffierecht te vergoeden. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:RVS:2010:BM1041
Procesverloop Bij besluit van 30 juli 2008 heeft de staatssecretaris het door [appellant] tegen de weigering om te beslissen op zijn verzoek om inzage in zijn volledige fiscale dossier gemaakte bezwaar primair niet-ontvankelijk verklaard. Subsidiair heeft de staatssecretaris een gedeelte van de gevraagde documenten aan [appellant] verstrekt, maar geweigerd de gevraagde documenten openbaar te maken. Bij uitspraak van 1 juli 2009, verzonden op 13 juli 2009, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 juli 2008 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
ECLI:NL:RVS:2013:BZ0722
201113419/1/A3. Datum uitspraak: 6 februari 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 23 december 2011 in zaak nr. 11-5476 in het geding tussen: [appellant] en de officier van justitie, arrondissementsparket Haarlem. Procesverloop Bij uitspraak van 23 december 2011 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het door [appellant] ingestelde beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een beschikking tot vaststelling van een dwangsom door de officier van justitie.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 19/2189 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2020 als bedoeld in artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzet van [Naam], te [plaats], opposant, tegen de uitspraak van de rechtbank van 28 augustus 2019 in het geding tussen opposant en de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat, over zijn verzoek om schadevergoeding. Procesverloop Opposant heeft de rechtbank bij brief van 26 april 2019 verzocht om een schadevergoeding vanwege het uitblijven van uitspraken van het gerechtshof Den Haag (het Hof) op in 2015 ingediende hoger beroepschriften tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 6 maart 2015 (zaaknummers ROT 14/5256 en ROT 14/5192).

De griffier heeft het verzoek doorgezonden naar het Hof, omdat naar het oordeel van de griffier niet de rechtbank maar het Hof bevoegd is. Opposant is van de doorzending bij brief van 2 mei 2019 op de hoogte gesteld. Bij brief van 3 juli 2019 heeft opposant gepersisteerd in zijn verzoek aan de rechtbank om schadevergoeding. De rechtbank heeft zich op 28 augustus 2019 bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onbevoegd verklaard (ECLI:NL:RBROT:2019:6583). Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan. De rechtbank heeft bepaald dat een (nadere) zitting achterwege wordt gelaten.

Overwegingen 1. In de uitspraak waartegen verzet is gedaan is overwogen dat hoewel uit de brief van het Gerechtsbestuur van het Hof (het Gerechtsbestuur) van 12 juli 2016 volgt dat volgens het Gerechtsbestuur geen procedure loopt bij het Hof, er blijkbaar wel onherroepelijke uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) voorliggen, het verzoek van opposant om een schadevergoeding op grond van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niettemin is gestoeld op zijn stelling dat het Hof nog immer in gebreke is uitspraken te doen op zijn hoger beroepen.

Gelet op die insteek van het verzoek is de rechtbank overeenkomstig artikel 8:91, eerste lid, van de Awb kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek. Omdat opposant heeft volhard in zijn stelling dat de rechtbank bevoegd is, zal de rechtbank de brief van opposant van 3 juli 2019 niet doorzenden naar het Hof, maar uitspraak doen.

2. Opposant heeft aangevoerd dat uit de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 maart 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:728) volgt dat het Hof als belastingrechter bevoegd was te beslissen over de verschuldigdheid van een of meer dwangsommen wegens niet tijdig beslissen en dat het Hof in zijn uitspraak van 13 januari 2016 heeft verzuimd uitspraak te doen over de beroepschriften die zien op het niet tijdig beslissen en de verschuldigdheid van dwangsommen. Voorts heeft opposant aangevoerd dat uit de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:188) volgt dat behandeling van het verzoek om schadevergoeding wegens trage rechtspraak kan worden behandeld door een rechtbank en dat de rechtbank gehouden is om het beroepschrift door te sturen naar de bevoegde rechtbank.

Gelet op het tijdstip van indiening van de hoger beroepschriften bij het Hof op 12 en 19 maart 2015 en de omstandigheid dat het Hof nog steeds niet daarop heeft beslist, is volgens opposant de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM ruimschoots verstreken, zodat hij aanspraak maakt op schadevergoeding wegens het niet binnen redelijke termijn doen van een einduitspraak door het Hof.

3. De verzetsrechter stelt, net als in de uitspraak waartegen het verzet is gericht, voorop dat in een geval als dit waarin wordt verzocht om schadevergoeding wegens trage rechtspraak, de Staat als procespartij dient te worden aangemerkt. In die uitspraak staat evenwel tussen haakjes daarachter vermeld de Minister voor Rechtsbescherming. Naar het oordeel van de verzetsrechter moet dit zijn de Minister van Justitie en Veiligheid. Vandaar dat die in aanhef tussen haakjes is opgenomen achter de Staat.

4. Uit het systeem van de wet en uit de rechtspraak volgt dat de rechter die bevoegd is te beslissen over een materieel geschil tevens bevoegd is om uitspraak te doen op een beroep wegens het niet tijdig beslissen over die kwestie en over de verschuldigdheid van een dwangsom in dat verband (vgl. ECLI:NL:HR:2013:1797; ECLI:NL:RVS:2010:BM1041 en ECLI:NL:RVS:2013:BZ0722). Verder volgt uit de artikelen 8:88, eerste lid, en 8:90, eerste lid, van de Awb dat de bestuursrechter die bevoegd is te oordelen over het schadeveroorzakende besluit of het niet tijdig nemen van een besluit, tevens bevoegd is te oordelen over een verzoek om schadevergoeding.

5. Het standpunt van opposant dat de belastingrechter bevoegd is te beslissen over beroepen wegens niet tijdig beslissen en in dat verband dwangsommen toe te kennen is daarom op zichzelf juist, maar die bevoegdheid is er alleen indien het onderliggende geschil gaat over belastingheffing. De uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 maart 2014 waarnaar opposant heeft verwezen ziet op een dergelijke heffing. De geschillen waarin opposant echter meent aanspraak te kunnen maken op dwangsommen wegens niet tijdig beslissen zien – zo blijkt hierna – op twee verzoeken om openbaarmaking op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

In die zaken is de rechtbank in eerste aanleg als algemene bestuursrechter bevoegd en staat hoger beroep open bij de Afdeling. Dat in een van die twee zaken de heffingsambtenaar van de gemeente Binnenmaas (de heffingsambtenaar) het bestuursorgaan is tot wie het Wob-verzoek is gericht maakt dit niet anders (ECLI:NL:RVS:2015:1230 en ECLI:NL:RVS:2016:476). Dit geldt evenzeer in de andere zaak waarin het college van burgemeester en wethouders van Binnenmaas (het college) wordt verzocht om informatie omtrent de heffingsambtenaar (ECLI:NL:RVS:2013:2218 en ECLI:NL:RVS:2014:4682).

6. Met betrekking tot de afdoening van het verzet neemt de verzetsrechter voorts het volgende in aanmerking.

7. Bij uitspraak van 22 juli 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:5915) heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep van opposant tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar ten aanzien van de waardevaststelling van de woning en de aanslag onroerende zaakbelasting voor het jaar 2013. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 januari 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:63) heeft het Hof de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

8. Bij uitspraak van 22 juli 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:5914) heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep van opposant tegen het besluit op bezwaar van de heffingsambtenaar van 20 maart 2014, waarbij het bezwaar tegen de afwijzing van een dwangsom wegens het veronderstelde niet tijdig beslissen op een informatieverzoek (omtrent de ambtelijke positie van twee personen die hem naar aanleiding van het bezwaarschrift hebben gehoord) ongegrond is verklaard. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposant in verzuim was het juiste griffierecht te voldoen.

Opposant heeft tegen deze uitspraak geen rechtsmiddelen ingesteld, maar heeft op 6 augustus 2014 opnieuw beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 20 maart 2014. Bij uitspraak van 6 maart 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:1469) heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroep niet verschoonbaar te laat is ingesteld. Opposant heeft tegen deze uitspraak van 6 maart 2015 hoger beroep opengesteld bij het Hof. Het Hof heeft het hoger beroepschrift doorgezonden naar de Afdeling. De Afdeling heeft uitspraak gedaan op 23 juli 2015 (20150175/2/A3).

De Afdeling heeft het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat opposant verwijtbaar niet tijdig het in hoger beroep verschuldigde griffierecht heeft voldaan.

9. Bij uitspraak van 22 juli 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:5912) heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep van opposant tegen de brief van 14 oktober 2013 van het college met betrekking tot een informatieverzoek van opposant (documenten aangaande de benoeming en het mandaat van de heffingsambtenaar). De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposant in verzuim was het juiste griffierecht te voldoen. Opposant heeft tegen deze uitspraak geen rechtsmiddelen ingesteld, maar hij heeft op 1 augustus 2014 beroep ingesteld wegens niet tijdig beslissen op hetzelfde informatieverzoek.

Bij uitspraak van 6 maart 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:1467) heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroep onredelijk laat is ingesteld. Opposant heeft tegen deze uitspraak van 6 maart 2015 hoger beroep opengesteld bij het Hof. Het Hof heeft het hoger beroepschrift doorgezonden naar de Afdeling. De Afdeling heeft uitspraak gedaan op 30 juli 2015 (20152175/2/A3). De Afdeling heeft het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat opposant verwijtbaar niet tijdig het in hoger beroep verschuldigde griffierecht heeft voldaan.

10. Uit het voorgaande volgt dat – anders dan waarin opposant wenst te volharden – er geen sprake is van enige hoger beroepszaak waarin het Hof weigerachtig is uitspraak te doen over niet tijdig beslissen en de verschuldigdheid van een dwangsom nu de Afdeling daarover in haar uitspraken van 23 juli en 30 juli 2015 onherroepelijk heeft beslist. Voor zover dit opposant niet reeds duidelijk had kunnen zijn uit de hiervoor opgesomde uitspraken waarin hij partij was, had hem dit toch uiterlijk na kennisname van de brief van het Gerechtsbestuur van 12 juli 2016, waarin het procesverloop in deze zaken uitgebreid is opgesomd, duidelijk moeten zijn.

11. Dit betekent niet alleen dat de uitspraak waartegen het verzet zich richt juist is, maar ook dat opposant tegen beter weten in blijft volharden in een volstrekt kansloze rechtsgang door verzet aan te tekenen. Uit de proceshouding van opposant, die gelet op de hoeveelheid door hem uitgelokte uitspraken over dit onderwerp (en het daarbij meermaals niet betalen van het verschuldigde griffierecht) tot een onevenredige belasting op de rechtspraak leidt, volgt dat het hem enkel is te doen om geldsommen te incasseren ten koste van de overheid, zonder dat (nog) sprake is van een onderliggend inhoudelijk geschil. De verzetsrechter kan deze proceshouding niet anders kwalificeren dan als misbruik van recht, aan welk leerstuk de bestuursrechter ambtshalve toepassing kan geven omdat dit raakt aan de toegang tot de rechter (ECLI:NL:RVS:2018:291 en ECLI:NL:RVS:2018:1636).

12. Gelet hierop zal de rechtbank het verzet wegens misbruik van recht niet-ontvankelijk verklaren.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 23 januari 2020. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.