Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2020:2124 ECLI:NL:RBROT:2020:2124 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2020:2124 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2020:2124
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 19/3015 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2020 in de zaak tussen [Naam] , eiser, en [Eiseres] , eiseres, beiden te [Plaats] , tezamen: eisers, en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder. Procesverloop Bij besluit van 8 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 29 november 2018 (het opschortingsbesluit), waarbij het recht op de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) van eisers met ingang van 26 november 2018 is opgeschort, niet-ontvankelijk verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBROT:2020:2124 · Rechtbank Rotterdam: De Svb heeft de gemachtigde van eisers bij brief van 5 april 2009 onder verwijzing naar het bezwaarschrift van 10 januari 2019 verzocht mee te delen of de Svb deze mede gericht moeten achten tegen de eindigingsbeslissing (lees: het intrekkingsbesluit). Bij brief van 17 april 2019 heeft de gemachtigde van eisers de Svb bericht dat – zoals uit het bezwaarschrift blijkt – het bezwaarschrift tevens geacht te moeten zijn gericht tegen de eindigingsbeslissing (lees: het intrekkingsbesluit). Volgens verweerder blijkt hieruit dat eisers het intrekkingsbesluit hebben ontvangen.

Keywords

AI generated
social clauses social security disputes preliminary decision in social insurance social insurance benefit notification of the decision social security convention

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2016:1501
15/3463 WWB Datum uitspraak: 26 april 2016 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 april 2015, 14/5616 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst van de gemeenten Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo (dagelijks bestuur) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. R. van Asperen hoger beroep ingesteld en tevens verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade.
ECLI:NL:CRVB:2017:3004
16/1829 AWBZ Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank [woonplaats] van 9 februari 2016, 15/4319 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) CZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor) Datum uitspraak: 23 augustus 2017 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend. Het Zorgkantoor heeft een aanvullend stuk ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2017.
ECLI:NL:CRVB:2018:3155
166522 PW-PV, 16/6523 PW-PV, 16/6525 PW-PV Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op de hoger beroepen tegen uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 augustus 2016, 16/2483 (aangevallen uitspraak 1), 16/2484 (aangevallen uitspraak 2), en 16/4088 (aangevallen uitspraak 3) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen (college) Datum uitspraak: 2 oktober 2018 Zitting hebben: W.H. Bel als voorzitter en J.J.A. Kooijman en A.M.
ECLI:NL:CRVB:2019:2214
185692 AW Datum uitspraak: 27 juni 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 oktober 2018, 16/4710 en 16/4710-S (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Gooise Meren (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft drs. R.J. Dobbelaar hoger beroep ingesteld. Namens het college heeft mr. B. van Bon een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad bij brief van 17 maart 2019 nadere inlichtingen verstrekt.
ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1813
05/5603 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 1 augustus 2005, 05/648 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: College) Datum uitspraak: 7 november 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. N.M.J. van der Maas, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 19/3015 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2020 in de zaak tussen [Naam] , eiser, en [Eiseres] , eiseres, beiden te [Plaats] , tezamen: eisers, en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder. Procesverloop Bij besluit van 8 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 29 november 2018 (het opschortingsbesluit), waarbij het recht op de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) van eisers met ingang van 26 november 2018 is opgeschort, niet-ontvankelijk verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. P.W.E. Ros. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Stahl-de Bruin. Overwegingen 1. De Svb heeft het bezwaar tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang eisers daarbij, omdat het intrekkingsbesluit inmiddels onherroepelijk is geworden. Daarbij is overwogen dat het bezwaarschrift – anders dan de gemachtigde van eisers in haar brief van 17 april 2019 heeft gesteld – niet mede is gericht tegen het intrekkingsbesluit.

2. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat het intrekkingsbesluit van 4 januari 2019 niet is bekendgemaakt, zodat het niet in werking is getreden en dus ook niet onherroepelijk is geworden. Gelet hierop menen eisers dat zij procesbelang hebben gehouden hun bezwaar tegen het opschortingsbesluit en het bezwaar daarom ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Subsidiair stellen eisers zich op het standpunt dat de Svb handelt in strijd met het fair play beginsel. De Svb heeft namelijk tijdens de hoorzitting in bezwaar op 11 januari 2019 niet gerept over het intrekkingsbesluit, terwijl toen nog de termijn liep om bezwaar daartegen te maken.

3. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4. In geval van toezending van een besluit dient naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep voor de vaststelling dat het besluit in werking is getreden, zowel de verzending als de aanbieding van de zending aan het juiste adres vast te staan dan wel voldoende aannemelijk te zijn gemaakt. Contra-indicaties kunnen volgens die rechtspraak meebrengen dat moet worden geoordeeld dat het besluit wel moet zijn ontvangen, waarmee – zonder nader bewijs – ook de verzending aannemelijk is. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om gevallen waarin naar aanleiding van dat besluit handelingen zijn verricht of om informatie is gevraagd waaruit moet worden afgeleid dat de aanbieding van het poststuk met het besluit aan het adres van de belanghebbende wel heeft plaatsgevonden (ECLI:NL:CRVB:2016:1501; ECLI:NL:CRVB:2017:3004 en ECLI:NL:CRVB:2018:3155).

5. De Svb heeft de gemachtigde van eisers bij brief van 5 april 2009 onder verwijzing naar het bezwaarschrift van 10 januari 2019 verzocht mee te delen of de Svb deze mede gericht moeten achten tegen de eindigingsbeslissing (lees: het intrekkingsbesluit). Bij brief van 17 april 2019 heeft de gemachtigde van eisers de Svb bericht dat – zoals uit het bezwaarschrift blijkt – het bezwaarschrift tevens geacht te moeten zijn gericht tegen de eindigingsbeslissing (lees: het intrekkingsbesluit). Volgens verweerder blijkt hieruit dat eisers het intrekkingsbesluit hebben ontvangen.

6. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de brief van de gemachtigde van eisers van 17 april 2019 een handeling is waaruit volgt dat eisers het intrekkingsbesluit wel moeten hebben ontvangen. Gelet hierop is het niet nodig dat verweerder de verzending van dat besluit aan eiseres en de aanbieding van de zending aan het juiste adres aannemelijk maakt. Op verweerder lag – anders dan eisers stellen – niet enige verplichting, ook niet uit een oogpunt van fair play, om het intrekkingsbesluit tijdens de hoorzitting in bezwaar aan de orde te stellen (vgl. ECLI:NL:CRVB:2019:2214). Gelet op de omstandigheid dat eisers het intrekkingsbesluit blijkbaar hebben ontvangen, komt het voor hun rekening en risico dat zij uitsluitend bezwaar hebben gemaakt tegen het opschortingsbesluit.

7. Omdat de rechtbank met verweerder van oordeel is dat het bezwaarschrift zich niet mede richt tot het intrekkingsbesluit, is dit besluit onherroepelijk geworden. Met het onherroepelijk geworden intrekkingsbesluit, dat voortborduurt op het opschortingsbesluit, heeft het opschortingsbesluit zijn werking verloren. Gelet hierop heeft verweerder terecht geoordeeld dat het procesbelang aan het bezwaar daartegen is komen te ontvallen (ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1813).

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 12 maart 2020. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.