Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBROT:2018:9796 ECLI:NL:RBROT:2018:9796 AI generated

ECLI:NL:RBROT:2018:9796 · Rechtbank Rotterdam

Case Number ECLI:NL:RBROT:2018:9796
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/965060-18 (UTL-12018020047) Datum uitspraak: 8 november 2018 Uitspraak van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken op het verzoek van de autoriteiten tot uitlevering van: [naam verdachte] , geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ), zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland, thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Krimpen aan den IJssel, verder te noemen: de opgeëiste persoon. 1Procedure De autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika (hierna:

Legislator headnote

AI generated

artikel 6 EVRM, artikel 13 EVRM, art. 6 EVRM, artikel 3 EVRM, artikel 2 EVRM; ECLI:NL:RBROT:2018:9796 · Rechtbank Rotterdam: In het uitleveringsverzoek wordt maar over een eenmalige transactie gesproken. Daarnaast moet er ook sprake zijn van deelneming aan een gestructureerd samenwerkingsverband. Dit blijkt niet uit de overgelegde informatie. Primair verzoekt de raadsvrouw de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren wegens het niet voldoen aan artikel 9 van het Verdrag en/of het ontbreken van de dubbele strafbaarheid. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de stukken met de onderliggende stukken aan te vullen. 5.3.2.

Keywords

AI generated
prison system detention under immigration law safe country united States of America re-extradition unreasonableness of return to Afghanistan

Cited Legislation

AI generated
artikel 6 EVRM
Beroep op artikel 6 EVRM 5.4.1.
artikel 13 EVRM
Daarnaast ontbreekt volgens de raadsvrouw een effectief rechtsmiddel in de zin van artikel 13 EVRM omdat de opgeëiste persoon zelf moet aantonen dat hij door de opsporingsdiensten van de VS zou zijn uitgelokt.
art. 6 EVRM
De uitleveringsrechter kan daarom in de regel niet toekomen aan de inhoudelijke beoordeling van een verweer dat sprake is van een reeds voltooide schending van art. 6, eerste lid, EVRM en/of art.
artikel 3 EVRM
Dit heeft tot gevolg dat bij uitlevering een dreigende schending van artikel 3 EVRM aanwezig is.
artikel 2 EVRM
Dit wordt beschermd onder artikel 2 EVRM.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2012:BX6949
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon.
ECLI:NL:HR:2014:1571
I am a citizen of the United States of America, currently residing in St.
NJ 1987/218
De bewijsmiddelen waarop het affidavit is gebaseerd hoeven daarbij niet te worden overgelegd (HR 1 juli 1986, NJ 1987/218).
ECLI:NL:HR:2003:AE5288
8 juli 2003 Strafkamer nr. 01631/02 U ABG Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De procesgang 1.1. De Hoge Raad verwijst naar zijn tussenarrest van 20 mei 2003. In dat arrest heeft de Hoge Raad de uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage vernietigd voorzover daarbij de uitlevering inzake de onder 2 en 3 van de Superseding Indictment, afkomstig van de Grand Jury van de United States District Court for the District of New Jersey van 11 september 1998, omschreven klacht ontoelaabaar is verklaard. Voorts heeft de Hoge Raad bevolen dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering. 1.2. Ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 is de opgeëiste persoon verschenen en is hij gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr. M. Wladimiroff, advocaat te 's-Gravenhage, die voor hem het woord ter verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnotities. Ook heeft de opgeëiste persoon zelf het woord ter verdediging gevoerd. Zijn pleitnotities zijn eveneens aan voornoemd proces-verbaal gehecht. De Advocaat-Generaal Jörg heeft een schriftelijke samenvatting gegeven die ertoe strekt de verzochte uitlevering voor de feiten 2 en 3 toelaatbaar te verklaren. 2. Het verzoek tot uitlevering 2.1. Het hernieuwde verzoek tot uitlevering, verder aan te duiden als het verzoek, is gedaan bij nota no. 15 van de Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika van 6 februari 2001, gericht aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. In dit verzoek wordt verwezen naar het hieronder onder 2.3 (i) nog te noemen, reeds eerder gedane, doch ingetrokken, verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon voor dezelfde strafbare feiten. 2.2. Het verzoek, voorzover thans nog aan de orde, strekt tot uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van strafvervolging ter zake van de feiten 2 en 3, aangeduid als "prohibited foreign trade practices" en omschreven in de hieronder onder 2.3 (v) vermelde "affidavit in support of request for extradition" op p. 3 onder a t/m o. 2.3. De verzoekende staat heeft bij het verzoek de navolgende stukken overgelegd: (i) een nota no. 24 van de Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika van 4 mei 2000 inhoudende een verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van strafvervolging; (ii) een door de Assistant Authentication Officer, Department of State, gecertificeerde verklaring van Madeleine K. Albright, Secretary of State van 20 april 2000 dat het hierna onder (iii) genoemde document het zegel van het Department of Justice van de Verenigde Staten van Amerika draagt; (iii) een door de Director/Deputy Director, Office of International Affairs, Criminal Division of the United States Department of Justice gecertificeerde verklaring van 19 april 2000 van Janet Reno, Attorney General of the United States, dat Russel Bikoff zowel ten tijde van de ondertekening van het daaraan gehechte document als ten tijde van het opmaken van de onderhavige verklaring Deputy Director, Office of International Affairs, Criminal Division, U.S. Department of Justice, Washington DC, was; (iv) een verklaring van 19 april 2000 houdende de certificering door voornoemde Russel Bikoff van de onder (v) genoemde verklaring en onder (vi) genoemde bijlagen; (v) een door John M. Facciola, United States Magistrate Judge, beëdigd en door Philip Urofsky, employed by the United States Department of Justice as a Trial Attorney in the Criminal Division, op 31 maart 2000 afgelegde verklaring tot staving van het verzoek om uitlevering waarin is opgenomen de identiteit van de opgeëiste persoon, de nationaliteit, de vermoedelijke verblijfplaats, een overzicht van de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht met vermelding van plaats en tijd ervan, het daarop betrekking hebbende bewijsmateriaal, de wettelijke omschrijving en de toepasselijke Amerikaanse strafbepalingen; (vi) de bijlagen, gevoegd bij de onder (v) genoemde verklaring: a. een gewaarmerkt afschrift van een Superseding Indictment van de United States District Court for the District of New Jersey, van 11 september 1998, houdende een nader overzicht van de feiten en het daarop betrekking hebbende bewijsmateriaal, ondertekend door Nicholas R. Abitante, foreperson van de Grand Jury, en Faith S. Hochberg, United States Attorney; b. een gewaarmerkt afschrift van een door Anne E. Thompson, Chief, United States District Judge, te Trenton, New Jersey, gegeven Warrant for Arrest betreffende de opgeëiste persoon, inhoudende een korte aanduiding van de feiten (zonder datering); c. de tekst van de toepasselijke strafbepalingen van de desbetreffende Amerikaanse wet waarvoor uitlevering wordt verzocht en van de wetsbepalingen houdende de straf die op de feiten is gesteld; d. een foto van drie personen onder wie de opgeëiste persoon. Voorts bevinden zich bij de stukken de vertaling in het Nederlands van de hierboven onder (ii) t/m (vi) a t/m c aangeduide stukken. 3. Beoordeling van de gevoerde verweren 3.1.1. Namens de opgeëiste persoon heeft de raadsman het verweer gevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard, omdat de bijzonderheden van de onderhavige zaak een inbreuk rechtvaardigen op het vertrouwensbeginsel dat de relatie tussen de Verenigde Staten van Amerika en het Koninkrijk der Nederlanden beheerst, aangezien de opgeëiste persoon het risico loopt te worden blootgesteld aan een flagrante inbreuk op aan de opgeëiste persoon ingevolge het EVRM toekomende rechten. In het bijzonder wordt gesteld dat een plea agreement in strijd is met art. 6 EVRM. In dit verband wordt aangevoerd dat de verwachte duur van de procedure indien geen plea agreement wordt gesloten (full trial) onevenredig lang zal zijn in verhouding tot de situatie dat wel een plea agreement wordt gesloten. De opgeëiste persoon zou aldus in redelijkheid geen vrije keus hebben. Verder wordt gesteld dat gelet op de beschikbare gegevens de afdoening van de zaak, in geval van een full trial, vermoedelijk niet binnen een naar Nederlandse maatstaven redelijk te achten termijn zal plaatsvinden. Tot slot wordt betoogd dat de eventuele toepassing van de terugkeerregeling en omzettingsprocedure illusoir zal zijn, omdat de te verwachten vrijheidsstraf waarschijnlijk zodanig zal zijn dat deze reeds zal zijn ondergaan voordat terugkeer naar Nederland zal zijn geëffectueerd vanwege de procedurele complicaties en doorlooptijden. 3.1.2. Aangenomen moet worden dat Nederland, als door het EVRM en het IVBPR gebonden Staat, het resultaat van bilaterale onderhandelingen die hebben geleid tot het te dezen toepasselijke Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika van 24 juni 1980 (Trb. 1980, 111) heeft kunnen afstemmen op de aard en de mate waarin de in de eerste twee genoemde verdragen neergelegde fundamentele rechtsbeginselen worden erkend in de Verenigde Staten van Amerika. De Hoge Raad neemt derhalve als uitgangspunt dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op het genoemde uitleveringsverdrag in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het eerdergenoemde EVRM en IVBPR zal respecteren. Dat brengt mee dat evenzeer van dat vertrouwen uitgegaan moet worden bij toepassing in de Verenigde Staten van Amerika van het aldaar tot de strafprocessuele mogelijkheden behorende systeem dat een verdachte in voorkomend geval een plea agreement kan aangaan. Die mogelijkheid bestond immers ook reeds ten tijde van de bilaterale onderhandelingen die tot het onderhavige uitleveringsverdrag hebben geleid. Dit vertrouwensbeginsel kan uitzondering lijden, voor wat betreft art. 6 EVRM, indien blijkt dat de op-geëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge dat artikel toekomend recht dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren aan de nakoming van de uit het vermelde uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting in de weg staat. 3.1.3. Gelet op de door de raadsman hiervoor onder 3.1.1 gestelde omstandigheden, welke alle betrekking hebben op toekomstige gebeurtenissen waaromtrent nog niets met zekerheid is vast te stellen noch ten nadele noch ten voordele van de opgeëiste persoon, kan mede in het licht van het voorgaande niet worden gezegd, dat tussen de mogelijkheden waaruit de opgeëiste persoon zal moeten kiezen - het ondergaan van een full trial dan wel het aangaan van een plea agreement - gelet op de duur van de onderscheiden procedures en de mogelijke verschillen in uitkomst een zodanige flagrante wanverhouding bestaat, dat de opgeëiste persoon wordt gedwongen een plea agreement aan te gaan. Het verweer wordt derhalve verworpen. 3.1.4. Ten aanzien van het verweer dat, indien het tot een full trial in de Verenigde Staten van Amerika komt, er vermoedelijk geen sprake zal zijn van een berechting binnen een redelijke termijn, geldt dat dat enkele vermoeden niet dwingt tot het oordeel dat de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op het recht op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM dat de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. 3.1.5. Het betoog tenslotte dat de terugkeerregeling illusoir kan blijken te zijn - gelet enerzijds op de te verwachten hoogte van de straf en anderzijds op de duur van de administratieve afhandeling van de terugkeer naar Nederland - wordt gevoerd met de kennelijke strekking dat op grond daarvan de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. Dat betoog faalt, aangezien daarmee wordt miskend dat het de uitleveringsrechter niet vrijstaat bij zijn oordeel omtrent de toelaatbaarheid van de uitlevering de vraag te betrekken of de opgeëiste persoon zal kunnen terugkeren naar Nederland teneinde aldaar de opgelegde vrijheidsstraf (verder) te ondergaan en of die terugkeer daartoe tijdig zal geschieden. 3.2.1. Verder is door de raadsman ten verwere aangevoerd dat het legaliteitsbeginsel wordt geschonden, indien de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika zou worden uitgeleverd. Nederland kan de opgeëiste persoon zelf niet vervolgen voor de feiten waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft, aangezien deze feiten ten tijde van het begaan ervan niet strafbaar waren naar Nederlands recht, aldus de raadsman. 3.2.2. Met dit betoog wordt miskend dat de rechter de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering heeft te beoordelen naar het tijdstip van de behandeling van het verzoek daartoe. In dit geval staat vast dat de feiten, waarvoor de uitlevering wordt verzocht, inmiddels in Nederland strafbaar zijn gesteld. Derhalve faalt het betoog. 3.2.3. Voorzover het verweer tevens moet worden bezien in het verband van een te zijner tijd te nemen beslissing op een verzoek tot overdracht van de opgeëiste persoon naar Nederland teneinde hier de vrijheidsstraf (verder) te ondergaan, faalt het verweer op de door de Hoge Raad reeds in zijn te dezer zake gewezen tussenarrest van 20 mei 2003 gegeven gronden. 3.3.1. Tenslotte heeft de raadsman gesteld dat de uitlevering ontoelaatbaar zou moeten worden verklaard, omdat niet is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid. Blijkens de aan het proces-verbaal van de zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 gehechte en daarvan deel uitmakende pleitnota heeft hij daartoe het volgende aangevoerd: "17. Overigens merk ik nog op dat de verdenkingen krachtens de Foreign Corrupt Practices Act 1977, aanvankelijk alleen de corrupte betaling van eigen onderdanen en van bedrijven gevestigd in de Verenigde Staten aan buitenlandse officials strafbaar stelde. Eerst sinds 1998 stelt deze wet dergelijk handelen van buitenlanders en buitenlandse bedrijven ook strafbaar. Kort en goed: hetgeen cliënt wordt verweten was ten tijde van de gedraging ook niet strafbaar in de Verenigde Staten (krachtens de FCPA)." 3.3.2. Uit de omschrijving van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, blijkt dat de verdenking tegen de opgeëiste persoon bestaat ter zake van gedragingen van hem in zijn hoedanigheid van onder meer voorzitter van de raad van beheer van Saybolt North America Inc., een in de Verenigde Staten van Amerika gevestigde onderneming. De Foreign Corrupt Practices Act 1977 is derhalve ook op deze onderneming van toepassing. Het verweer mist dan ook feitelijke grondslag. 4. Beoordeling van het verzoek tot uitlevering 4.1. De Hoge Raad overweegt ten aanzien van de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering ter strafvervolging als volgt. 4.2. De persoon die is gehoord ter zitting van 10 juni 2003 heeft verklaard dat hij is [de opgeëiste persoon], de persoon op wie het verzoek tot uitlevering betrekking heeft, en dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. 4.3. De stukken voldoen aan de eisen die art. 9, tweede en derde lid, van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika stellen. Ook is voldaan aan art. 18 Uitleveringswet. 4.4. De feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, zijn naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika strafbaar krachtens de Foreign Corrupt Practices Act 1977, United States Code, titel 15, art. 78DD-2 en titel 18, art. 2. Op deze feiten zijn gevangenisstraffen gesteld met maxima van tenminste één jaar. 4.5. Naar Nederlands recht zijn die feiten strafbaar als het misdrijf van art. 177 Sr en/of het misdrijf van art. 177a Sr, in verbinding met art. 178a Sr (omkoping van buitenlandse ambtenaren). Op deze feiten zijn gevangenisstraffen gesteld met maxima van tenminste één jaar. 4.6. Aan het in art. 2 Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika gestelde vereiste van dubbele strafbaarheid is derhalve voldaan. 5. Slotsom Aangezien de Hoge Raad niet is gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden die aan de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering in de weg zouden staan, dient, gelet op het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, als volgt te worden beslist. 6. Beslissing De Hoge Raad verklaart de uitlevering ter strafvervolging van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar voor de onder 2.2 bedoelde, in het verzoek onder 2 en 3 aangeduide, feiten. Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 8 juli 2003. 20 mei 2003 Strafkamer nr. 01631/02 U IV/DAT Hoge Raad der Nederlanden Tussenarrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon niet toelaatbaar verklaard. 2. Geding in cassatie 2.1. Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het beroep en het middel zijn uitsluitend gericht tegen de weigering de verzochte uitlevering toelaatbaar te verklaren voor de in het verzoek onder 2 en 3 genoemde feiten, te weten: - verboden buitenlandse handelspraktijken, in overtreding van titel 15, art. 78DD-2 van het desbetreffende Amerikaanse wetboek; - reizen naar het buitenland en van Staat naar Staat ten behoeve van criminele ondernemingen, in overtreding van titel 18, art. 1952 van het desbetreffende Amerikaanse wetboek. Namens de opgeëiste persoon is het cassatieberoep tegengesproken door mr. T.B. Trotman, advocaat te 's-Gravenhage. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de Officier van Justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep op grond dat de schriftuur niet is ingediend binnen de termijn van art. 31, derde lid, UW. 2.2. Bij tussenarrest van 3 december 2002 heeft de Hoge Raad de Officier van Justitie ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep. Kort samengevat heeft de Hoge Raad geoordeeld: dat een redelijke toepassing van art. 31, derde lid, UW meebrengt dat de officier van justitie in uitleveringszaken gedurende de volle wettelijke termijn van een maand nadat de kernstukken van het geding - te weten de uitspraak en de processen-verbaal van de zittingen - te zijner beschikking zijn gekomen, een schriftuur houdende middelen van cassatie bij de Hoge Raad kan indienen, en dat nu de cassatieschriftuur is ingediend binnen een maand nadat de uitgewerkte uitspraak op 10 juni 2002 ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen, het cassatieberoep ontvankelijk is. 2.3. De Hoge Raad gedraagt zich naar het tussenarrest. Weliswaar is nadien namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk is in het cassatieberoep op grond dat de uitspraak niet op 10 juni 2002, maar op 4 juni 2002 ter beschikking is gekomen, maar de juistheid van hetgeen aldus is aangevoerd kan in het midden blijven nu vaststaat dat het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank niet eerder dan eind juni 2002 ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen. 2.4. De Advocaat-Generaal Jörg heeft aanvullend geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en een dag zal bepalen waarop de zaak voor de Hoge Raad zal dienen. 3. Beoordeling van het middel 3.1. Het middel komt met rechtsklachten op tegen het oordeel van de Rechtbank dat de verzochte uitlevering voor de feiten 2 en 3 ontoelaatbaar dient te worden verklaard. 3.2. De Rechtbank heeft de uitlevering voor die feiten ontoelaatbaar verklaard en daartoe het volgende overwogen: "De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De Verenigde Staten van Amerika en Nederland zijn beide partij bij het op 21 maart 1983 gesloten Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen. In verbinding met de exchange of letters of understanding, General Affairs Department DA2/J2-ISN-38245 No 81 van 11 juli 1991 zou dus technisch de opgeëiste persoon na een eventuele veroordeling door de Verenigde Staten van Amerika ter zake van het feitencomplex sub 2 en sub 3, waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft, teruglevering aan Nederland gegarandeerd kunnen worden om in Nederland tenuitvoerlegging van het gewijsde te ondergaan of verder te ondergaan. Ten tijde van de periode waarin het feitencomplex sub 2 en sub 3 volgens het uitleveringsverzoek zou zijn begaan, was dit complex als zodanig niet strafbaar naar Nederlands recht. De rechtbank zou door in casu uitlevering toe te laten, voorziend dat wegens het hierna te noemen legaliteitsbeginsel exequatur bij teruglevering in zoverre geweigerd zou moeten worden, inbreuk maken op het in artikel 16 van de Grondwet en artikel 1, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht ongeclausuleerde en onvoorwaardelijk verbod tot berechting en bestraffing van iemand ter zake van feiten die ten tijde van begaan daarvan niet bij of krachtens de Nederlandse wet strafbaar waren gesteld. Immers, de opgeëiste persoon heeft, zoals overwogen, de Nederlandse nationaliteit en bij teruglevering van de opgeëiste persoon aan Nederland zou overneming en positieve erkenning van het veroordelend gewijsde een inbreuk inhouden van dit ongeclausuleerde verbod. Weliswaar kan het in artikel 16 van de Grondwet en artikel 7 van het EVRM - waaraan Nederland als verdragsluitende partij gebonden is - vervatte legaliteitsbeginsel door verdragen of krachtens besluiten van volkenrechtelijke organisaties opzij worden gezet, zoals de Hoge Raad uitdrukkelijk overweegt in zijn arrest van 18 december 2001 in de zaak tegen [A] (de Hoge Raad leest: HR 18 september 2001, NJ 2002, 559), zulks op een voordracht tot cassatie in het belang der wet van een beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 20 november 2000, maar in het te dezen toepasselijke uitleveringsverdrag is geen voorziening opgenomen waaruit deze terzijdestelling zou volgen. Derhalve staat vooralsnog vast dat aan enige veroordeling door de Verenigde Staten van Amerika voor de sub 2 en 3 genoemde feiten als gekwalificeerd in het uitleveringsverzoek, bij teruglevering exequatur geweigerd zal moeten worden. De uitlevering dient mitsdien voor deze feiten op voornoemde gronden ontoelaatbaar verklaard te worden. Mochten de Verenigde Staten van Amerika slechts voornemens zijn geldboetes op te leggen, dan dient te gelden dat het te dezen toepasselijke verdrag niet voorziet in rechtshulp daartoe." 3.3. De eerste klacht van het middel, die in een aantal onderdelen uiteenvalt, is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat in geval van een veroordeling in de Verenigde Staten van Amerika ter zake van genoemde feiten het exequatur - waarmee de Rechtbank klaarblijkelijk doelt op het verlof tot tenuitvoerlegging als bedoeld in art. 31 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) - geweigerd zou moeten worden. Het meest verstrekkende onderdeel van die klacht luidt dat de Rechtbank aldus ten onrechte is vooruitgelopen op de beslissing van de exequaturrechter. Dit onderdeel van de klacht treft doel. De beantwoording van de vraag of verlof dient te worden verleend tot tenuitvoerlegging van een vonnis van een buitenlandse rechter is voorbehouden aan de rechter die daaromtrent ingevolge de bepalingen van de WOTS heeft te oordelen. Het staat de uitleveringsrechter niet vrij de (te verwachten) beantwoording van die vraag bij zijn oordeel omtrent de toelaatbaarheid van de uitlevering te betrekken. De gegrondheid van dit onderdeel van de klacht brengt mee dat de bestreden uitspraak, voorzover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, niet in stand kan blijven en de overige klachten geen bespreking behoeven. 3.4. Niettemin vindt de Hoge Raad aanleiding het middel nog te bespreken voorzover het kennelijk strekt ten betoge dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de exequaturrechter - na overdracht van de gevonniste persoon aan Nederland - het vereiste van strafbaarheid van de feiten naar Nederlands recht (art. 3, eerste lid onder c, WOTS) dient te beoordelen naar het moment waarop die feiten zijn gepleegd. Het middel bestrijdt dat oordeel terecht. De strekking van genoemd vereiste is immers te voorkomen dat Nederland medewerking zou moeten verlenen aan het handhaven van normen die met de eigen rechtsopvattingen in strijd zijn, of waarbij althans een strafsanctie misplaatst wordt geacht. Voor de beantwoording van de vraag of aan dat vereiste is voldaan is daarom beslissend of de desbetreffende feiten naar Nederlands recht strafbaar zijn ten tijde van de beslissing van de daartoe ingevolge de WOTS aangewezen rechter op de vordering tot tenuitvoerlegging. Het verlenen door die rechter van een verlof tot tenuitvoerlegging kan niet worden aangemerkt als "berechting en bestraffing" van die feiten, zodat, anders dan de Rechtbank heeft aangenomen, in geval van een dergelijk verlof ten aanzien van feiten die op het tijdstip waarop zij zijn gepleegd naar Nederlands recht nog niet strafbaar waren gesteld, van schending van het legaliteitsbeginsel geen sprake kan zijn. 4. Slotsom Hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen brengt mee dat als volgt moet worden beslist. 5. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak, voorzover daarbij de uitlevering inzake de onder 2 en 3 van de Superseding Indictment afkomstig van de Grand Jury van de United States District Court for the District of New Jersey van 11 september 1998 omschreven aanklacht ontoelaatbaar is verklaard; Beveelt dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 te 12:00 uur om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering. Dit arrest is gewezen door de president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 20 mei 2003. ======================= 3 december 2002 Strafkamer nr. 01631/02 U IV/SM Hoge Raad der Nederlanden Tussenarrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon niet toelaatbaar verklaard. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De raadsvrouwe van de opgeëiste persoon, mr. T.B. Trotman, advocaat te 's-Gravenhage, heeft het cassatieberoep tegengesproken. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de Officier van Justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep. 3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 3.1. In zijn verweerschrift tegen het cassatieberoep is namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het ingestelde beroep, aangezien de middelen niet zijn ingediend binnen de termijn van art. 31, derde lid, UW. 3.2. Op grond van art. 31, derde lid, UW is de Officier van Justitie op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht om binnen een maand nadat hij beroep in cassatie heeft ingesteld, bij de Hoge Raad een schriftuur in te dienen, houdende zijn middelen van cassatie. 3.3. Het cassatieberoep is blijkens de daarvan opgemaakte akte ingesteld op 31 mei 2002. De schriftuur is blijkens een daarop geplaatst stempel op 9 juli 2002 bij de Hoge Raad ingekomen. De schriftuur is derhalve niet binnen de bij de wet bepaalde termijn ingediend. Bij de stukken van het geding bevindt zich echter een schrijven van de Officier van Justitie van 19 juli 2002, inhoudende dat zij eerst op 10 juni 2002 kon beschikken over de uitgewerkte uitspraak. De Hoge Raad gaat uit van de juistheid van deze mededeling. Kennelijk heeft de Officier van Justitie aangenomen dat de wettelijke termijn van een maand voor het indienen van de schriftuur aanving op de datum van ontvangst van de uitgewerkte uitspraak waartegen het cassatieberoep was gericht. 3.4. In zijn beslissing van 16 april 1996, NJ 1996, 527, heeft de Hoge Raad in een strafzaak waarin het openbaar ministerie een van de kernstukken van het geding - het proces-verbaal van de terechtzitting - pas na verloop van de termijn voor het indienen van de schriftuur had ontvangen, beslist dat een redelijke toepassing van art. 433 (oud) Sv meebrengt dat die termijn pas begint te lopen na de ontvangst van het ontbrekende stuk. 3.5.1. Sedert de inwerkingtreding op 1 oktober 2000 van de wetswijziging van 28 oktober 1999, Stb. 467, is de regeling voor het indienen van de cassatieschriftuur in strafzaken neergelegd in art. 437 Sv. De termijn voor het indienen van de schriftuur van een maand vangt voor het openbaar ministerie thans aan nadat de aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv aan hem is verzonden. Ook de verdachte is thans op straffe van niet-ontvankelijkheid gehouden zijn schriftuur binnen een termijn (twee maanden) nadat de aanzegging aan hem is betekend te doen indienen. 3.5.2. Voor de toepassing van art. 437 Sv heeft de Hoge Raad in zijn uitspraak van 4 juli 2000, NJ 2000, 581, in een geval waarin de raadsman van een verdachte de kernstukken van het geding niet tijdig had ontvangen, beslist dat een dergelijk verzuim van de strafadministratie kan meebrengen dat de raadsman door de rolraadsheer (de enkelvoudige strafkamer van de Hoge Raad) desverzocht alsnog een termijn wordt gegund om een aanvullend middel in te dienen na toezending van de desbetreffende stukken voorzover kennisneming van die stukken onontbeerlijk is voor het formuleren van de middelen. Naar de stand van de huidige rechtspraak is het dan ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval of de officier van justitie onderscheidenlijk de verdachte een nadere termijn voor het indienen van de middelen wordt gegund en geldt niet meer de hiervoor onder 3.4 gegeven regel dat in ieder geval aanspraak kan worden gemaakt op de volle termijn vanaf de ontvangst van de kernstukken. 3.6. De te beantwoorden vraag is thans of het vorenstaande evenzeer geldt in uitleveringszaken. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. De regeling van art. 31, derde lid, UW wijkt in zoverre af van die van art. 437 Sv dat de termijn van een maand, waarbinnen de officier van justitie op straffe van niet-ontvankelijkheid zijn schriftuur houdende de middelen van cassatie bij de Hoge Raad moet indienen, niet aanvangt na de verzending van een aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv, derhalve nadat de stukken van het geding bij de Hoge Raad zijn ingekomen, maar nadat hij het beroep in cassatie heeft ingesteld. De opgeëiste persoon die beroep in cassatie instelt kan, anders dan de officier van justitie, een schriftuur indienen, en wel tot de dienende dag. 3.7. Dit verschil tussen de regeling van het Wetboek van Strafvordering en die van de Uitleveringswet heeft tot gevolg dat zaken waarin art. 437 Sv van toepassing is, reeds wel bij de Hoge Raad bekend zijn op het moment dat de termijn voor het indienen van de schriftuur begint te lopen, zodat de rolraadsheer dienaangaande in voorkomend geval kan beoordelen of er aanleiding is een nadere termijn te gunnen, terwijl de stukken van het geding in uitleveringszaken veelal nog niet bij de Hoge Raad ingekomen zijn in de fase waarin de wettelijke termijn voor het indienen van de schriftuur voor de officier van justitie loopt. De rolraadsheer zal in die gevallen dan ook niet in staat zijn een verzoek om verlenging van de termijn te beoordelen. 3.8. Gelet hierop brengt een redelijke toepassing van art. 31, derde lid, UW mee dat de officier van justitie in uitleveringszaken, naar analogie van de hiervoor onder 3.4 weergegeven - voor strafzaken inmiddels achterhaalde - rechtspraak, gedurende de volle wettelijke termijn van een maand nadat de kernstukken van het geding - te weten de uitspraak en de processen-verbaal van de zittingen - te zijner beschikking zijn gekomen, een schriftuur houdende de middelen van cassatie bij de Hoge Raad kan indienen. 3.9. Uit het vorenoverwogene volgt dat nu de cassatieschriftuur is ingediend binnen een maand nadat de uitgewerkte uitspraak ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen, het cassatieberoep ontvankelijk is. 4. Slotsom Het vorenoverwogene brengt mee dat het door de Officier van Justitie ingestelde beroep in behandeling kan worden genomen. De zaak dient - onder aanhouding van iedere verdere beslissing - te worden verwezen naar de rolzitting van de Hoge Raad voor het nemen van een nadere conclusie door de Advocaat-Generaal naar aanleiding van het middel. 5. Beslissing De Hoge Raad: Verklaart de Officier van Justitie ontvankelijk in het cassatieberoep; Verwijst de zaak naar de rolzitting van 28 januari 2003 voor het nemen van een nadere conclusie door de Advocaat-Generaal naar aanleiding van het middel; Houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door de president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 3 december 2002.
ECLI:NL:HR:1999:ZD1591
Het materiële feit waarvoor de uitlevering is verzocht en dat strafbaar is naar het recht van de verzoekende staat, dient binnen de termen van een Nederlandse strafbepaling te vallen (ECLI:NL:HR:1999:ZD1591).
ECLI:NL:HR:2002:AE2114
De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon aan Portugal ter strafvervolging deels toelaatbaar, deels ontoelaatbaar verklaard, een en ander zoals in de bestreden uitspraak staat omschreven. Geding in cassatie Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de partiële ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering - is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. A.N. Slijters, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/965060-18 (UTL-12018020047) Datum uitspraak: 8 november 2018 Uitspraak van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken op het verzoek van de autoriteiten tot uitlevering van: [naam verdachte] , geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ), zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland, thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Krimpen aan den IJssel, verder te noemen: de opgeëiste persoon. 1Procedure De autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika (hierna:

VS) hebben bij geschrift van 11 juli 2018 aan het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging van de opgeëiste persoon gedaan en stukken daartoe overgelegd. De minister van Justitie en Veiligheid heeft bij brief van 19 juli 2018 het verzoek met de daarbij overgelegde stukken aan de hoofdofficier van justitie in dit arrondissement gezonden met het verzoek het uitleveringsverzoek in behandeling te nemen. De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering 31 juli 2018, op dezelfde datum ter griffie ontvangen, gevorderd dat de rechtbank het uitleveringsverzoek in behandeling zal nemen en heeft een beslissing over de gevangenhouding van de opgeëiste persoon verzocht.

Op 25 oktober 2018 heeft de rechtbank ter openbare zitting gehoord: - de officier van justitie, mr. H.J.J. Talsma; - de opgeëiste persoon, bijgestaan door de tolk mevrouw K.van Wezel, alsmede zijn raadsvrouw, mr. T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toelaatbaarheid van de uitlevering en heeft een schriftelijke samenvatting daaromtrent aan de rechtbank overgelegd. De opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw hebben zich tegen de verzochte uitlevering verzet, subsidiair verzocht om de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden teneinde de officier van justitie nadere informatie bij de VS op te kunnen laten vragen en meer subsidiair verzocht bij toewijzing van het verzoek de minister te adviseren niet tot uitlevering over te gaan. 2Verzoek De uitlevering wordt verzocht met het oog op een tegen de opgeëiste persoon ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het feit omschreven in het verzoek tot uitlevering van de autoriteiten van de VS d.d. 11 juli 2018 onder dossiernummer 047/18.

Het omschreven feit ziet op samenzwering met betrekking tot witwassen. Van dit verzoek is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie aan deze uitspraak gehecht.

3Toepasselijk verdrag en wetsartikelen

Van toepassing zijn: - het uitleveringsverdrag Nederland-Verenigde Staten van Amerika (trb. 1980, 111), zoals herzien in het Verdrag bevattende het instrument bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Unie inzake de toepassing van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (Trb. 2004, nr. 299) (hierna: het Verdrag). Verwijzingen in deze uitspraak naar artikelen bij dit Verdrag zijn verwijzingen naar artikelen uit de bijlage bij voornoemd instrument, bevattende de integrale tekst van het Verdrag; - de artikelen 47, 48, 49, 140, 420bis, 420ter en 420quater Wetboek van Strafrecht (hierna:

Sr); - de artikelen 2 en 5 van de Uitleveringswet (hierna: UW). 4Identiteit van de opgeëiste persoon De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij de persoon is genoemd en nader aangeduid in het uitleveringsverzoek. Nu er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel, gaat de rechtbank uit van de juistheid van die verklaring. 5Beoordeling en bespreking van de verweren 5.1. Genoegzaamheid stukken 5.1.1. Standpunt verdediging De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat een volledig beeld van de thans lopende verdenkingen tegen de opgeëiste persoon ontbreekt.

Het indictment (tenlastelegging) zelf is niet aanwezig. Er is discrepantie tussen de beëdigde verklaringen en de mail met informatie die verstrekt is over hoe vaak de opgeëiste persoon in contact is geweest met de undercover officer. In strijd met artikel 9 lid 3 onder b van het Verdrag ontbreekt het bewijsmateriaal dat de aanhouding zou rechtvaardigen. De raadsvrouw verzoekt de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de stukken aan te vullen. 5.1.2. Oordeel rechtbank Onder de overgelegde stukken bevinden zich een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen en de overige noodzakelijke gegevens met betrekking tot het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht.

Het Verdrag eist in geval van vervolgingsuitlevering dat wordt overgelegd “het bewijsmateriaal dat, volgens het recht van de aangezochte staat, de aanhouding en de dagvaarding van die persoon zou rechtvaardigen, indien het feit in die staat zou zijn gepleegd” (artikel 9 lid 3 onder b Verdrag). Aan deze eis is voldaan indien uit het bijgevoegde bewijsmateriaal een zodanig redelijk vermoeden van schuld van de opgeëiste persoon voortvloeit aan het feit waarvoor de uitlevering is verzocht dat naar Nederlands recht zijn aanhouding dan wel enig nader onderzoek met het oog op dagvaarding gerechtvaardigd zou zijn (HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6949).

Dat bewijsmateriaal kan onder andere al blijken uit een affidavit (beëdigde verklaring) waarin het verloop en het resultaat van het strafrechtelijk onderzoek wordt gerelateerd (HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1571). De bewijsmiddelen waarop het affidavit is gebaseerd hoeven daarbij niet te worden overgelegd (HR 1 juli 1986, NJ 1987/218). De rechtbank is van oordeel dat de stukken voldoen aan de eisen van artikel 9, tweede en derde lid, van het Verdrag. Uit de overgelegde stukken blijkt voldoende waarvan de opgeëiste persoon verdacht wordt en waarop die verdenking is gebaseerd.

Dat de door de raadsvrouw genoemde stukken hier ontbreken doet daar niet aan af. De rechtbank acht deze aanvullende stukken niet nodig voor de beoordeling van het uitleveringsverzoek en zal aanhouding van de behandeling van het uitleveringsverzoek afwijzen. 5.2. Specialiteitsbeginsel 5.2.1. Standpunt verdediging De raadsvrouw heeft betoogd dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard omdat de verdenking conspiracy te veel ruimte open laat om op een later moment nieuwe feiten toe te voegen. Er zouden, volgens de raadsvrouw, ook daadwerkelijk aanwijzingen zijn dat er andere verdenkingen tegen de opgeëiste persoon lopen dan waarvoor de uitlevering is gevraagd.

De opgeëiste persoon wordt door de VS beschouwd als een key financial facilitator en iemand die betrokken is bij internationale witwas- en drugssmokkelorganisatie. In het affidavit wordt echter maar één feitelijke transactie in december 2014 genoemd. Daarnaast blijkt uit een nog lopende strafzaak in Nederland dat de autoriteiten in de VS de opgeëiste persoon van meer verdenken dan in het uitleveringsverzoek is weergegeven. Die Nederlandse strafzaak is begonnen met actuele informatie afkomstig van de autoriteiten in de VS. Tot slot hebben de autoriteiten in de VS geen bevestiging gegeven dat er geen andere verdenkingen lopen tegen de opgeëiste persoon.

Gezien bovenstaande argumenten wordt gesteld dat het specialiteitsbeginsel niet geëerbiedigd wordt. 5.2.2. Oordeel rechtbank Als uitgangspunt geldt dat bij de beoordeling van een op een uitleveringsverdrag gebaseerd uitleveringsverzoek in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten die zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR zal respecteren (HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288). Er zijn geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat de VS na eerdere uitleveringen het specialiteitsbeginsel heeft geschonden.

Voor zover het begrip conspiracy al de mogelijkheid openlaat om andere of nieuwe feiten of omstandigheden toe te voegen, is de rechtbank van oordeel dat dit de uitlevering niet hoeft te beletten, zolang de kern daarvan het witwassen betreft als omschreven in het uitleveringsverzoek. Daarbij hoeft de verdenking niet beperkt te blijven tot die ene transactie in december 2014, nu deze in het verzoek als voorbeeld wordt gegeven van een van de manieren waarop de opgeëiste persoon betrokken zou zijn bij het witwassen van de opbrengsten van de “organization” van [naam] .

Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook op grond van hetgeen hiervoor is overwogen verworpen. 5.3. Dubbele strafbaarheid 5.3.1. Standpunt verdediging De raadsvrouw heeft betoogd dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard wegens het ontbreken van dubbele strafbaarheid. De raadsvrouw stelt dat er geen exacte afbakening van de verdenking is en dat conspiracy slechts beperkt strafbaar is in Nederland. Bovendien blijkt uit de overgelegde informatie niet dat de opgeëiste persoon meerdere transacties heeft gepleegd. Om van conspiracy te spreken moet er sprake zijn van een organisatie die het oogmerk heeft meerdere misdrijven te plegen.

In het uitleveringsverzoek wordt maar over een eenmalige transactie gesproken. Daarnaast moet er ook sprake zijn van deelneming aan een gestructureerd samenwerkingsverband. Dit blijkt niet uit de overgelegde informatie. Primair verzoekt de raadsvrouw de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren wegens het niet voldoen aan artikel 9 van het Verdrag en/of het ontbreken van de dubbele strafbaarheid. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de stukken met de onderliggende stukken aan te vullen. 5.3.2.

Oordeel rechtbank Het vereiste van de dubbele strafbaarheid vergt niet dat een met de buitenlandse delictsomschrijving als zodanig overeenstemmende Nederlandse strafbepaling bestaat. Het materiële feit waarvoor de uitlevering is verzocht en dat strafbaar is naar het recht van de verzoekende staat, dient binnen de termen van een Nederlandse strafbepaling te vallen (ECLI:NL:HR:1999:ZD1591). Daarbij doet dus niet ter zake of de buitenlandse strafbaarstelling in alle opzichten overeenstemt met de Nederlandse. Voldoende is dat die buitenlandse strafbaarstelling in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermt.

Uitlevering vanwege deelneming aan een criminele organisatie kan bijvoorbeeld slechts toelaatbaar worden verklaard voor zover de feiten waarop de organisatie het oogmerk heeft, strafbaar zijn gesteld bij de wetten van de verzoekende staat en zij volgens die van de aangezochte staat eenzelfde inbreuk op de rechtsorde strafbaar is, zie hiervoor HR 18 juni 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AE2114). Het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht, is volgens de overgelegde wetsbepalingen naar Nederlands recht strafbaar, te weten: deelname aan een criminele organisatie met onder meer als doel witwassen en/of enige vorm van deelneming aan witwassen, strafbaar gesteld bij de artikelen 420bis, 420ter en 420quater Sr in verbinding met de artikelen 47, 48, 49 en/of 140 Sr.

Voor die feiten kan naar Nederlands recht telkens een vrijheidsstraf van ten minste een jaar worden opgelegd. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde criteria. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen. Omdat de rechtbank geen noodzaak ziet om alsnog nadere onderliggende stukken op te vragen wordt ook het aanhoudingsverzoek afgewezen. 5.4. Beroep op artikel 6 EVRM 5.4.1. Standpunt verdediging Volgens de raadsvrouw kan op grond van onder andere jurisprudentie van de Hoge Raad van 4 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1426) aangenomen worden dat in onderhavige zaak sprake is van dreiging van een flagrante schending van het recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 6, eerste lid, EVRM.

Er is sprake van een flagrante schending indien bewijs afkomstig van “entrapment” (uitlokking) niet wordt uitgesloten. In onderhavige zaak zijn voldoende aanwijzingen aanwezig voor entrapment. De undercover officer reached out naar de opgeëiste persoon en van een essentially passive manner was geen sprake, omdat er meerdere vervolghandelingen door de Drug Enforcement Administration (DEA) met het geld zijn gedaan. Daarnaast ontbreekt volgens de raadsvrouw een effectief rechtsmiddel in de zin van artikel 13 EVRM omdat de opgeëiste persoon zelf moet aantonen dat hij door de opsporingsdiensten van de VS zou zijn uitgelokt.

In Europa ligt die bewijslast bij de aanklager. De bewijslast ligt dus anders dan het EHRM juist acht. Ook dreigt er een schending van artikel 6 EVRM op het recht om aanwezig te zijn bij de behandeling van de eigen strafzaak. De strafzaak in Nederland tegen de opgeëiste persoon loopt nog steeds. Aanwezigheid daarbij is niet mogelijk wanneer de opgeëiste persoon aan de VS wordt uitgeleverd. Primair verzoekt de raadsvrouw de uitlevering niet toelaatbaar te verklaren wegens een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw de minister het advies te geven garanties te vragen aan de VS die zien op het gebruik van bewijs afkomst van de undercover officer en de DEA-agenten en pas met de uitlevering in te stemmen nadat de Nederlandse strafzaak onherroepelijk is geworden. 5.4.2.

Oordeel rechtbank In zijn arrest van 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, heeft de Hoge Raad het toetsingskader geschetst inzake de bevoegdheidsverdeling tussen enerzijds de uitleveringsrechter en anderzijds de Minister van Justitie en Veiligheid wat betreft een beroep van de opgeëiste persoon op een dreigende en/of voltooide inbreuk op de fundamentele rechten die hem in art. 6 EVRM zijn toegekend. De hoge raad heeft hierin onder meer het volgende overwogen: "(i) Indien het gaat om een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging en wordt aangevoerd dat in de desbetreffende strafzaak inbreuk dreigt te worden gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR, is het in de regel niet aan de uitleveringsrechter te oordelen over de gegrondheid van zo een beroep op een dreigende mensenrechtenschending.

In een dergelijk geval moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat deze verdragsbepaling(en) zal eerbiedigen. Zo een verweer kan dus niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering, zij het dat de uitleveringsrechter in het aangevoerde grond kan vinden de Minister in zijn advies als bedoeld in art. 30 UW, deelgenoot te maken van zijn opvatting omtrent het aan het uitleveringsverzoek te geven gevolg, waaronder in voorkomende gevallen begrepen het vragen van garanties aan de verzoekende Staat om een dergelijke dreigende schending te voorkomen. (ii) Op grond van het vertrouwensbeginsel moet voorts worden aangenomen dat het rechtssysteem van de verzoekende Staat de opgeëiste persoon in staat stelt om na diens uitlevering ter strafvervolging een beroep op een mensenrechtenschending voor te leggen aan de rechter van de verzoekende Staat en dat deze daar dan een oordeel over geeft met het oog op de waarborging van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR.

Daarbij verdient opmerking dat in geval van een uitlevering ter strafvervolging de vraag of inbreuk is gemaakt op het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces, in de regel eerst kan worden beantwoord na de uitspraak van de strafrechter in de verzoekende Staat, omdat pas dan kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie. De uitleveringsrechter kan daarom in de regel niet toekomen aan de inhoudelijke beoordeling van een verweer dat sprake is van een reeds voltooide schending van art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR.” (iii) Het uitgangspunt dat in de gevallen waarin de uitlevering ter strafvervolging is gevraagd, de uitleveringsrechter in beginsel niet inhoudelijk oordeelt over een beroep op dreigende en/of voltooide mensenrechtenschendingen, kan evenwel uitzondering lijden indien naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan: ( a) de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en tevens dat ( b) hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM respectievelijk artikel 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat.” Gelet op het voorgaande dient de rechtbank, om vast te stellen of zij ter zake tot oordelen geroepen is, eerst vast te stellen of van voornoemde uitzonderingssituatie sprake is.

Het standpunt van de raadsvrouw komt er op neer dat zij stelt dat sprake is van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM terwijl daar tevens geen effectief rechtsmiddel tegen open staat. Met betrekking tot die dreigende schending doet zij een appel op de rechtbank zich uit te laten over de rechtmatigheid van de bewijsgaring. Gezien de uitspraken van de Hoge Raad van 9 december 2014 (bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2014:3540) is daarvoor geen ruimte, en de rechtbank zal zich dienaangaande dan ook van een oordeel onthouden. Dat dit anders ligt in een zaak waar sprake is van entrapment, zoals door de raadsvrouw is bepleit, volgt de rechtbank niet.

Daarbij verdient opmerking dat wanneer sprake zou zijn van entrapment dit nog niet zonder meebrengt dat sprake is van een flagrante schending van artikel 6, eerste lid, EVRM. Voor het aannemen van een dergelijke inbreuk gelden immers zeer strenge eisen (EHRM 17 januari 2012, Othman tegen V.K., NJ 2013/36, par. 259 en 260). Hetgeen de raadsvrouw omtrent entrapment heeft aangevoerd, acht de rechtbank onvoldoende. De rechtbank is evenmin van oordeel dat de uitlevering ertoe zal leiden dat de opgeëiste persoon het recht zal worden ontnomen om aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn strafzaak in Nederland.

De officier van justitie heeft op de zitting medegedeeld voornemens te zijn de Nederlandse strafzaak tegen de opgeëiste persoon te seponeren wegens onvoldoende nationaal belang. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat de opgeëiste persoon na uitlevering aan de VS niet langer in Nederland zal worden vervolgd zodat dit evenmin het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM oplevert. De raadsvrouw heeft verder geen argumenten naar voren gebracht waaruit dit kan worden opgemaakt, zodat de rechtbank tot het oordeel komt dat van een dergelijke dreigende inbreuk niet is gebleken.

Omdat de rechtbank niet aanneemt dat nu al vaststaat dat sprake is van een dreigende inbreuk, als hiervoor uiteengezet, kan de vraag of ter zake sprake is van een effectief rechtsmiddel onbesproken blijven. Ten overvloede merkt de rechtbank echter op dat het eerdergenoemde vertrouwensbeginsel óók met zich brengt dat moet worden aangenomen dat het rechtssysteem van de verzoekende Staat de opgeëiste persoon in staat stelt om na diens uitlevering ter strafvervolging een beroep op een mensenrechtenschending voor te leggen aan de rechter van de verzoekende Staat en dat deze daar vervolgens een oordeel over geeft met het oog op de waarborging van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM en/of artikel 14, eerste lid, IVBPR.

Dat de verdediging bij de beoordeling van de al dan niet toelaatbaarheid van entrapment bij de bewijsgaring een andere bewijspositie heeft dan in Nederland gebruikelijk is, doet aan het genoemde uitgangspunt niet af. Het is immers niet aannemelijk geworden dat een dergelijk verweer in de VS niet kan worden gehonoreerd. Slotsom Uit het voorgaande volgt dat op grond van hetgeen namens de opgeëiste persoon is aangevoerd, niet is komen vast te staan dat de jegens de opgeëiste persoon het risico dreigt van een flagrante inbreuk op enig aan de opgeëiste persoon ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM toekomend recht en evenmin dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk.

De verweren van de raadsvrouw ter zake worden dan ook verworpen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank in het aangevoerde evenmin grond om in een advies aan de Minister als bedoeld in artikel 30, tweede lid, UW, in het kader van het aan het uitleveringsverzoek te geven gevolg, aan de verzoekende Staat garanties te vragen om de door de raadsvrouw verwachte dreigende schending te voorkomen. 5.5 Beroep op de artikelen 2 en 3 EVRM 5.5.1. Standpunt verdediging De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er concrete bezwaren zijn ten aanzien van de detentiecentra waar de opgeëiste persoon zou kunnen gaan verblijven indien hij wordt uitgeleverd.

De detentieomstandigheden in de Amerikaanse detentiefaciliteiten: New York Metropolitan Correctional Center (hierna: MCC) of the Brooklyn Metropolitan Detention Center (hierna: MDC) zouden een reële kans op inhumane behandeling opleveren. Dit heeft tot gevolg dat bij uitlevering een dreigende schending van artikel 3 EVRM aanwezig is. De raadsvrouw verwijst hiervoor naar een aantal rapporten, krantenartikelen en jurisprudentie. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon zelf in een brief verklaard dat hij vreest voor zijn leven wanneer hij wordt uitgeleverd.

Volgens de raadsvrouw zijn er aanwijzingen dat zijn vrees reëel is. Er is sprake van een acute dreiging op het leven van de opgeëiste persoon. Dit wordt beschermd onder artikel 2 EVRM. Er is geen effectief rechtsmiddel tegen deze dreigende schending. 5.5.2. Oordeel rechtbank De rechtbank stelt voorop dat - zoals in het voorgaande reeds is overwogen - bij de beoordeling dient te worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten zal respecteren.

Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad is in uitleveringszaken - gelet op het systeem van de Uitleveringswet, zoals daarvan blijkt uit de artikelen 8 en 10 UW, en de geschiedenis van de totstandkoming van die wet - het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer de artikelen 2 en 3 EVRM voorbehouden aan de minister van Justitie en Veiligheid en zal hij bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen.

Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren. De rechtbank is van oordeel dat van een voltooide schending van artikel 2 en of 3 van het EVRM geen sprake is en zulks is overigens ook niet aangevoerd. Hetgeen is aangevoerd omtrent een dreigende schending van de artikelen 2 en 3 van het EVRM kan wel aanleiding vormen om eventuele opvattingen kenbaar te maken in het advies aan de Minister als bedoeld in artikel 30 van de UW.

De rechtbank merkt in dat verband op dat zij er - gelet op het bericht van de consulaire afdeling van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 24 oktober 2018 met betrekking tot de detentiecentra MCC en MDC - van uitgaat dat de minister van Justitie en Veiligheid bekend is met daarin genoemde omstandigheden en deze in zijn overwegingen over de toelating van de uitlevering zal meenemen. De rechtbank zal de Minister daarom niet adviseren de uitlevering pas toelaatbaar te verklaren nadat de door de raadsvrouw verzochte garanties zijn afgegeven. Dat verzoek wordt afgewezen.

Met betrekking tot het dreigende levensgevaar voor de opgeëiste persoon (dreigende schending van artikel 2 EVRM) overweegt de rechtbank dat enkel de verwachtingen van de opgeëiste persoon daaromtrent, onvoldoende concreet en substantieel zijn. De rechtbank merkt bovendien op dat de VS hebben toegezegd in te staan voor de persoonlijke veiligheid van de opgeëiste persoon indien hij wordt uitgeleverd. Daar doet niet aan af dat de raadsvrouw in dat geval vreest dat de opgeëiste persoon om redenen van zijn eigen veiligheid in continue eenzame opsluiting wordt geplaatst, wat volgens haar weer een dreigende schending van artikel 3 EVRM oplevert.

Ook dit verweer wordt verworpen. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding de Minister te adviseren garanties hieromtrent van de VS te vragen. Dat verzoek wordt eveneens afgewezen. 6Slotsom Nu ten aanzien van het feit ter zake waarvan de uitlevering ter strafvervolging tot tenuitvoerlegging wordt verzocht, is bevonden dat aan alle daarvoor in de wet en toepasselijk verdrag gestelde eisen is voldaan, dient de gevraagde uitlevering toelaatbaar te worden verklaard. 7Verzoek schorsing uitleveringsdetentie 7.1. Standpunt verdediging De raadsvrouw heeft verzocht de uitleveringsdetentie van de opgeëiste persoon te schorsen, althans op te schorten totdat de officier van justitie in kennis is gesteld van de beslissing van de Minister. 7.2.

Beoordeling Gelet op de mate waarin de opgeëiste persoon zich verzet tegen de verzochte uitlevering en de door hem kenbaar gemaakte angst daarvoor in combinatie met het ontbreken van een sterke band met Nederland, acht de rechtbank de kans op onttrekking daaraan reëel. De rechtbank is er daarom niet van overtuigd dat de opgeëiste persoon op het door hem opgegeven adres in Nederland en ter beschikking van justitie zal blijven. Bij de afweging van de persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon tegen de belangen bij voortzetting van de uitleveringsdetentie, waaronder het belang bij nakoming van de verdragsverplichtingen jegens de VS, genieten die laatste naar het oordeel van de rechtbank voorrang.

Het verzoek tot schorsing dan wel opschorting van de uitleveringsdetentie wordt daarom afgewezen. Beslissing De rechtbank: VERKLAART TOELAATBAAR de uitlevering aan de Verenigde Staten van Amerika van [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ), ter strafvervolging van het feit omschreven in het hiervoor genoemde uitleveringsverzoek; WIJST AF het verzoek tot schorsing dan wel opschorting van de uitleveringsdetentie. Deze beslissing is genomen door: mr. B.E. Dijkers, voorzitter, mrs. C.G. van de Grampel en M.W.J. van Elsdingen, rechters, in tegenwoordigheid van mr.

A. van den Bosch, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 8 november 2018.